English, click here!

Psalm 55 wij, die vertrouwelijk met elkaar omgingen

Een onderwijzing van David

 

Dit gebed van David verwoordt de diepte van zijn nood die hij voor Gods aangezicht uitspreekt. Hij zwerft en wordt opgejaagd door de vijand. Zijn benauwdheid wordt veroorzaakt door “het schreeuwen van de vijand en door “de goddeloze die angst aanjaagt” (vers 4). We horen hier een mens in nood, belaagd door “de goddeloze”. Hiermee wordt profetisch de meedogenloze grimmigheid van de antichrist uitgebeeld.

De aanleiding van die benauwdheid doet zich voor in het leven van David, die, zoals gezegd, een profetische toepassing heeft. Als we op deze site de chiastische structuur aanklikken (te groot is om hier te plaatsen) dan zien we dat het centrale gedeelte van de psalm gaat over deze beide teksten:

Psalm 55:13 Immers, het is geen vijand die mij hoont, anders zou ik het verdragen hebben; het is niet mijn hater die zich tegen mij verheft, anders zou ik mij voor hem verborgen hebben. 14. Maar u bent het, o sterveling, als mijn gelijke, mijn leidsman en mijn bekende. 15. Wij die zeer aangenaam en vertrouwelijk met elkaar omgingen, wij wandelden in gezelschap van velen naar Gods huis!

David heeft dit verraad ervaren met Achitófel zijn topadviseur, “wiens antwoorden waren als een woord van God”(2 Samuël 16:23). Uiteindelijk koos Achitofel echter de zijde van Absalom in de strijd tegen David (2 Samuël 16:15). Dat was een bijzonder pijnlijke ervaring voor David, die mogelijk nog verband hield met zijn zonde met Batsheba, omdat Eliam, de vader van Batsheba (2 Samuel 11:3) de zoon was van Achitofel (2 Samuel 23:34).

David had vanwege het hem  benauwende verraad wel als een duif willen wegvliegen en ver weg in de woestijn een schuilplaats willen zoeken. Is dit een profetie van “de vrouw Israël die naar de woestijn vluchtte”?

Openbaring 12:14 En aan de vrouw werden twee vleugels van een grote arend gegeven, opdat zij naar de woestijn zou vliegen, naar haar plaats, waar zij gevoed wordt, een tijd en tijden en een halve tijd, buiten het gezicht van de slang.

Deze profetie van verraad werd in het bijzonder werkelijkheid toen Judas zijn Meester verraadde. Yeshua stelde zijn discipelen ervan in kennis voordat het verraad plaats vond:

Johannes 6:70 Jezus antwoordde hun: Heb Ik u, de twaalf, niet uitgekozen? En een van u is een duivel.

Johannes 13:18 Ik zeg dit niet van u allen; Ik weet wie Ik uitverkoren heb. Maar de Schrift moet vervuld worden: Wie Mijn brood eet, heeft zich tegen Mij gekeerd.

De tekst die Yeshua daarbij aanhaalde was ook uit de psalmen van David:

Psalm 41:10 Zelfs de man met wie ik in vrede leefde, op wie ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft zich tegen mij gekeerd.

Deze teksten zijn ook in het leven van menig gelovige werkelijkheid geworden. Deze satanische pijniging zal echter op een tragische wijze tot een climax komen als de antichrist als een namaak-messias op het toneel verschijnt. Het overblijfsel dat uit Jeruzalem verdreven is weet dat de stad is geworden: “als Sodom en Egypte”. (Openbaring 11:8). Het zijn degenen die zuchten en kermen over al de gruweldaden die in het midden van Jeruzalem gedaan worden. (Ezechiël 9:4)

Psalm 55:12-14 Enkel verderf is binnen in haar; list en bedrog wijken niet van haar plein. Immers, het is geen vijand die mij hoont, anders zou ik het verdragen hebben; het is niet mijn hater die zich tegen mij verheft, anders zou ik mij voor hem verborgen hebben. Maar u bent het, o sterveling, als mijn gelijke, (d.w.z. een Jood) mijn leidsman en mijn bekende.

