Jesaja 54: 1-10 Beloften van heil voor Sion

Jesaja 54:1-10 en Deuteronomium 24:1-4

Dit troostgedeelte voor Israël heeft alles te maken met wat Deuteronomium ons leert over de echtscheiding.

Omdat ik nog aantekeningen had van een uitzending van Radio Israël over dit gedeelte, heb ik die uitgewerkt. Het is vorig jaar prachtig uitgelegd door Robert Berns en is hier alsnog te beluisteren.

Het heeft te maken met de geestelijke toepassing ervan op de relatie van Yahweh met Zijn volk Israël, die op de Sinaï een voorgenomen huwelijk waren aangegaan. Daarom spreekt Yahweh haar bij monde van Jesaja aan als “een onvruchtbare, verlaten vrouw, een bedroefde van geest, een vrouw van de jeugd, die afgewezen was”.  

Maar Yahweh bemoedigt haar ook door over haar toekomstige kinderen te spreken:
Jesaja 54:13 Al uw kinderen zullen door de HEERE onderwezen zijn, en de vrede van uw kinderen zal groot zijn.

Jesaja 54:4 Wees niet bevreesd, want u zult niet beschaamd worden;  word niet rood van schaamte, want u zult niet te schande worden. Ja, u zult de schande van uw jeugd vergeten,  en niet meer denken aan de smaad van uw weduwschap.

9c  Ik heb gezworen dat Ik niet meer op u toornen zal en u niet meer bestraffen zal.

 

Israël en Juda waren door hun gedrag versmaad omdat zij zich, door hun overspelig gedrag,  de toorn van Yahweh op de hals hadden gehaald. God stuurde haar weg. En nu gaan we naar Deuteronomium, waar Yahweh in hoofdstuk 24 regels gaf voor de echtscheiding.

 

Deuteronomium 24:1 Wanneer een man een vrouw genomen heeft en met haar getrouwd is, en het gebeurt dat zij geen genade meer vindt in zijn ogen, omdat hij iets schandelijks aan haar gevonden heeft, en hij haar een echtscheidingsbrief schrijft, die in haar hand geeft en haar uit zijn huis wegstuurt,

  1. en als zij dan uit zijn huis vertrekt, weggaat en de vrouw van een andere man wordt,
  2. en die laatste man ook een afkeer van haar krijgt, haar een ECHTSCHEIDINGSBRIEF schrijft, die in haar hand geeft en haar uit zijn huis wegstuurt, of als die laatste man, die haar voor zichzelf tot vrouw genomen heeft, sterft,
  3. dan mag haar eerste man, die haar heeft weggestuurd, haar niet terugnemen om hem tot vrouw te zijn, nu zij onrein geworden is; want dat is voor het aangezicht van de HEERE een gruwel. U mag geen zonde brengen over het land dat de HEERE, uw God, u als erfelijk bezit geeft.

Zal God zich aan Zijn eigen regels houden? Kan Hij de Bruid Israël terugnemen nadat zij ontrouw is geweest?  Laten we eens kijken wat de profeet Jeremia over deze zaak zegt….

Jeremia 3:1 Men zegt: Als een man zijn vrouw wegstuurt, zij bij hem weggaat en de vrouw van een andere man wordt, mag hij nog naar haar terugkeren? 

Zou dat land niet ten zeerste ontheiligd worden? U echter, u hebt hoererij bedreven met veel vrienden, en dan naar Mij terugkeren? – spreekt de HEERE.

Maar hoe kan Yahweh hen oproepen terug te keren? Dit is toch in tegenstelling tot wat Hij geboden had in Deuteronomium 24?

Jeremia 3:20. Voorwaar, zoals een vrouw haar levensgezel ontrouw wordt, zo bent u Mij ontrouw geworden, huis van Israël, spreekt de HEERE.

Jeremia 3:14 Keer terug, afkerige kinderen, spreekt de HEERE, want Ík heb u getrouwd. Ik zal u nemen, één uit een stad en twee uit een geslacht, en Ik zal u naar Sion brengen.

