English: click here!

Israël en de Antichrist

Een artikel geschreven door Arthur W. Pink een Brits evangelist en bijbelleraar.  Toen hij 59 jaar oud was maakte hij de wedergeboorte van Israël mee. Hij had in zijn tijd al een  Bijbelse blik op de rol van Israël in de eindtijd. Op zichzelf genomen is dat een positief punt.  Het artikel is  hier en daar aangepast, maar ook van kritisch commentaar voorzien.  
Arthur Pink was aanvankelijk een aanhanger van de theosofische beweging. Vervolgens werd hij baptist en  combineerde hij een calvinistische genadeleer met de bedelingenleer.  Later zou Pink van die bedelingenleer zijn afgestapt. In dit artikel  vind je deze denkwijze wel terug.  

Kenmerkend voor de  bedelingenleer is dat er voor Israël en de christelijke gemeente twee aparte goddelijke plannen zijn: een aards volk en een hemels volk. Pink schrijft, vooral in de originele versie van dit artikel, soms erg negatief over "de Joden", alsof ze als volk slechter zijn dan de rest van de wereld. Met uitzondering dan van "het gelovig overblijfsel".  De kruisiging van Yeshua/Jezus komt geheel voor verantwoordelijkheid van de Joden en wordt als "moord" bestempeld.  Natuurlijk is Israël door zijn roeping extra verantwoordelijk, maar toch heeft God Jood en heiden beiden onder de ongerechtigheid besloten en past het ons niet ons te verheffen boven de Joden. Romeinen 11. Door het geloof worden we juist toegevoegd aan Israël.  (Zo zal "gans" Israël worden behouden)

Voor Jood en heiden is de enige redding gelegen in het aanvaarden van het offer van Yeshua/Jezus. In Hem is de scheidsmuur weggenomen.  Daarover lees je niets. 

Efeze 2:14 Want Hij is onze vrede, Die beiden (Jood en heiden) één gemaakt heeft. En door de tussenmuur, die scheiding maakte, af te breken.

Een zienswijze als deze is het tegenovergestelde van het verheerlijken van het volk Israël, terwijl we alleen de God van Israël, die in Yeshua naar ons toe is gekomen, moeten verheerlijken.  We zien steeds weer dat messiaanse gelovigen citaten van rabbi's gebruiken die, nadat Yeshua op aarde was,  bekendheid hebben gekregen. Maar ze erkennen Yeshua niet. Dat zijn dwaalleraren. Onze bron is alleen het onfeilbare Woord van God, dat de Geest in ons hart bevestigt. 

Pink laat ons wel duidelijk zien dat de antichrist er met medewerking van de Joden komt, misschien wel uit de Joden. Als na-aper van Yeshua is het hem er alles aan gelegen om via Israël naar de macht te grijpen. Ook hij zal zich voordoen als iemand die Jood en heiden één zal maken, maar niet tot heil van hen. Deze "mensenmoorder van de beginne" wil daarmee alleen zijn eigen doel bereiken om aanbeden te worden. Dat met het "klei" (ook "leem" genoemd) in het beeld van Nebukadnezar Israël  wordt bedoeld is mogelijk. Echter. voor de genoemde "verbrande klei" bestaat geen Bijbelse aanwijzing. 

 Maar nu het bewuste artikel, afgewisseld met hier en daar cursief geschreven commentaar.      


Pink stelde met vreugde en dankbaarheid vast dat de laatste drie of vier generaties in zijn tijd veel aandacht hadden besteed aan de profetieën van de Schrift die handelen over de toekomst van Israël.

De oude zienswijze om de profetieën te 'vergeestelijken' en ze toe te passen op de kerk van de huidige bedeling, is door de grote meerderheid van de pre-millennaren (degenen die het duizendjarig rijk verwachten) verworpen.  Met een langzaam groeiend aantal Bijbelstudenten is het nu een vaststaand feit dat Israël, als een natie, gered zal worden (Rom. 11:26), en dat de beloften van God aan de vaderen letterlijk vervuld zullen worden onder de Messiaanse regering van de Here Jezus (Rom. 9:4 - 1 Kor. 15:25). Jeruzalem, dat al zoveel eeuwen een verworpen stad op aarde is, zal dan bekend staan ​​als "de stad van de grote Koning" (Matt. 5:35). Zijn troon zal daar worden gevestigd, en het zal de ontmoetingsplaats zijn voor alle naties (Zach. 8:23; 14:16-21). 

