To translate this website in different languages click here.

Genesis 31, 32 - Jacob trekt bij Laban weg

Schilderij "Jacob trekt bij Laban weg"- Cornelis Cornelisz Buys II 1535 Stedelijk Museum Alkmaar

 

Genesis 31 – 32:3  Jacob moet terug naar Kanaän

Eindelijk ging het Jakob materieel gezien goed. Hij had zich afgezonderd van zijn schoonvader en God zegende het fokken van het kleinvee. Maar de relatie met zijn schoonvader en zwagers werd er niet beter op. Ze waren jaloers en beschuldigden Jacob van slimme methodes om hen te benadelen.  Laban’s zonen verweten Jacob:

“ Jakob heeft alles genomen wat van onze vader was; uit dat wat van onze vader was, heeft hij al deze rijkdom verworven.” Genesis 31:1

Dat ze al die twintig jaren goed geboerd hadden,  kwam omdat God hen zegende terwille van Jacob die bij hen was. Dat werd ook erkend door  Laban: “Ik heb waargenomen dat de HEERE mij omwille van jou gezegend heeft.” Gen. 30:27.  Gods zegen bleef Jacob volgen toen de families uiteen gingen.

Het was niet de handigheid, de vakbekwaamheid van Jacob die zo winstgevend bleek. Het was God die dit bewerkte. Dit was de uitwerking van de zegen waarmee Izak hem had weggezonden.

Genesis 28:3 En moge God, de Almachtige, je zegenen, en je vruchtbaar en talrijk maken, zodat je tot een menigte van volken zult worden.

Het was de zegen die God over hem had uitgesproken in Bethel:
Genesis 28:15 En zie, Ik ben met u, Ik zal u beschermen overal waar u heen zult gaan, en Ik zal u terugbrengen in dít land, want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik gedaan heb wat Ik tot u gesproken heb!

Het was ook de zegen die hij ondanks zijn vermomming kreeg:

Genesis 27:28 Moge God je geven van de dauw van de hemel, van de vruchtbare streken van de aarde: overvloed van koren en nieuwe wijn.

Als Laban zei: 'Jij mag de gespikkelde dieren als beloning hebben,' dan kregen alle dieren gespikkelde jongen. En als hij zei: 'Jij mag de gestreepte dieren als beloning hebben,' dan kregen alle dieren gestreepte jongen. Dit is onmogelijk volgens de erfelijkheidsleer. Twee effen gekleurde niet-raszuivere dieren die paren hebben slechts 25% kans op een gevlekte nakomeling. Veel Bijbelcritici noemen dit dan ook een fabeltje.  Maar dit gebeurde onder Gods zegen. God bedient zich van de wetmatigheden in de natuur, maar Hij is niet aan Zijn eigen  scheppingswetten gebonden. Hij, als Schepper, staat daarboven.

In deze situatie kwam God tot Jacob met de boodschap: “vertrek….. ga naar het land van je vaderen en je familie. Ik ben met je.” (Genesis 31:3)

En dan gehoorzaamt Jacob. Hij laat zijn vrouwen Rachel en Lea bij hem in het veld komen en legt hen de situatie uit.

“Jullie weten zelf wel dat ik heel hard voor jullie vader heb gewerkt. Maar hij heeft mij bedrogen en mijn loon wel tien keer veranderd. Maar God heeft ervoor gezorgd dat ik daar geen last van had.  Zo heeft God het vee van jullie vader afgenomen en aan mij gegeven.”

Hij vertelt zijn vrouwen ook dat God hem in een droom had laten zien dat het jong geboren kleinvee allemaal gespikkeld en gestreept zou zijn. Hij vertelt verder dat de Engel van God in zijn droom tot hem zei:

Genesis 31:13. Ik ben de God van Bethel, waar u een gedenkteken gezalfd hebt, waar u Mij een gelofte gedaan hebt. Welnu, sta op, vertrek uit dit land en keer terug naar het land van uw familiekring.

Rachel en Lea stonden vierkant achter het besluit van hun man Jacob. Ook zij hadden het egoïsme van Laban ondervonden.

Rachel en Lea antwoordden: "Hebben we nog iets met onze vader te maken? Er is ook niets meer van de erfenis over. Hij heeft ons verhandeld alsof we vreemdelingen waren. Ook heeft hij al ons geld opgemaakt. Maar alle rijkdom die God van onze vader heeft afgepakt, is nu van ons en onze kinderen. Doe dus wat God tegen je heeft gezegd." Genesis 31:14-16

En zo werd, zonder dat Laban het merkte, de grote verhuizing ingezet. Rachel pakte nog even de afgodsbeeldjes mee, toen haar vader de deur uit was om de schapen te scheren.