Hoe kan de Here dit zeggen?

Een bloedverbond kan alleen maar verbroken worden door de dood van één van de verbondspartijen. Zal Israël  de vrouw sterven of zal haar man “de Maker” de dood ingaan? Hoe moet er een nieuw verbond tot stand komen?

Keer terug = shoevoe שׁוּבוּ  dat we herkennen in teshoeva תְּשׁוּבָה  dat betekent “bekering, berouw”.

Yahweh ging op de Sinaï met Israël een verbondsrelatie aan, zoals een man en een vrouw in een huwelijksverbond treden. Het huwelijksverbond is zoveel meer dan een zakelijk contract. Daarom vloeit er bloed in de huwelijksnacht als het maagdenvlies verbroken wordt. Zo’n bloedverbond kan alleen verbroken worden door de dood van één van de verbondspartners. Wanneer het verbond door één van de partners verbroken werd, was deze de dood schuldig.  We zien dat in het volgende schriftgedeelte:

Ezechiël 17: 11 Het woord van de HEERE kwam tot mij:

12 Zeg toch tegen dat opstandige huis: Weet u niet wat deze dingen betekenen? Zeg: Zie, de koning van Babel is naar Jeruzalem gekomen; hij nam zijn koning en zijn vorsten gevangen en bracht hen bij zich in Babel.

13 Vervolgens nam hij iemand uit het koninklijk nageslacht, sloot met hem een verbond en liet hem een eed zweren. De machthebbers van het land nam hij weg,

14 zodat het een onbeduidend koninkrijk werd, dat zich niet kon verheffen, maar zijn verbond in acht nam om te kunnen blijven bestaan.

15 Maar hij kwam in opstand tegen hem door zijn gezanten naar Egypte te sturen, opdat men hem paarden en veel volk zou geven. Zou hij erin slagen? Zou hij ontkomen die zulke dingen doet? Zou hij een verbond verbreken en ontkomen?

16 Zo waar Ik leef, spreekt de Heere HEERE, voorwaar, in de woonplaats van de koning die hem koning gemaakt heeft, wiens eed hij verachtte en wiens verbond hij verbrak, bij hem, midden in Babel, zal hij sterven!

17 En de farao zal met een groot leger en een grote verzamelde gemeenschap in de strijd niets kunnen uitrichten, als men een belegeringsdam zal opwerpen en een schans zal bouwen om vele levens uit te roeien.

18 Hij heeft de eed veracht door het verbond te verbreken, en zie, hij had zijn hand erop gegeven! Nu hij dit alles gedaan heeft, zal hij niet ontkomen.

19 Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Zo waar Ik leef, voorwaar, Ik zal Mijn eed die hij veracht heeft en Mijn verbond dat hij verbroken heeft, op zijn hoofd doen neerkomen!

20 Ik zal Mijn net over hem uitspreiden, zodat hij in Mijn vangnet gevangen raakt. Ik zal hem naar Babel brengen en daar met hem een rechtszaak voeren over zijn trouwbreuk, die hij tegenover Mij gepleegd heeft.

21 En allen die onder al zijn troepen gevlucht zijn, zullen door het zwaard vallen en de overgeblevenen zullen naar alle windstreken verspreid worden. Dan zult u weten dat Ík, de HEERE, gesproken heb.

De koning van Juda verbrak het verbond met de koning van Babel en moest daarom gedood worden.

Wanneer een verbondspartner het huwelijk verlaat om een andere reden dan hoererij, dan is hij/zij een echtbreker of echtbreekster.  Je bleef niet bij je belofte om de ander onvoorwaardelijk lief te hebben in voor- en in tegenspoed, in armoede en in rijkdom, dat je trouw zou blijven tot de dood je van elkaar zou scheiden.

In Deuteronomium 24:3 geeft Mozes aan hoe je in echtscheiding de onderlinge relaties en sociale verbanden alsnog enigermate kon normaliseren door aan de vrouw een formele scheidbrief mee te geven.