Dan zullen de verachte nakomelingen van Jakob "het hoofd" van de volken zijn, en niet langer de staart

Deuteronomium 28:13 De HEERE zal u tot een hoofd maken en niet tot een staart, en u zult uitsluitend omhoog gaan en niet omlaag, als u gehoorzaam bent aan de geboden van de HEERE, uw God, waarvan ik u heden gebied dat u ze in acht neemt en houdt.

Dan zal de vijgenboom, die zo lang onvruchtbaar was, "bloeien en uitbotten, en het aangezicht van de wereld vullen met fruit"

Jesaja 27:6 In de dagen die komen, zal Jakob wortel schieten, Israël zal bloeien en groeien en zij zullen het wereldoppervlak met vruchten vervullen.

Dit alles is algemeen bekend onder degenen die op onafhankelijke manier de Bijbel hebben bestudeerd.
Deuteronomium 28:13 De HEERE zal u tot een hoofd maken en niet tot een staart, en u zult uitsluitend omhoog gaan en niet omlaag, als u gehoorzaam bent aan de geboden van de HEERE, uw God, waarvan ik u heden gebied dat u ze in acht neemt en houdt.

Maar hetzelfde Woord van Profetie dat die gezegende toekomst voor de kinderen van Israël aankondigt, bevat ook een ander hoofdstuk in de geschiedenis van dit bijzondere volk. Dit hoofdstuk vermeldt een periode in hun geschiedenis die nog niet  is  vervuld. Een periode die wordt beschreven als donkerder en droeviger dan al hun ervaringen uit het verleden. Zowel het Oude als het Nieuwe Testament spreken duidelijk over een periode van lijden voor de Joden die veel zwaarder zal zijn dan wat ze ooit hebben meegemaakt. 

Daniël 12:1 zegt: "Het zal een benauwde tijd zijn, zoals er niet geweest is sinds er een volk is geweest tot op die tijd."

En in Mattheüs 24:21,22 lezen we: "Want dan zal er een grote verdrukking zijn, zoals er niet geweest is vanaf het begin van de wereld, tot nu toe, en zoals er ook nooit meer zijn zal. En als die dagen niet ingekort werden, zou er geen vlees behouden worden; maar ter wille van de uitverkorenen zullen die dagen ingekort worden.".

De redenen of oorzaken van dit toekomstige lijden van Israël zijn als volgt. 

Ten eerste heeft God de zonden van hun vaderen niet volledig aan de kinderen van Israël bezocht. "Toen Salomo en andere koningen door de zonden hun zegeningen hadden verloren, en de heerlijkheid van de regering van Salomo was vervaagd, werd de oppermacht, die van hen was afgenomen, gegeven aan bepaalde heidense volken. 

Deze rijken zouden achtereenvolgens opstaan ​​en, gedurende de hele periode dat God Zijn aangezicht van Israël afwendde, heersen op  aarde. Het eerste rijk was het Chaldese rijk (Babel) onder Nebukadnezar. De periode die de "Tijden der heidenen" wordt genoemd, begint met de verovering van Jeruzalem door Nebukadnezar. Het is een periode die van het begin tot het einde samenvalt, met het vertreden van Jeruzalem, dat "door heidenen vertrapt wordt, totdat de tijden der heidenen zullen vervuld zijn". (Lucas 21:20-24)'. 

Daarom hebben Nebukadnezar en de heidense rijken die hem zijn opgevolgd, alleen hun voorrang gekregen als gevolg van de zonde van Jeruzalem. De reden waarom zij van God  die voorrangspositie kregen, was, dat zij Jeruzalem tot zekere hoogte zouden straffen. (God bedoelde niet dat zij de Israëlieten mochten vernietigen en het land innemen)

Zacharia 1:15b Ík was een weinig toornig, maar zíj hebben geholpen het erger te maken. 

Hierin hebben we een ander bewijs dat de aardse bedelingen van God draaien rond het verbond met Israël als centrum.  . Wanneer de heidenen dat doel hebben bereikt, zullen zij zelf aan de kant worden gezet en vanwege hun eigen kwaad en worden gemaakt "als het kaf op een zomerdorsvloer". 