In eerste instantie denk je dan dat Rachel nog stiekem de afgoden vereerde.  Maar Ariël Berkowitz heeft daarvoor een andere verklaring die inhoudt dat  ze de eer en de status van haar ouderlijk huis meenam:

“Wetend dat het bezit van de familieafgoden het leiderschap en de erfenis van de familie inhield, gapte zij ze heimelijk voor zichzelf. Door dat te doen bewerkte zij verscheidene dingen. Ten eerste verzekerde het haar ervan dat enige familierijkdom, die overgebleven kan zijn nadat Ja'akov die verwierf, dan haar bezit zou zijn. Dit was de allereerste zorg van haar en Leah in 31:14-16. Zij betwisten nu hun deel van de erfenis omdat zij niet langer aanwezig zouden zijn. Hun oplossing was dat Ja'akov het nu bezat, zodat er geen noodzaak voor bezorgdheid zou zijn. Rachel maakte echter dat die aanname een wettelijke verzekering werd toen zij het symbool van het leiderschap van de familie, de terafim, stal. Zij verkondigde in zoveel woorden: "Kijk eens waar jouw bedrog je gebracht heeft! Jij probeerde mijn echtgenoot pijnlijk te treffen en mijn leven te ruïneren, maar nu heb jij niets! Ik bezit het!" Om het in tamelijk krasse termen te stellen, het was Rachel's manier om haar familie "terug te pakken" voor wat zij probeerden te doen door zowel haar als ook de echtgenoot, die zij lief had, pijnlijk te treffen. Het schijnt dat zij inderdaad won!”

Jacob ging weer op weg, met God die hem bemoedigend eraan herinnerde “Ik ben de God van Bethel”.  (Genesis 31:13) Die herinnering heeft hem ongetwijfeld de kracht gegeven om die weg te gaan. Die God van Bethel, die zei “Ik ben met je!”.  De ladder die de verbinding met de hemel aangaf en het beeld van Yeshua was, zal hem zeker in de gedachten zijn gekomen.

Laban ontdekte dat Jacob met zijn gezin en zijn have weg was, toen hij al drie dagen geleden vertrokken was en zette de achtervolging in.  Hij had “verwanten” met zich meegenomen. Zouden dat zijn zonen zijn? In ieder geval had God hem in een droom gewaarschuwd:  "Pas op! Ik wil niet dat je ook maar íets verkeerds tegen Jacob doet of zegt!"

Een gelovige kan ook geestelijk achtervolgd worden, waarbij geweld en list gebruikt wordt. Maar God weerhoudt degenen die kwaad willen doen, zoals hier Laban weerhouden wordt en zoals ook straks Ezau weerhouden wordt. Maar niettemin is er de dreiging en dan is het goed om je Gods bemoediging te herinneren “Ik ben bij je”. .

Jacob stak met zijn gezin de rivier de Eufraat over en toen hij in Gilead was werd hij door Laban ingehaald.

Laban erkent dat hij met kwade bedoelingen op weg was gegaan, maar dat God hem had weerhouden. Hij moest nog wel even zeggen dat Jacob dwaas gehandeld had en zijn dochters als krijgsgevangen had ontvoerd. Hij zegt nog dat hij ze feestelijk uitgeleide zou hebben gedaan. Jaja….  En dan wordt Laban boos omdat ze de terafim (afgodsbeelden) hebben meegenomen. Jacob wist niet dat Rachel dat had gedaan en zei dat Laban dan maar moest zoeken en dat hij degene die ze meegenomen had mocht doden. 

Nu, dat was een gevaarlijke uitspraak. Hieruit blijkt wel dat Jacob het ondenkbaar vond dat er in zijn gezin interesse was voor de afgoden.
Tja, en dan komt Laban bij Rachel, die op het kameelzadel zit, waarin ze die beeldjes heeft verstopt. En Rachel zegt dat ze niet kan opstaan omdat ze ongesteld is. Dus Laban vindt de beelden gelukkig niet.