 

Deut. 24: 3 en die laatste man ook een afkeer van haar krijgt, haar een echtscheidingsbrief schrijft, die in haar hand geeft en haar uit zijn huis wegstuurt, of als die laatste man, die haar voor zichzelf tot vrouw genomen heeft, sterft,

4 dan mag haar eerste man, die haar heeft weggestuurd, haar niet terugnemen om hem tot vrouw te zijn, nu zij onrein geworden is; want dat is voor het aangezicht van de HEERE een gruwel. U mag geen zonde brengen over het land dat de HEERE, uw God, u als erfelijk bezit geeft.

 

Juda en Israël hebben beiden het verbond verlaten:

Jeremia 11: 10 Zij zijn teruggekeerd tot de ongerechtigheden van hun voorvaderen, die geweigerd hebben naar Mijn woorden te luisteren. Wat hen betreft, zij zijn andere goden achternagegaan om die te dienen. Het huis van Israël en het huis van Juda hebben Mijn verbond verbroken, dat Ik met hun vaderen gesloten had.

 

Nu kreeg het huis van Israël een scheidbrief mee.

Jeremia 3: 8 Maar Ik zag, toen Ik vanwege alles waarin het afvallige Israël overspel had gepleegd, haar weggestuurd had en haar een echtscheidingsbrief gegeven had, dat Juda, haar trouweloze zuster, niet bevreesd werd. Zij ging zelf ook hoererij bedrijven.

 

Ze verklaarden zichzelf onschuldig. Overigens had het huis van Juda dit oordeel nog meer verdiend dan het huis van Israël. Vanwege Zijn trouw aan de eed aan het huis van David, spaarde Hij Juda en gaf hen geen scheidbrief mee.

 

Jesaja 50: 1 Zo zegt de HEERE: Waar is de echtscheidingsbrief van uw moeder waarmee Ik haar weggezonden heb? Of wie van Mijn schuldeisers is het aan wie Ik u verkocht heb? Zie, om uw ongerechtigheden bent u verkocht, om uw overtredingen is uw moeder weggezonden.

 

Het oordeel over beide huizen was echter gelijkluidend:

Jeremia 5: 11 Zij hebben immers volkomen trouweloos tegen Mij gehandeld, het huis van Israël en het huis van Juda, spreekt de HEERE. 12 Zij hebben de HEERE verloochend en zeggen: Hij is het niet! Geen onheil zal over ons komen, zwaard of honger zullen wij niet zien!

 

Jeremia 3: 11 Daarom zei de HEERE tegen mij: Het afvallige Israël heeft zichzelf nog rechtvaardig doen lijken, vergeleken bij het trouweloze Juda.

12 Ga deze woorden prediken tegen het noorden, en zeg: Keer terug, afvallig Israël, spreekt de HEERE, Mijn aangezicht is tegenover u niet betrokken, want Ik ben goedertieren, spreekt de HEERE,

Ik handhaaf Mijn toorn niet voor eeuwig.

13 Alleen, erken uw ongerechtigheid, want u bent tegen de HEERE, uw God, in opstand gekomen,

en u hebt zich in alle richtingen verspreid. op zoek naar de vreemden, onder elke bladerrijke boom, maar u hebt niet geluisterd naar Mijn stem, spreekt de HEERE.

Ze bekeerden zich niet en hun harten verhardden zich. 

 

Ezechiël 9: 9 Toen zei Hij tegen mij: De ongerechtigheid van het huis van Israël en van Juda is buitengewoon groot. Het land is vol bloed, en de stad vol buiging van het recht, want zij zeggen: De HEERE heeft het land verlaten, en: De HEERE ziet het niet.

 

Yahweh wacht op de erkenning van Juda en Israël, totdat ze zullen zeggen “ik ben schuldig, ik heb gezondigd”.