De volken zullen tot kaf worden gemaakt, tenzij.....zij Gods Zoon aannemen:
Psalm 2:10-12 Nu dan, koningen, handel verstandig. Laat u onderwijzen, rechters van de aarde.  Dien de HEERE met vreze,
verheug u met huiver. Kus de Zoon, opdat Hij niet toornig wordt en u onderweg omkomt, wanneer Zijn toorn slechts even ontbrandt.  Welzalig allen die tot Hem de toevlucht nemen!


Een andere reden of oorzaak van het toekomstige lijden van Israël ligt in de afwijzing van hun Messias. Eerst en vooral was Christus "een Dienaar van de Besnijdenis, voor de waarheid van God, om de beloften aan de vaderen te bevestigen" (Rom. 15:8).

Hij werd gezonden "maar tot de verloren schapen van het huis van Israël" (Matt. 15:24) en in wonderbare genade tabernakelde Hij onder hen. Maar Hij was niet gewenst. "Hij kwam tot de Zijnen, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen" (Johannes 1:11). Niet alleen ontvingen ze Hem niet, ze "verachtten en verwierpen Hem"; zij "haatten Hem zonder reden". Hun vijandschap tegen Hem was zo intens dat ze met één stem riepen: "Weg met Hem, kruisig Hem". En pas nadat Zijn heilig bloed was vergoten, en Hij de dood van de vervloekten gestorven was, was hun vreselijke boosaardigheid tegen Hem gestild. En daarvoor moeten ze zich nog aan God verantwoorden. 

Hebreeën 10:30 Wij kennen immers Hem Die gezegd heeft: Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden, spreekt de Heere. En verder: De Heere zal Zijn volk oordelen.

De moord op Gods Zoon is nog niet volledig gewroken.


Hierbij moet aangetekend worden dat als Yeshua onder onze religieuze instituten had  "getabernakeld" Hij net zo goed was vermoord. Dit artikel geeft even verderop aan dat degenen die de leiding hadden voor deze kruisdood het zwaarst gestraft worden. Maar Jezus kwam in principe alleen voor Israël en dus is het logisch dat zij de leiding hadden van een proces dat representatief was voor de verdorven geest van het mensdom op aarde. Het is de uitwerking van Genesis 3:15 de strijd tussen de vrouw en de slang.

Genesis 3:15 En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar Zaad; dit zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen.

Romeinen 11:32 Want God heeft hen allen (Joden en heidenen) in hun ongehoorzaamheid opgesloten om Zich over allen te ontfermen.


Gods wraak kon niet uitgevoerd worden tijdens deze "genadetijd" die zal worden gevolgd door "de grote Dag van Zijn Toorn" (Openb. 6:17; Joël 2:11). Dan zal God de aarde bezoeken met Zijn pijnlijke oordelen, en hoewel de naties geenszins zullen ontsnappen aan de rechtvaardige vergelding die ze verschuldigd zijn voor hun aandeel in de kruisiging van Christus, toch zullen degenen die het zwaarst gestraft zullen worden degenen zijn die de leiding hadden in de "grootste misdaad van alle misdaden". 


Als we het over de "leiding" hebben dan gaat het hier vooral om de religieuze leiding van Israël: de Farizeeën. Die worden ook door Yeshua "adderengebroed" genoemd en zij zullen niet aan de hel ontkomen.

Mattheüs 23:33 Slangen, adderengebroed, hoe zou u aan de veroordeling tot de hel ontkomen?

Bij de terechtstelling - hier "moord" genoemd - waren ook leidinggevenden uit de heidenen betrokken. De rechter Pilatus, die de Romeinse overheid vertegenwoordigde en het oordeel ook daadwerkelijk uitvoerde. Verder Herodes de Edomiet. Ik proef hier een valse tegenstelling die wordt gemaakt tussen de Israëlieten en de heidenen. Uit beiden die in hun ongerechtigheid waren gevangen komt door Gods ontferming het gelovig overblijfsel naar voren en deze zullen tezamen "gans Israël" vormen.


De vorm die Gods oordeel over de Joden zal aannemen, moet volledig in overeenstemming zijn met de onveranderlijke wet van vergelding - wat zij hebben gezaaid, zullen zij ook oogsten. 


Het artikel gebruikt de uitdrukking "Gods oordeel over de Joden". De Bijbel gebruikt de uitdrukking: "Jacobs benauwdheid" met de toevoeging: "daaruit zullen ze gered worden".

Jeremia 30:7 Wee! Want die dag is groot, er is er geen als hij. Het is een tijd van benauwdheid voor Jakob, toch zal hij daaruit verlost worden.