Toen was het Jacobs beurt om boos te worden en duidelijk uit te spreken wat hem door Laban aangedaan was:

"Wat heb ik je gedaan dat je mij zo achtervolgd hebt? Je hebt al mijn spullen doorzocht. Wat heb je nu gevonden dat van jou is? Leg het hier neer zodat alle anderen het kunnen zien! Dan kunnen zij over ons rechtspreken. Ik ben nu 20 jaar bij je geweest. Je schapen en je geiten hebben nooit doodgeboren jongen gekregen. Ik heb nooit een schaap van je opgegeten. Wat door wilde dieren werd gedood, bracht ik niet naar jou, maar moest ik vergoeden. Als er overdag of 's nachts iets werd gestolen, kwam je van mij een vergoeding eisen. Zo ging het met mij: overdag werd ik gesloopt door de hitte, 's nachts door de kou. Ik had nauwelijks tijd om te slapen.  Ik heb nu 20 jaar in je huis gewoond. Ik heb 14 jaar voor je gewerkt om met je twee dochters te mogen trouwen. Ik heb zes jaar voor je gewerkt om mijn vee te verdienen en je hebt mijn loon wel tien keer veranderd!  Als de God van mijn vader, de God van Abraham en de God voor wie Izaäk diep ontzag had niet met mij was geweest, zou je mij met lege handen hebben weggestuurd. Maar God heeft mijn narigheid en mijn harde werken gezien. Daarom heeft Hij je de afgelopen nacht zo streng gewaarschuwd!"  Genesis 31:36-42

Nu de dingen benoemd zijn konden ze op een goede manier van elkaar afscheid nemen. Er werden stenen bijeen gehaald en op die plaats wordt een verbond gesloten. Die steenhoop kreeg van Laban de naam “Jegar-Sahadutha” (Aramees) en Jacob gaf het de Hebreeuwse naam “Gilead”.  Het betekent allebei “steenhoop die getuige is”.  Het Hebreeuwse woord  עֵד “ed” voor getuige is daarin te herkennen.

Het verbond werd op verzoek van Laban gesloten. Het had de volgende inhoud:

Zie deze steenhoop, en zie het gedenkteken dat ik overeind gezet heb tussen mij en jou. Deze steenhoop is getuige, en dit gedenkteken is getuige dat ik niet voorbij deze steenhoop naar jou toe zal trekken, en dat jij niet voorbij deze steenhoop en dit gedenkteken naar mij toe zult trekken, met kwade bedoelingen. Laten de God van Abraham en de god van Nahor, de god van hun vader, tussen ons oordelen. En Jakob legde een eed af bij de Gevreesde van zijn vader Izak. Genesis 31:51-53

Jacob bracht een offer op de berg en hierna volgde er een verbondsmaaltijd. De volgende morgen gingen beide families, na een hartelijk afscheid, ieder huns weegs.


De houding die Laban had ten opzichte van Jacob, is vergelijkbaar met de verhouding tussen Farao en het volk Israël. In feite weerspiegelen ze daarin het karakter van de antichrist. In onderstaand overzicht wordt dit duidelijk.

Genesis 32 Basisbijbel
1 Ook Jakob vertrok, in de andere richting. En engelen van God kwamen hem tegemoet.  Toen hij hen zag, zei hij: "Dit is een leger van God!" Daarom noemde hij die plek Mahanaïm (= 'twee legers').

3 Jakob stuurde boodschappers voor zich uit naar zijn broer Ezau. Ezau woonde in het gebied Seïr. Dat gebied wordt ook Edom  genoemd. 4 Hij zei tegen hen: "Zeg tegen Ezau: 'Dit zegt je dienaar Jakob: ik heb tot nu toe als vreemdeling bij Laban gewoond. 5 Ik heb er koeien, ezels, schapen en geiten, slaven en slavinnen gekregen. Ik laat je dit van tevoren weten en hoop dat je niet langer kwaad op me zal zijn.' "

6 De boodschappers kwamen bij Jakob terug en zeiden: "We zijn bij uw broer Ezau geweest. Hij is nu met 400 mannen op weg naar u toe." 7 Toen werd Jakob erg bang. Hij verdeelde de mensen die bij hem waren in twee groepen. Ook de schapen, geiten, koeien en kamelen verdeelde hij in twee groepen. 8 Want hij dacht: "Als Ezau op de ene groep afkomt en die verslaat, kan de andere groep ontsnappen." 9 Toen bad Jakob: "God van mijn grootvader Abraham en van mijn vader Izaäk! Heer, U heeft tegen mij gezegd: 'Ga terug naar je land en naar je familie. Ik zal goed voor je zijn.' 10 Ik ben het helemaal niet waard dat U zo goed voor mij bent geweest en mij zoveel heeft gegeven. Ik had op de heenweg alleen een staf toen ik de Jordaan overstak. Nu heb ik deze twee grote groepen mensen en dieren. 11 Heer, red mij nu alstublieft uit de handen van mijn broer Ezau. Want ik ben bang dat hij mij zal doden, met de moeders en de kinderen. 12 Maar U heeft toch gezegd: 'Ik zal goed voor je zijn en je familie zo ontelbaar maken als het zand langs de zee.' " 13 Die nacht bleef hij daar.