Jeremia 2:35 En dan zegt u nog: Voorzeker, ik ben onschuldig, ja, Zijn toorn is van mij afgewend.

Zie, Ik ga met u een rechtszaak voeren, omdat u zegt: Ik heb niet gezondigd.

 

God wacht totdat Zijn volk Hem nederig zal naderen met schuldbelijdenis en dat zal Hij zelf in hen bewerken. Zij zullen zien en erkennen dat Hijzelf voor hen tegen al hun vijanden strijdt.

 

Zacharia 10:  6 Ik zal het huis van Juda versterken, en het huis van Jozef zal Ik verlossen. Ik zal hen terugbrengen, want Ik heb Mij over hen ontfermd. Zij zullen zijn alsof Ik hen niet verstoten had. Ik ben immers de HEERE, hun God: Ik zal hen verhoren!

 

Hoe kan God dat zonder afbreuk te doen aan Zijn eigen Woord, aan Zijn eigen gebod?

 

Bevestiging dat het verbond een huwelijksverbond is:

Ezechiël 16:8 Toen Ik voorbij u kwam, zag Ik u, en zie, uw tijd was de tijd van de liefde. Zo spreidde Ik Mijn vleugel over u uit en bedekte uw naaktheid. Daarop zwoer Ik u een eed en ging een verbond met u aan, spreekt de Heere HEERE, en zo werd u van Mij.

En anderzijds dat zowel Samaria, het huis van Jozef, de tien stemmen, als Jeruzalem, het huis van Juda overspelig andere goden gingen dienen en het verbond hebben verbroken.

Juda maakte het nog bonter dan Samaria:

Ezechiël 16: 52 Draagt u (Juda), die uw zusters veroordeeld hebt, dan ook uw eigen smaad. Door uw zonden, waarin u afschuwelijker deed dan zij, lijken zij rechtvaardig, vergeleken bij u! Schaam u dan ook en draag uw smaad, omdat u uw zusters rechtvaardig hebt doen lijken.

 

Toch doet de HEERE, terwijl het eerste verbond verbroken werd en geen stand kon houden een ongerijmde belofte, o.a. in dit gedeelte:

 

Ezechiël 16: 59 Want zo zegt de Heere HEERE: Ik zal met u doen zoals u gedaan hebt: u hebt de eed veracht door het verbond te verbreken.

60 Toch zal Ík denken aan Mijn verbond met u in de dagen van uw jeugd. Ik zal met u een eeuwig verbond maken.

61 Dan zult u zich uw wegen herinneren en te schande worden, wanneer u uw zusters die ouder zijn dan u en degenen die jonger zijn dan u, hebt aangenomen. Ik zal u hen tot dochters geven, maar niet op grond van het verbond met u.

62 Want Ík zal met u Mijn verbond maken. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben,

63 opdat u eraan denkt, u schaamt en uw mond niet meer opendoet vanwege uw smaad, wanneer Ik voor u verzoening doe over alles wat u gedaan hebt, spreekt de Heere HEERE.

 

Op welke wijze doet Yahweh verzoening over hun trouwbreuk? Het breken van de eed van het verbond. Paulus schrijft daarover het volgende:

 

Romeinen 7: 1 Of, broeders, weet u niet – ik spreek immers tot mensen die de wet kennen – dat de wet over de mens heerst zolang hij leeft?

2 Want de gehuwde vrouw is door de wet gebonden aan de man zolang hij leeft. Als de man echter gestorven is, is zij ontslagen van de wet die haar aan de man bond.

3 Daarom dan, als zij de vrouw van een andere man wordt terwijl haar man leeft, zal zij een overspelige genoemd worden. Als haar man echter gestorven is, is zij vrij van de wet, zodat zij geen overspelige is als zij de vrouw van een andere man wordt.

4 Zo, mijn broeders, bent u ook door het lichaam van Christus gedood met betrekking tot de wet, opdat u aan een Ander zou toebehoren, namelijk aan Hem Die uit de doden opgewekt is, opdat wij vrucht zouden dragen voor God.