Het oordeel komt niet uitsluitend over de Joden, maar over allen die Yeshua/Jezus verwerpen, maar het begint bij het Huis van God (Israël). 


Dit werd uitdrukkelijk bevestigd door onze Heer Jezus: "Ik ben gekomen in de naam van mijn Vader, en u neemt Mij niet aan; als een ander in zijn eigen naam komt, zult u hem aannemen" (Johannes 5:43). 

Omdat zij Gods Christus verwierpen, zal Israël de Antichrist ontvangen. Hetzelfde staat in 2 Thessalonicenzen 2:11 - "En daarom (d.w.z. omdat zij de liefde voor de Waarheid niet hebben ontvangen, opdat zij behouden zouden worden)  zal God hun een krachtige dwaling zenden, zodat zij de leugen geloven". De directe verwijzing hier is, denken wij, naar de Joden, hoewel het opgesomde principe ook zijn bredere toepassing zal hebben op de afvallige christenheid. De voornaamste reden waarom God toestaat dat de Mens der Zonde op het toneel verschijnt en zijn verschrikkelijke weg volgt, is om straf op te leggen aan het schuldige Israël. Dit wordt duidelijk onderwezen in Jes. 10:5 en 6, waar God van de Antichrist zegt: "Jesaja 10:5,6 Wee Assyrië, de roede (het instrument van tuchtiging) van Mijn toorn; en Mijn gramschap is een stok in hun hand. Op een huichelachtig volk zal Ik hem afsturen; tegen het volk waarop Ik verbolgen ben, zal Ik hem bevel geven om roof te plegen, om buit te roven, en om het te vertrappen als slijk op straat.

 

Zie onze korte opmerkingen over Jeremia 6:26,27 en 15:8 in hoofdstuk 9 en de staf in hun hand is Mijn verontwaardiging.

 

Men moet in gedachten houden dat de Joden naar Palestina (Gods land Israël) zullen terugkeren en daar opnieuw een nationale status zullen innemen, terwijl ze nog niet bekeerd zijn. Er zijn een aantal passages die dit onomstotelijk bevestigen. Bijvoorbeeld in Ezech. 22:19-22 wordt ons verteld:

"Ezechiël 22:19-22 Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Omdat u allen schuim bent geworden, zie, daarom breng Ik u bijeen in het midden van Jeruzalem. Zoals zilver, koper, ijzer, lood en tin in het midden van een oven bijeengebracht worden en er een vuur over wordt aangeblazen om het te laten smelten, zo zal Ik u bijeenbrengen in Mijn toorn en in Mijn grimmigheid. Dan zal Ik u daarin zetten en laten smelten. Ik zal u verzamelen en Ik zal op u blazen in het vuur van Mijn verbolgenheid, zodat u in het midden ervan gesmolten wordt. Zoals het smelten van zilver midden in een oven, zo zult u in het midden ervan gesmolten worden. Dan zult u weten dat Ik, de HEERE, Mijn grimmigheid over u uitgestort heb.". 

De eerste zes verzen van Jesaja 18 beschrijven hoe de Heer de Joden naar Jeruzalem zal verzamelen, om daar de prooi te zijn van "roofvogels".
Wanneer de Antichrist zich manifesteert, zullen grote groepen Joden al in Palestina (Gods land Israël) zijn en in een bloeiende toestand. Wat zullen dan zijn betrekkingen met hen zijn? Het is geenszins gemakkelijk om een ​​gedetailleerd antwoord op deze vraag te geven, en in het beste geval kunnen we slechts aarzelend antwoorden. Ongetwijfeld zijn er veel bijzonderheden met betrekking tot dit en alle andere verwante onderwerpen, die niet zullen worden opgehelderd totdat de profetieën over hen zijn vervuld. Wij, nemen vandaag ongeveer dezelfde positie in met betrekking tot de voorspellingen over de Antichrist, zoals de oudtestamentische heiligen deden met de vele passages die de komst van de Christus voorspelden. Hun moeilijkheid was om die passages te ordenen in de volgorde waarin ze moesten worden vervuld, en om onderscheid te maken tussen die passages die in vernedering over Hem spraken en die die Zijn komende heerlijkheid voorspelden. 

