2 Thess. 2:6-8  - De ‘weerhouder’

 6         En u weet wat hem nu weerhoudt, opdat hij op zijn eigen tijd geopenbaard wordt.

 7         Want het geheimenis van de wetteloosheid is al werkzaam. Alleen is er iemand die hem nu weerhoudt, totdat hij uit het midden verdwenen is.

 8         En dan zal de wetteloze geopenbaard worden.  De Heere zal hem verteren door de Geest van Zijn mond en hem tenietdoen door de verschijning bij Zijn komst;

 

Vers 6 maakt duidelijk dat vers 7 over de zogenaamde weerhouder niet kan betekenen dat Sja’oel nieuwe kennis weggeeft. Sja’oel zegt namelijk: “en u weet wat hem (Jesjoea) nu weerhoudt, opdat hij (Jesjoea) op zijn eigen tijd geopenbaard wordt”. (Thess. 2:6, HSV). Sja’oel zegt dus: “Nu weet je wanneer Jesjoea terugkeert en wat nu nog maakt dat Hij nog niet kan komen”. Hiermee refereert Hij naar de twee gebeurtenissen die hij eerder noemde, namelijk 1.) de grote afval en 2.) de openbaring van de antichrist (2 Thess. 2:3-4). ‘Met deze kennis weten jullie nu wat er nog moet gebeuren voordat Jesjoea komt (2 Thess. 2:6)’. Sja’oel zegt zelfs tegen de gelovigen dat hij hun dit eerder heeft verteld toen hij bij hen was (2 Thess. 2:5).

De crux zit hem nu in de vertaling van vers 7. Het Griekse woord voor ‘verdwenen’ in dit vers is de verbuiging ‘geneetai’ (γενηται) betekent ‘ontstaan’ of ‘geboren’ worden. (Strong nummer 1096)

Dezelfde verbuiging die in dit vers 7 van 2 Thessalonicenzen 2 wordt gegeven vinden we bijvoorbeeld elders in de Bijbel, bijvoorbeeld: het moet genoeg zijn voor de discipel dat hij wordt ‘geneetai’ (γενηται) zoals zijn meester. (Matth.10:25a, HSV). Hier lezen we dat de verbuiging wordt vertaald in de vorm van een ‘transformatie’, ‘ontstaan’ of ‘worden’: de discipel transformeert zich of wordt als zijn meester.

Een ander vers is: ‘Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars, want u reist zee en land af om één proseliet te maken, en als hij het geworden is ‘geneetai’ (γενηται), …… (Mat. 23:15, HSV). Ook hier wordt ‘geneetai’ vertaald met ‘worden’. 

Dit zijn dus slechts twee voorbeelden van het gebruik en de vertaling van het woord ‘geneetai’. (In een noot onderaan de bladzijde staan nog drie voorbeelden).

Opvallend is dat dit Griekse woord zo’n 671 maal in het Nieuwe Testament voorkomt en in alle gevallen iets te maken heeft met een creatie of het ontstaan van iets, of dat er iets ‘gebeurt’, iets ‘wordt’.

(Hierna volgt een geciteerde Engelstalige uiteenzetting van ene Claude A. Ries, die verschillende bronnen raadpleegt).

Wanneer we dan ook terugkeren naar 2 Thessalonicenzen 2 vers 6 dan staat daar het volgende in de Herziene Statenvertaling:

7  Want het geheimenis van de wetteloosheid is al werkzaam. Alleen is er iemand die hem nu weerhoudt, totdat hij uit het midden verdwenen is. (via een opname)

Echter vanuit het gegeven dat ‘ginomai’ op alle overige plekken in de Bijbel wordt vertaald met ‘worden’ of ‘ontstaan’, zou logischerwijs de vertaling als volgt moeten zijn:


7  Want het geheimenis van de wetteloosheid [Toraloosheid]  is al werkzaam. Alleen is er iemand [de antichrist] die hem [Jesjoea] nu weerhoudt, totdat hij [de antichrist] uit het midden [is ontstaan].  (het woord "verdwenen" is nu vervangen door "ontstaan")

Deze lezing sluit ook aan op de voorgaande verzen waarin Paulus zegt: u weet nu wat er nu nog moet gebeuren (2 Thess. 2:6) namelijk 1.) de grote afval en 2.) de openbaring van de antichrist (2 Thess. 2:3-4). Als de antichrist is ‘geworden’ of ‘ontstaan’ uit het midden van de mensheid (2 Thess. 2:7) dan zal hij, de wetteloze geopenbaard zijn (2 Thess. 2:6).  De zin die erop volgt stroomt dus ook beter mee met het betoog.

Vers 6 en 7 achtereenvolgens klinken dan als volgt:

7          Want het geheimenis van de wetteloosheid [Toraloosheid] is al werkzaam. Alleen is er iemand [de antichrist] die hem [Jesjoea] nu weerhoudt, totdat hij [de antichrist] uit het midden [van de mensheid] is……. [opgekomen/ontstaan/geworden]

 8         En dan zal de wetteloze [de antichrist] geopenbaard worden.  (2 Thess. 2:7-8a HSV). En Jesjoea zal hem vervolgens verteren bij Zijn terugkomst (2 Thess. 2:8). Dit laatste volledig in overeenstemming met wat Jochanan beschrijft in Openbaringen (zie Op. 19:15,20).

 

2 Thess. 2:9-12.  Sja’oel gaat vanaf dan op wat meer detail in hoe de antichrist de grote afval bewerkstelligt, namelijk door ‘allerlei krachten, tekenen en wonderen van de leugen en met allerlei misleiding van de ongerechtigheid’ (2 Thess. 2:9-10, HSV) God stuurt die dwaling zodat zij die Jesjoea hebben afgewezen geoordeeld kunnen worden (2 Thess. 2:11-12).

Sja’oel blijft dus geheel in het thema van de gerichte vraag van de gelovigen in Thessaloniki en introduceert niet een wereldvreemd concept van een opname. Integendeel, Sja’oel neemt de ruimte om de twee gebeurtenissen te bespreken die moeten gebeuren voordat de Messias terugkeert.

We zien hier dat bepaalde leerstellingen of veronderstellingen hoogstwaarschijnlijk bij de vertaling leidend zijn geweest. Dat ‘ginomai’, ‘ontstaan’ of ‘opkomen’ betekent en als zodanig vertaald moet worden, sluit ook beter aan bij het bredere betoog van Sja’oel. De ‘weerhouder’ is dus de antichrist en hij weerhoudt Jesjoea’s terugkomst omdat Jesjoea hem uiteindelijk moet verteren.

………

De vraag waarom de uitverkorenen door de verdrukking moeten gaan blijft dan nog staan en kan alleen begrepen worden vanuit de wetenschap dat Jesjoea ons is voorgegaan in alles van het aardse leven. Zo is Jesjoea in zijn aardse bestaan onderdrukt en ging Hij ons voor in de dood, opstanding en het verkrijgen van het verheerlijkte lichaam. (1 Kor. 15:23)

Uit: “Terug naar de Bron” van M.R. Doeve  pagina’s 290 – 294.