 

Door de dood van de Gezalfde Yeshua is het eerste huwelijk wettig ontbonden. Door de opstanding van de Gezalfde is het nieuwe verbond van kracht geworden en verwerft de Messias zich in de nieuwe schepping een wedergeboren bruid. Kajafas profeteert over deze dood en opstanding zonder  zelf goed te beseffen waarover hij spreekt:

 

Johannes 11: 47 De overpriesters dan en de Farizeeën riepen de Raad bijeen en zeiden: Wat doen we? Want deze Mens doet vele tekenen.

48 Als wij Hem zo laten begaan, zullen allen in Hem geloven, en de Romeinen zullen komen en onze plaats en onze natie van ons wegnemen.

49 Maar een van hen, Kajafas, die de hogepriester van dat jaar was, zei tegen hen: U weet niets,

50 en u overweegt niet dat het nuttig voor ons is dat één Mens sterft voor het volk, en niet heel het volk verloren gaat.

51 Dit zei hij echter niet uit zichzelf, maar als hogepriester van dat jaar profeteerde hij dat Jezus sterven zou voor het volk,

52 en niet alleen voor het volk, maar ook om de kinderen van God, overal verspreid, bijeen te brengen.

 

Niet alleen Kajafas de hogepriester, maar ook Nicodemus de leraar der Joden was deze wijsheid verborgen. Paulus schrijft:

 

1 Kor. 2: 6 En wij spreken wijsheid onder de geestelijk volwassenen, maar een wijsheid niet van deze wereld, en ook niet van de leiders van deze wereld, die tenietgedaan worden.

7 Wij spreken echter de wijsheid van God, als een geheimenis; een wijsheid die verborgen was en die God vóór alle eeuwen voorbestemd heeft tot onze heerlijkheid;

8 een wijsheid die niemand van de leiders van deze wereld gekend heeft. Immers, als zij die gekend hadden, zouden zij de Heere der heerlijkheid niet gekruisigd hebben.

 

Hij wil de bedekking weg gaan nemen om het ook aan het huis van Israël en aan het huis van Juda te openbaren. Daar gaat nu de strijd om. Om dat éne land, dat éne volk.
Wanneer zal dat zijn?

Jeremia 30: 10 U dan, wees niet bevreesd, Mijn dienaar Jakob, spreekt de HEERE, wees niet ontsteld, Israël, want zie, Ik ga u verlossen uit verre landen, uw nageslacht uit het land van hun gevangenschap, zodat Jakob terugkeert, rust heeft en zonder zorgen is, en niemand hem schrik aanjaagt. 11 Want Ik ben met u, spreekt de HEERE, om u te verlossen, want Ik maak een vernietigend einde aan alle heidenvolken waarheen Ik u verspreid heb, maar aan u zal Ik geen vernietigend einde maken.

Ik zal u bestraffen met mate, maar u beslist niet voor onschuldig houden.

Deze woorden herhaalt Jeremia:

Jeremia 46:27 U dan, wees niet bevreesd, Mijn dienaar Jakob, wees niet ontsteld, Israël!

Want zie, Ik ga u verlossen uit verre landen, uw nageslacht uit het land van hun gevangenschap.

Jakob zal terugkeren, rust hebben en zonder zorgen zijn, en niemand zal hem schrik aanjagen.

 

Jeremia ziet in de toekomst gebeuren dat  Elam, het land der Chaldeeën, het huidige Iran en de Babyloniërs  Irak, door strijdmachten uit het noorden, Rusland, onder de voet gelopen zal worden.

Beide landen delen in het noorden hun grenzen met de Sovjet Unie. We lezen over de houding van die landen in:

 

Jeremia 50:7 Allen die hen vonden, verslonden hen, en hun tegenstanders zeiden: Wij laden geen schuld op ons, omdat zij gezondigd hebben tegen de HEERE, de woonplaats van de gerechtigheid, ja, de hoop van hun vaderen, de HEERE.