Een soortgelijke verbijstering staat ons te wachten. Het is een echt probleem om de volgorde van de profetieën die betrekking hebben op de Antichrist vast te stellen. Zelfs als we ons beperken tot die passages die over hem spreken in zijn connecties met Israël, moeten we onderscheid maken tussen tekstgedeelten die alleen betrekking hebben op het godvruchtige overblijfsel, en de passages die betrekking hebben op de grote afvallige massa van de natie. Ook moeten we onderscheid maken tussen die profetieën die betrekking hebben op de tijd dat de Antichrist zich voordoet als de ware Christus, en de informatie waarin hij wordt afgebeeld in de laatste fase van zijn carrière, nadat hij zijn masker van religieuze pretentie heeft afgeworpen. 

Het lijkt erop dat het eerste dat in de profetie wordt geopenbaard over de omgang van de Antichrist met Israël, het aangaan van een "verbond" met hen is. Dit wordt vermeld in Dan. 9:27:

Daniël 9:27a Hij zal voor velen het verbond versterken, één week lang. Halverwege de week zal Hij slachtoffer en graanoffer doen ophouden. 

"Eén week lang" dat wil zeggen: zeven jaar. De "velen" waarvan hier sprake is, kunnen niemand minder zijn dan de massa van het Joodse volk, want zij vormen het belangrijkste onderwerp van de profetie. Degene die dit verbond sluit is de "vorst die met zijn volk zal komen" van het vorige vers, het Hoofd van het herstelde Romeinse Rijk (waar staat dat dit het hoofd van het herstelde Romeinse Rijk is?). Dus de betrekkingen tussen deze vorst, de antichrist en de massa van de joden zullen in de eerste plaats betrekkingen zijn van schijnbare vriendschap en van een openbare alliantie. Dat dit verbond niet aan Israël wordt opgedrongen, maar eerder vrijwillig door hen wordt aangegaan (het is een bestaand verbond dat versterkt wordt Daniël 9:27a), als zoekende naar de gunsten van de Antichrist. Dit blijkt uit Jes. 28:18,

Jesaja 28:18 Dan zal uw verbond met de dood tenietgedaan worden, uw verdrag met het rijk van de dood zal geen stand houden. Trekt de alles wegspoelende gesel voorbij, dan zult u door hem afgeranseld worden.

Hier spreekt God hen als volgt in verontwaardiging aan: "En uw verbond met de dood zal worden ontbonden, en uw overeenkomst met de hel zal niet standhouden; wanneer de overstromende plaag zal passeren, dan zult u erdoor vertreden worden". (Vertaling vanuit het oorspronkelijke artikel)    

En dit is, zoals wij geloven, de sleutel om Dan. 2:43.te begrijpen.

Daniël 2:43 Dat u gezien hebt ijzer vermengd met modderig leem – ze zullen zich door menselijk zaad vermengen, maar ze zullen zich niet aan elkaar hechten, zoals ijzer zich niet vermengt met leem.

 

Nebukadnezars visioen van het grote beeld en de interpretatie die aan Daniël werd gegeven, schetst de regeringsgeschiedenis van de aarde in relatie tot Palestina (Gods volk Israël) . Verdere details zijn te vinden in de andere visioenen die in het boek Daniël worden gevonden."De aardse bedelingen van God draaien (Het plan van God draait) om Jeruzalem als het centrum. 

Het plan van God om de profetische geschiedenis van deze naties te sturen, is in strikte overeenstemming met dit principe. Zodra men de oppermacht kreeg en Jeruzalem verdrongen werd, kregen profeten (vooral Daniël) de opdracht,  om hun koers uit te stippelen. We hadden misschien kunnen verwachten dat hun geschiedenis van het begin tot het einde minutieus en opeenvolgend zou zijn duidelijk gemaakt. Maar in plaats daarvan wordt de profetie alleen in verband met Jeruzalem gegeven; en zodra Jeruzalem uiteindelijk door de Romeinen werd vernietigd en ophield een nationale positie te behouden, wordt alle gedetailleerde geschiedenis van de heidense rijken opgeschort. Sindsdien zijn er veel belangrijke personages opgestaan die betekenis hadden in de wereldgeschiedenis. Karel de Grote heeft geleefd, en Napoleon - menig monarch en menig veroveraar - er zijn veldslagen gestreden, koninkrijken opgericht en koninkrijken ondermijnd - toch zwijgtde Schrift  over deze dingen, hoe veelbetekenend ook in de annalen van de heidenen. Dit omdat Jeruzalem op nationaal vlak niet meer bestaat, 1800 jaar geleden, werden de details van de heidense geschiedenis opgeschort - het is nog steeds opgeschort, en zal ook niet worden hervat totdat Jeruzalem opnieuw nationaal van betekenis is. Dan wordt de geschiedenis van de heidenen opnieuw minutieus gegeven, en de heerlijkheid en heerschappij van hun laatste grote Koning beschreven.