Wat was dat toch voor een worsteling die Jakob met die Man had? Het is voor ons moeilijk te begrijpen. Als die Man Yeshua was vóór zijn menswording, waarom liet Hij Jakob dan winnen? Hij zou toch sterker moeten zijn dan Jakob?  Zo zouden wij op menselijke manier de situatie inschatten. Vroeger dacht ik dat Jakob ten onrechte bang was geweest. Ezau bleek hem vriendelijk gezind toen ze elkaar ontmoetten. Zijn angst was, dacht ik, gebrek aan geloof. Ik weet nu dat het anders is.

We weten dat de strijd in de hemelse gewesten op aarde zijn weerslag heeft. Wat op aarde gebeurt staat niet los van de geestelijke strijd die plaatsvindt in de hemelse gewesten.  Hier zien we zo’n voorbeeld van een strijd die geestelijk gestreden wordt, maar fysiek zijn uitwerking heeft.

In Genesis 32:6 lezen we dat de mannen die Jakob ter verkenning erop uit had gestuurd met het bericht komen dat Ezau met vierhonderd man op weg naar hem toe was. Daarom werd Jakob bang. In Genesis 27:41, 42 lezen we dat Ezau vastbesloten was om Jakob te doden en nu kwam hij met een gewapend leger op hem af.  We vinden hiervan een bevestiging in de Joodse geschiedenisboeken (het boek der oprechten). Ezau werd geconfronteerd met een geestelijke, hemelse legermacht. De geestelijke strijd vond fysiek plaats op twee fronten.  Op zijn reis naar Kanaän ontmoette Jakob al een leger engelen (Gen. 32:1,2) Zo werden beide kampen door God klaargemaakt voor een ontmoeting. De details van deze strijd zijn niet na te gaan en kunnen we ook niet altijd begrijpen.

Een enigszins vergelijkbare situatie lezen we ook in 2 Koningen 6:8 vv waar Elisa tegenover een groot leger van Syriërs stond. Zijn knecht werd doodsbenauwd bij het zien daarvan, maar Elisa bidt God om de ogen van de knecht te openen:

16           Hij zei: Wees niet bevreesd, want die bij ons zijn, zijn méér dan die bij hen zijn. 

 17          En Elisa bad en zei: HEERE, open toch zijn ogen, zodat hij ziet. En de HEERE opende de ogen van de knecht, zodat hij zag; en zie, de berg was vol paarden en strijdwagens van vuur rondom Elisa.

In de studie van Tony Robinson las ik een verrassende overeenkomst tussen de vlucht van David en de vlucht van Jakob.  

Hier in ons gedeelte heeft Jakob met God en mensen gestreden en gewonnen.

Genesis 32: 28 TOEN ZEI HIJ:  UW NAAM ZAL VOORTAAN NIET MEER JAKOB LUIDEN, MAAR ISRAËL,  WANT U HEBT MET GOD EN MET MENSEN GESTREDEN, EN HEBT OVERWONNEN.

Zo zal ook de eindstrijd zijn van het overblijfsel van Israël:

Jeremia 30:7     

 Wee, want die dag is groot, er is er geen als hij.

         het is een tijd van benauwdheid voor Jakob,

                                TOCH ZAL HIJ DAARUIT VERLOST WORDEN!

En dan die ontmoeting....

Toen Izaäk zijn beide zonen zegende, leek het wel of Izaäk alles al had weggegeven aan Jacob, in de veronderstelling dat hij Ezau bij zich had. Toen Ezau even later bij zijn vader kwam vroeg hij:

 

Genesis 27: 36  Hebt u dan geen zegen voor mij overgehouden? 37 Izak antwoordde en zei tegen Ezau: Zie, ik heb hem heerser over jou gemaakt en al zijn broers heb ik hem als dienaar gegeven. Ik heb hem van koren en nieuwe wijn voorzien. Wat kan ik dan nog voor je doen, mijn zoon?