 

Jeremia 50:8 Vlucht weg uit het midden van Babel,(Irak)

                uit het land van de Chaldeeën. (Iran)

Ga weg, wees als bokken

                voor de kudde uit!

  1. Want zie, Ik doe opstaan en tegen Babel optrekken

                een menigte van grote volken

uit het land in het noorden (Sovjet Unie). Zij zullen zich ertegen gereedmaken.

                Vandaaruit zal het ingenomen worden.

Hun pijlen zijn als van een bedreven held,

                zonder uitwerking keert er geen terug.

  1.     Chaldea (Iran)zal tot buit worden.

                Allen die het beroven, zullen verzadigd worden, spreekt de HEERE.

 

Hij herhaalt dat met andere woorden:

 

 

Jeremia 51:1 Zo zegt de HEERE:

Zie, Ik ga een stormwind opwekken die te gronde richt,

                tegen Babel (Irak)en tegen de inwoners van Leb-Kamai. (Iran)

  1. Ik zal op Babel wanners afsturen, zodat zij het zullen wannen

                en zijn land leeghalen,

want zij zullen er van alle kanten vijandig tegenover staan

                op de dag van het onheil.

  1. Laat de boogschutter zijn boog spannen tegen wie de boog spant,

                en tegen wie zich in zijn pantser verheft.

               Spaar zijn jongemannen niet,

                sla heel zijn leger met de ban.

  1. De gesneuvelden liggen in het land van de Chaldeeën (Iran),

                wie doorstoken zijn in zijn straten.

  1. Want Israël noch Juda wordt als weduwe achtergelaten

                door zijn God, door de HEERE van de legermachten,

              al is hun land vol van schuld

                tegenover de Heilige van Israël.

 

Jesaja 54 

4 Vrees niet, want gij zult niet beschaamd staan; word niet schaamrood, want gij zult niet te schande worden; ja, gij zult de schande van uw jeugd vergeten en aan de smaad van uw weduwschap niet meer denken. 5 Want uw man is uw Maker, Here der heerscharen is zijn naam; en uw losser is de Heilige Israëls, God der ganse aarde zal Hij genoemd worden. 6 Want als een verlaten en diep bedroefde vrouw heeft u de Here geroepen, als een vrouw uit de jeugdtijd, nadat zij versmaad werd – zegt uw God. 7 Een kort ogenblik heb Ik u verlaten, maar met groot erbarmen zal Ik u tot Mij nemen; 8 in een uitstorting van toorn heb Ik mijn aangezicht een ogenblik voor u verborgen, maar met eeuwige goedertierenheid ontferm Ik Mij over u, zegt uw Losser, de Here.

  

Als hier in deze conclusie over weduwschap gesproken wordt, zoals in de haftara (Jesaja 54), dan is de echtgenoot van Israël en Juda blijkbaar de dood ingegaan. Als YAHWEH zich een Losser en Maker betoonde, die in de strijd voor hen in de bres is gaan staan en zich staande heeft gehouden tegen al deze vijanden, dan raakt dat hun harten diep.

Jeremia 50: 4 In die dagen en in die tijd, spreekt de HEERE, zullen de Israëlieten komen, zij en de Judeeërs tezamen – al wenend zullen zij hun weg gaan – en zij zullen de HEERE, hun God, zoeken.

5 Zij zullen vragen naar Sion, hun gezicht gericht op de weg daarheen. Zij zullen komen en bij de HEERE gevoegd worden met een eeuwig verbond, het zal niet vergeten worden.

Dit  vers is een nadere bestudering meer dan waard!

 

Het huis van Israël en het huis van Juda zullen na die strijd samen Gods aangezicht zoeken en zich verootmoedigen. Halleluja! Samen zullen zij de gemeenschap zoeken in een eeuwig verbond dat niet vergeten zal worden. Dat eeuwig verbond is het nieuwe verbond met het huis van Israël en het huis van Juda, waarover Jeremia in hoofdstuk 31 spreekt:

 

Jeremia 31:31 Zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal sluiten,

32 niet zoals het verbond dat Ik met hun vaderen gesloten heb op de dag dat Ik hun hand vastgreep om hen uit het land Egypte te leiden – Mijn verbond, dat zij verbroken hebben, hoewel Ík hen getrouwd had, spreekt de HEERE.