De Heilige Geest geeft ons in het boek Daniël een algemeen overzicht van de heerschappij van de heidenen over Jeruzalem, en dit wordt gevonden in het visioen van het beeld in hoofdstuk 2; en vult dit in de laatste zes hoofdstukken van dat boek in. Het is  het eerste waar we ons nu meer zorgen over maken. Veel van het profetische visioen van Dan. 2 is al geschiedenis geworden. Het gouden hoofd (Babylon), de zilveren borst en armen (Medo-Perzië), de koperen buik en dijen (Griekenland), de ijzeren benen (Rome), zijn al voor de mensen verschenen. Maar de voeten van het Beeld, "deel van ijzer en deel van klei", hebben te maken met een tijd die nog in de toekomst ligt. De breuk tussen de benen en voeten komt overeen met de breuk tussen de negenenzestigste en zeventigste "week" van Daniël 9:24-27.
     Wat wordt er dan voorgesteld door de "ijzeren en leem" tenen van de voeten van het Beeld? Als we in gedachten houden dat dit deel van het beeld precies overeenkomt met de zeventigste week, hebben we een belangrijke sleutel tot de interpretatie. Dan. 9:26,27 vertelt ons over de zeventigste week - de "ene week" die nog over is. Deze verzen spreken over de Vorst (van het herstelde Romeinse Rijk) die een zevenjarig verbond sloot met de Joden. Zo presenteert de profetie over de zeventigste week ons ​​twee prominente onderwerpen - de Romeinen, aan wiens hoofd de Antichrist staat, en het afvallige Israël, met wie het verbond is gesloten. Nu terug naar Dan. 2 zien we dat bij het interpreteren van de droom van de koning over het beeld, de profeet verklaart dat het "ijzer" het symbool is voor het "vierde koninkrijk" (vers 40), dat Rome was, die Babylon, Perzië en Griekenland opvolgde. De "voeten" met hun tien tenen voorspellen dit rijk in zijn uiteindelijke vorm. We hebben dus goddelijke autoriteit om te zeggen dat het "ijzer" in de voeten van het beeld de volkeren vertegenwoordigt die het gebied nog zullen bezetten dat wordt gecontroleerd door het oude Romeinse rijk. In één woord, het "ijzer" symboliseert de heidenen - in het bijzonder degenen die gevonden worden in de landen die zullen worden geregeerd door de "tien koningen".

Wie wordt dan gesymboliseerd door "de klei"? Het is nodig om afscheid te nemen van de commentatoren, die de klei unaniem beschouwen als metafoor van de democratie. Voor zover wij weten heeft geen van hen een enkele bewijstekst aangeboden ter ondersteuning van hun interpretatie, en aangezien het Woord de enige autoriteit is, moeten we daar naar kijken. Ervan overtuigd dat de Schrift zijn eigen vertolker is, wenden we ons tot de concordantie om uit te vinden wat de "klei" (leem) elders betekent, en wanneer het symbolisch gebruikt wordt. In Jesaja 64, die de roep van het overblijfsel in de eindtijd optekent, zien we dat ze zeggen:

"Maar nu, HEERE, U bent onze Vader! Wij zijn het leem en U bent onze Pottenbakker: wij zijn allen het werk van Uw handen."(Jesaja 64:8)

Nogmaals, in Jeremia 18 wordt hetzelfde voorbeeld gebruikt. Daar wordt de profeet bevolen naar het huis van de pottenbakker te gaan, waar hij hem een ​​pot zag maken. Het werkstuk was ontsierd in de handen van de pottenbakker, dus hij "maakte er weer een andere pot van". Het is duidelijk dat dit een beeld is van Israël in het verleden en in de toekomst. De interpretatie is uitdrukkelijk vastgelegd in vers 6: "Zou Ik met u niet kunnen doen zoals deze pottenbakker, huis van Israël? zegt de Heer. Zie, zoals het leem in de hand van de pottenbakker is, zo bent u in Mijn hand, o huis van Israël". Hoe duidelijk is het dan dat "klei/leem" Gods symbool voor Israël is.[13]