Verraad in Israël.

De voortekenen van het verraad dat zal plaatsvinden zijn er al. Maar dat zal kinderspel zijn bij wat er nog zal komen.

In de wereldpolitiek, de nationale politiek en in het bijzonder de politiek van Israël vindt al op grote schaal verraad plaats.

De ware gelovigen in welk deel van de wereld ook zullen daarin delen.  Enkele voorbeelden die ik over Israël las:

Vele Israëlieten voelden zich door premier en vrijmetselaar Netanyahu “verraden”, nu hij zijn verkiezingsbelofte om Palestijnse gebieden te annexeren in ieder geval voorlopig niet nakomt. Hij had tijdens de afgelopen drie verkiezingscampagnes  herhaaldelijk beloofd dit te zullen doen. Hij steunt de  “de heropleving van het twee-staten-plan”, waarin hij meegaat in de plannen van de heidenen om het land te verdelen. (bron) “Mijn land hebben zij verdeeld” zegt Gods Woord in Joël 3:3 en daar rust Gods oordeel op.

Israëlische betogers beschuldigen de regering van premier Netanyahu terecht van ‘dictatuur’ en ‘medische onderdrukking’. Hun spandoek slogan was ‘apartheid’. Een ander banier koppelt ‘het groene paspoort’ aan het naziverleden, met op armen getatoeëerde nummers van slachtoffers van de Duitse concentratiekampen. Honderden mensen protesteren in de straten van Tel Aviv tegen gedwongen vaccinatie tegen Covid-19 en de invoering van de ‘green badge’ met een QR-code. Ze voelden zich verraden door hun eigen premier. (bron)


Het zal niet lang meer duren dat de Joden de geprofeteerde benauwdheid en het verraad in volle omvang zullen ervaren van een man op wie ze hun vertrouwen hadden gesteld. Ook dat wordt al door David profetisch verwoord:

Psalm 55:20-22 God zal horen en hen vernederen – Hij, Die van oudsher troont – omdat bij hen geen enkele verandering is en zij God niet vrezen. Hij slaat zijn handen aan wie vrede met hem had, hij ontheiligt zijn verbond. Zijn mond is gladder dan boter, maar zijn hart wil strijd; zijn woorden zijn zachter dan olie, maar het zijn getrokken zwaarden.

Dat het verbond ontheiligd wordt slaat op het zevenjarig verbond, het verbond met “de dood”. Ze zijn onbewust, d.w.z. met schuldige onwetendheid, een verbond met “de dood” aangegaan. Maar na 3½ jaar zijn die beloften die zachter als olie (of boter) klonken, veranderd in getrokken zwaarden. Met het boterzachte wat hij uitspreekt met zijn mond verbergt hij de moordplannen van zijn hart (Jeremia 9:8), het zijn de “vleierijen” van de verachtelijke man over wie de profeet spreekt. Daniël 11: 21,32 en 34. De Bijbel noemt deze tijd “de benauwdheid van Jacob”.

Jeremia 30:7 Wee! Want die dag is groot, er is er geen als hij. Het is een tijd van benauwdheid voor Jakob, toch zal hij daaruit verlost worden.

En ook de gelovigen uit de heidenen, die zich geestelijk bij Israëls overblijfsel hebben aangesloten, zullen delen in die benauwdheid. Maar wat hoopvol klinken dan de woorden daaraan verbonden: “toch zal hij daaruit verlost worden”. Aan die belofte zal de gelovige zich vast houden in de hitte van de strijd.

David eindigt met woorden van geloof in God die recht zal doen en die niet zal toelaten dat de rechtvaarsdige wankelt, maar die ook doet neerdalen in de punt van het verderf, degenen die heulen met de verrader:

 

Psalm 55:23, 24

Werp uw zorg op de HEERE,

en Híj zal u onderhouden;

Hij zal voor eeuwig niet toelaten

dat de rechtvaardige wankelt.

 

Maar U, o God, U zult de mannen van bloed en bedrog

doen neerdalen in de put van het verderf;

zij zullen nog niet de helft van hun dagen bereiken.

Ik echter vertrouw op U.