33 Voorzeker, dit is het verbond dat Ik na die dagen met het huis van Israël sluiten zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven en zal die in hun hart schrijven. Ik zal hun tot een God zijn en zíj zullen Mij tot een volk zijn.

Hebr. 8:8 Want hen berispend zegt Hij tegen hen: Zie, de dagen komen, spreekt de Heere, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal sluiten,

9 niet overeenkomstig het verbond dat Ik met hun vaderen gesloten heb, op de dag toen Ik hen bij de hand nam om hen uit het land Egypte uit te leiden. Want zij bleven niet in Mijn verbond en Ik heb geen acht meer op hen geslagen, zegt de Heere.

10 Want dit is het verbond dat Ik met het huis van Israël sluiten zal na die dagen, zegt de Heere: Ik zal Mijn wetten in hun verstand geven en Ik zal die in hun hart schrijven. Zach. 8:8Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.

11 En zij zullen beslist niet ieder zijn naaste en ieder zijn broeder onderwijzen en zeggen: Ken de Heere. Want zij allen zullen Mij kennen, van klein tot groot onder hen.

12 Want Ik zal wat hun ongerechtigheden betreft genadig zijn en aan hun zonden en hun wetteloos gedrag beslist niet meer denken.

 

Hebreeën 10: 15 En de Heilige Geest getuigt het ons ook.

16 Want na eerst gezegd te hebben: Dit is het verbond, dat Ik met hen na die dagen zal sluiten, zegt de Heere: Ik zal Mijn wetten in hun hart geven en Ik zal die in hun verstand schrijven,

17 en aan hun zonden en hun wetteloze daden zal Ik beslist niet meer denken.

 

In het volgende vers worden de gelovigen in de Messias uit de volkeren ingesloten. Die worden daar dechaverim – gabbers” genoemd. Zij komen bij het huis van Israël en het huis van Juda. Zij allen hebben deel aan dat tweede, nieuwe, eeuwige verbond met de Heilige Israëls.

Ezechiël 37: 16 En u, mensenkind, neem een stuk hout voor uzelf en schrijf daarop: Voor Juda, en voor de Israëlieten, zijn metgezellen (uit de volken: chaverim – gabbers). Neem dan een ander stuk hout en schrijf daarop: Voor Jozef, het stuk hout van Efraïm, en van heel het huis van Israël, zijn metgezellen. 17 Breng ze dan bij elkaar, het ene bij het andere, tot één stuk hout, zodat ze in uw hand één worden.

 

Uit de bovengenoemde strijd met de volkeren waarover ook Ezechiël 37 spreekt lezen we dan in het laatste vers 29

Ezechiël 39: 29 Ik zal Mijn aangezicht niet meer voor hen verbergen, wanneer Ik Mijn Geest over het huis van Israël heb uitgestort, spreekt de Heere HEERE.

 

Dan is het de tijd van de tweede regenperiode waarover de volgende verzen spreken:

 

Joël 2:23 En u, kinderen van Sion, verheug u en wees blij in de HEERE, uw God, want Hij zal u geven

de Leraar tot gerechtigheid. Die zal regen op u doen neerdalen, vroege regen en late regen in de eerste maand.

 

Hosea 6: 3 Dan zullen wij kennen, wij zullen ernaar jagen de HEERE te kennen! Zijn verschijning staat vast als de dageraad. Ja, Hij komt naar ons toe als de regen, als late regen, die het land natmaakt. 4 Wat zal Ik u doen, Efraïm? Wat zal Ik u doen, Juda? Uw goedertierenheid is als een morgenwolk, als dauw die vroeg optrekt en weggaat.