Noot 13 betreffende het woord "klei" of "leem". Dat het Hebreeuwse woord voor "klei" חֹמֶר "gomer" in deze passages verschilt van het woord dat in Daniël 2 wordt gebruikt, (gasaf חֲסַף ) is precies datgene waarvan een onderzoekende geest van nature een betekenis zou verwachten. In Jesaja 64 en Jeremia 18 gaat het over het Israël dat zal worden hersteld, terwijl Dan. 2 spreekt over het afvallige deel van Israël,  (èn de heidenen!) onherroepelijk overgegeven aan het oordeel. In treffende overeenstemming hiermee kunnen we hieraan toevoegen dat het woord dat in Jes. 64 en Jer. 18 verwijst naar klei in zijn oorspronkelijke en kneedbare staat; maar het woord in Dan. 2 betekent "verbrande klei", wat zijn uiteindelijke toestand aanduidt: Hier, zoals altijd, spreekt "verbranden" van Goddelijk oordeel!  (Als er in Daniël 2 tweemaal uitdrukkelijk "modderige klei" staat is dat m.i. geen verbrande klei. Modderig is het woord טִין  tien, dat slib of modder betekent.)


In zijn uiteindelijke vorm zal het herleefde Romeinse Rijk - het koninkrijk van de Antichrist - dus deels heidens en deels joods zijn. En is dit niet wat we moeten verwachten? Zal dat niet het karakter zijn van het koninkrijk van Degene die door de Antichrist wordt geïmiteerd? Schriftgedeelten als Ps. 2:6-8; Jesaja 11:10; 42:6; Openb. 11:15, enz., maken het tweeledige karakter duidelijk van het koninkrijk waarover onze Heer tijdens het millennium zal regeren. Dat de Antichrist nauw verbonden zal zijn met zowel de Joden als de heidenen hebben we keer op keer bewezen in de vorige hoofdstukken - Openb. 9:11 is voldoende om het punt vast te stellen. 

Openbaring 9:11 En zij hadden een koning over zich, de engel van de afgrond. Zijn naam is in het Hebreeuws Abaddon, en in het Grieks heeft hij de naam Apollyon.

Daarom zouden we niet verbaasd moeten zijn om te ontdekken dat dat deel van het Beeld dat specifiek het koninkrijk afbeeldt waarover de Man der Zonde zal heersen, zowel uit "ijzer" als "klei" zou moeten bestaan. Het zou vreemd zijn als het anders was. Het is inderdaad opvallend om op te merken dat de "klei" precies negen keer wordt genoemd in Dan. 2. Negen keer is het getal van oordeel.

In Dan. 2:43 lezen we: "Dat u gezien hebt ijzer vermengd met modderig leem – ze zullen zich door menselijk zaad vermengen, maar ze zullen zich niet aan elkaar hechten, zoals ijzer zich niet vermengt met leem."- Een vers dat de uitleggers zeer verbaasde. Wij geloven dat het een verwijzing is naar de komende intimiteit tussen Joden en heidenen. De afvallige Joden (leden van de Grote Hoer) zullen "zich vermengen met het zaad van mannen" - de heidenen. Dit wordt versterkt in Openb. 17, waar we lezen over de grote Hoer, "met wie de koningen der aarde hoererij hebben bedreven en de bewoners van de aarde dronken zijn geworden van de wijn van haar hoererij". "Maar zij zullen niet aan elkaar hechten" (Dan. 2:43) wordt uitgelegd in Openb. 17:16 - "En de tien horens die u op het beest zag, deze zullen de hoer haten, en haar berooid en naakt maken", enz.! Er is een opmerkelijk vers in Habakuk 2 dat onze opmerkingen hierboven bevestigt en de Antichrist zelf met de "klei" verbindt. De passage begint met het derde vers:

Habakuk 2:3 Voorzeker, het visioen wacht nog op de vastgestelde tijd, aan het einde zal Hij het werkelijkheid maken. Hij liegt niet. Als Hij uitblijft, verwacht Hem, want Hij komt zeker, Hij zal niet wegblijven.

dat, zoals we weten wordt geciteerd in Hebreeën 10:37,38,

Hebreeën 10:37-38 Want: Nog een heel korte tijd en Hij Die komt, zal komen en niet uitblijven. Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven, en als iemand zich onttrekt, Mijn ziel heeft in hem geen behagen.