38 Daarop zei Ezau tegen zijn vader: Hebt u alleen maar deze ene zegen, mijn vader?

 

Die zegen voor Ezau die toen werd uitgesproken, kun je nauwelijks een zegen noemen. Daarom is er in sommige vertalingen ook het woord “ver” uit de volgende tekst weggelaten, want het lijkt zo helemaal geen zegen. De vertalers hadden er kennelijk moeite mee.

Gen. 27: 39 Zie, ver  van de vruchtbare streken van de aarde zal je woongebied zijn, en van de dauw van de hemel van boven. 40 Van je zwaard zul je leven en je broer zul je dienen. Maar als je tot macht komt, zul je zijn juk van je nek afrukken.

 

Dit was duidelijk een “zegen” die in vervulling ging voor Ezau. Hij woonde in Edom, in Seïr en dat was woestijngebied, ver van de vruchtbare streken. Hij was een man van het zwaard.

 

Het lijkt mij dat Jacob’s bedoeling was om Ezau te laten delen in zijn zegen en dat hij daarom al dat vee als geschenk meebracht.

En de zegen die God  aan Jacob gaf in Bethel, was een prachtige zegen van God die later zei: “Jacob heb ik lief gehad”.

Maleachi 1:2

Genesis 28:15 En zie, Ik ben met u, Ik zal u beschermen overal waar u heen zult gaan, en Ik zal u terugbrengen in dít land, want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik gedaan heb wat Ik tot u gesproken heb!

Ik heb me eerder wel eens afgevraagd:
Waarom kwam Jacob met zoveel geschenken en met zo´n onderdanig gedrag om zichzelf zeven keer voor Ezau neer te buigen? Mocht hij hem na die worsteling niet met open vizier en met opgeheven hoofd tegemoet gaan? De studie van Ardelle over dit gedeelte geeft meer licht daarop:

 

Hij bracht een kudde van zo’n zeshonderd dieren bij elkaar …..

200 geiten, 20 bokken, 200 ooien, 20 rammen, 30 zogende kamelen met hun veulens, 40 koeien, 10 stieren, 20 ezelinnen, 10 ezels

Jacob boog zeven keer naar de grond, ook de slavinnen met hun kinderen bogen zich neer

Lea en haar kinderen bogen zich neer en ook Jozef en Rachel bogen zich neer.

Voordat de worsteling  plaatsvond stuurde Jacob knechten Ezau tegemoet en noemde zijn geschenk tot vier keer toe: een mincha מִנחַה (het Hebreeuwse woord voor middagoffer).  Als Jacob later zelf oog in oog met Ezau staat, dus na de worsteling, noemt hij zijn geschenk een “bracha” בְּרָכָה een zegening. Gen. 33:11. Hetzelfde woord dat gebruikt werd toen Izak aan Jacob de zegen gaf die voor Ezau bedoeld was.  Hoe luidde die zegen?

Genesis 27:28 Moge God je geven  van de dauw van de hemel,  van de vruchtbare streken van de aarde:  overvloed van koren en nieuwe wijn.  29 Volken zullen je dienen,  naties zullen zich voor je buigen. Wees heerser over je broers,  de zonen van je moeder zullen zich voor je buigen.  Vervloekt moet zijn wie jou vervloekt,  en gezegend wie jou zegent!

Jacob bracht wat hij Ezau ontnomen had van de dauw van de hemel. Hij en zijn gezin bogen zich voor Ezau neer zoals de belofte in de zegen van vader Izak was uitgesproken. Jacob moest in orde maken wat hij verkeerd had gedaan, zoals God dat ook van ons vraagt. Dit is ongetwijfeld tijdens de worsteling duidelijk geworden.


De vergoeding van deze zegen is beslist anders dan de zegen van het eerstgeboorterecht (de bechira) die Izak aan Jacob gaf toen hij naar Haran vertrok.

 

Genesis 28: 3 En moge God, de Almachtige, je zegenen, en je vruchtbaar en talrijk maken, zodat je tot een menigte van volken zult worden.  4 Moge Hij je de zegen van Abraham geven, jou  en je nageslacht met je, zodat je het land waar je vreemdeling bent,  dat God aan Abraham gegeven heeft, in bezit krijgt.

 

Dat was de zegen waarop hij recht had, maar die andere zegen had Jacob in feite van Ezau gestolen. Die bracht hij nu terug. Onze God is een God van gerechtigheid en recht en daarom moet de mens zich wel eens vernederen en klein maken. Zoals Paulus zegt in Filippenzen 3:7 Maar wat voor mij winst was, dat heb ik om Christus' wil als schade beschouwd.