Numeri 26 telling der strijdbare Israëlieten

Het vorige hoofdstuk, Numeri 25,  waarin de geschiedenis verteld wordt over de verleiding van de Midianieten tot afgoderij, eindigt met een oproep om Midian te verslaan:

Numeri 25:17 Behandel de Midianieten als vijanden en versla hen. 18 Want zij hebben u als vijanden behandeld, met hun listen, die zij listig tegen u beraamden, in het geval van Peor en in het geval van hun zuster Kozbi, de dochter van een leider van de Midianieten, die gedood is op de dag van de plaag, in het geval van Peor.

Als hoofdstuk 27 dan verder gaat met een opdracht om de strijdbare mannen te tellen, zou het voor de hand liggen dat die telling te maken had met de opdracht om de Midianieten te verslaan.

26:2 Neem het aantal op van heel de gemeenschap van de Israëlieten, van twintig jaar oud en daarboven, naar hun families, ieder die in Israël met het leger uittrekt.

Het lijkt dus vanzelfsprekend om het aantal mannen te tellen die geschikt waren om tegen Midian te gaan vechten. Chronologisch gezien zou dat logisch zijn. Maar is dit zo?

Laten we de telling eens vergelijken met de telling die vermeld is in Numeri 1:1-44. Het verschil tussen deze twee tellingen is:

In Numeri 26 vinden we een meer uitgebreide telling, waarbij zelfs de familienamen vermeld worden, In Numeri 1 worden geen familienamen genoemd. Het doel van deze telling vinden we in de volgende verzen uit dit hoofdstuk:


52 En de HEERE sprak tot Mozes:

53 Onder deze stammen moet het land als erfelijk bezit verdeeld worden, overeenkomstig het aantal namen.

54 Voor degenen die met velen zijn, moet u het erfelijk bezit groot maken en voor degenen die met weinigen zijn, moet u het erfelijk bezit minder groot maken; aan ieder moet zijn erfelijk bezit gegeven worden overeenkomstig degenen van hen die geteld zijn.

55 Het land zal echter door het lot verdeeld worden; volgens de namen van de stammen van hun vaderen zullen zij het in erfelijk bezit nemen.

56 Volgens het lot zal ieders erfelijk bezit tussen velen en weinigen in aantal verdeeld worden.

Het doel van deze telling is dus nodig om te bepalen hoe het Land te verdelen! De telling heeft dus niets te maken met een op handen zijnde oorlog met Midian, wat men zou kunnen verwachten. Het gaat erom te kunnen bepalen hoe men een stuk land in Kanaän zal erven.

De strijd tegen Midian vond later plaats. Dat lezen we in Numeri 31:1-12.  In deze strijd trokken er per stam slechts 1000 man ten strijde, dus 12.000 totaal.

 Laten we eens kijken naar de betekenis van Numeri 26:9-11.

9 De zonen van Eliab nu waren Nemuel, Dathan en Abiram. Deze Dathan en Abiram waren afgevaardigden van de gemeenschap, die tegen Mozes en tegen Aäron in opstand waren gekomen, samen met de aanhang van Korach, toen die tegen de HEERE in opstand gekomen was.

10 Maar de aarde had haar mond geopend en hen samen met Korach verzwolgen, toen zijn aanhang stierf, doordat het vuur tweehonderdvijftig mannen verteerd had. Zo waren zij tot een teken geworden.

11 Maar de kinderen van Korach waren niet gestorven.

Nu we weten dat de telling te maken heeft met het  te verdelen erfdeel  in Kanaän, begrijpen we ook waarom de namen van Dathan, Abiram en Korach in de verzen 9 tot en 11 zijn vermeld. Zij waren immers gestorven en dus niet in staat om te vechten en ook niet om Land te erven.

Het gaat hier vooral om de conclusie van de laatste zin (vers 11). De anderen die genoemd waren vielen buiten de erfdeling, omdat ze er niet meer zijn, maar de kinderen van Korach daarentegen deelden wel in de beloofde erfenis.  We lezen over hun nageslacht in

 

1 Kronieken 9:19 zijn broeders uit zijn familie, de Korachieten, gingen over het dienstwerk als deurwachters bij de tabernakel, zoals hun vaderen in het kamp van de HEERE wachters bij de ingang geweest waren.

 

Zij bleven als Korachieten – Kahathieten – dienstbaar in de tabernakel.  Ook staan er negen psalmen in de Bijbel die door hun afstamming gemaakt zijn.

 

Het drukt uit dat het leven in oprechtheid voor God zegen met zich meebrengt. Dit is in tegenstelling tot hen die in rebellie tegen de Heilige vervielen en daardoor te maken kregen met oordeel en dood. De oprechten stierven niet in de plaag en zouden een erfdeel in het Beloofde Land krijgen, net zo Pinchas oprecht handelde en een eeuwig vredesverbond ontving.

De priesters kregen geen erfdelen in het land omdat de HEERE Zelf hun erfdeel is. Deuteronomium 18:1,2. Toch lezen we  in Jozua 24:33

 

Ook Eleazar, de zoon van Aäron, stierf, en zij begroeven hem op de heuvel van zijn zoon Pinehas, die hem in het bergland van Efraïm gegeven was.

 

Pinehas had blijkbaar een stuk land, een heuvel, als erfdeel ontvangen naast het verbond van het priesterschap.  Hij was gezegend om zijn oprecht geloof, dat zich uitte in daden.