Deze tekst handelt over de periode die onmiddellijk voorafgaat aan de wederkomst van onze Heer. In vers 4 en 5 hebben we een beschrijving van de Antichrist, en dan lezen we in vers 6 ,

"Zullen zij niet allemaal een gelijkenis tegen hem opnemen, en een spottende spreuk tegen hem, en zeggen: Wee hem die vermeerdert wat niet van hem is! hoe lang? en aan hem die zichzelf belaadt met dikke klei".


De King James vertaalt inderdaad "thick clay!", maar onze vertalingen hebben het over "gepand goed". Strong 5671 heeft het over  עַבְטִיט  abtit en vertaalt het als "gewicht van toezeggingen, zware schulden".  Het moderne Morfix woordenboek vertaalt het inderdaad als: "(literair) dikke modder". Het woord voor klei/leem dat  negen maal exclusief gebruikt wordt in Daniël 2 voor het beeld van Nebukadnezar is חֲסַף gasaf. Strong 2635.  We zien dat woord niet op andere plaatsen in de Bijbel.


De verwijzing is duidelijk naar de gemeenschap van deze "trotse Man" met het afvallige Israël. We zijn ervan overtuigd dat Hab. 2:6-8 parallel loopt met Jes. 14:9-12. Jesaja 14 vanaf vers 9 geeft ons een glimp van de Antichrist die bespot wordt in de hel, door de "hoofden van de aarde", omdat ook hij niet aan hun vreselijke lot kon ontsnappen. Dus in Hab. 2, na te hebben verklaard dat hij "alle volken tot zich verzamelt" (vs. 5), vervolgt de profeet met te zeggen: "Zullen deze allen niet een spottende spreuk tegen hem opnemen". De bespotting is dat, hoewel hij zich had verbonden met de massa van Israël (zichzelf beladen met dikke klei), het toch "het overblijfsel" van ditzelfde volk zal zijn dat hem zal "beroven" (vers 8).

Een ander schriftgedeelte dat laat zien dat het afvallige Israël in de eindtijd niet langer zal worden gescheiden van en gehaat worden door de heidenen, wordt gevonden in Jesaja 2, waar ons wordt verteld: "en met buitenlanders slaan zij de handen ineen" (vers 6 ). Aangezien de context hier van zo'n groot belang is, en aangezien het hele hoofdstuk ons ​​een zeer levendig beeld geeft van de Joden in Palestina (Gods land Israël) vlak voor het millennium, zullen we er niet nader op ingaan.  De eerste vijf verzen presenteren ons een duizendjarig tafereel, en dan, zoals zo vaak het geval is in de profetieën van Jesaja, worden we teruggevoerd om iets te zien van de omstandigheden die zullen voorafgaan aan de vestiging van het Huis van de Heer op de top van de bergen. Dit blijkt duidelijk uit het twaalfde vers, dat deze periode, die aan het millennium voorafgaat, definieert als "de dag des Heren".

"Maar U hebt Uw volk verlaten, het huis van Jakob, want zij zijn vol goddeloosheid uit het Oosten, en zij duiden wolken, net als de Filistijnen, en met buitenlanders  slaan zij de handen ineen. Hun land is vol zilver en goud, en er komt geen einde aan hun schatten. Hun land is vol paarden, en er komt geen einde aan hun wagens. Hun land is vol afgoden; voor het werk van hun handen buigen zij zich neer, voor wat hun vingers gemaakt hebben. Zo bukt zich de gewone man en vernedert zich de man van aanzien. Vergeef het hun niet! Ga de rotskloof in, verberg u in het stof uit angst voor de HEERE en vanwege de glorie van Zijn majesteit." Jesaja 2:6-10

Deze zeer interessante passage laat ons zien dat het afvallige Israël intiem zal zijn met de heidenen; dat zij de minnares van enorme rijkdom zal zijn; dat ze zal worden overgegeven aan afgoderij. Hun morele toestand wordt beschreven in de verzen 11 tot 17 - let op de herhaalde verwijzingen naar "hoogmoed"  "verheven", "trots", "hoog en verheven", enz.

Jesaja 2:11. De hoogmoedige ogen van de mensen zullen neergeslagen worden, en de trots van de mannen zal neergebogen worden. Alleen de HEERE zal op die dag hoogverheven zijn. 12. Want de dag van de HEERE van de legermachten zal zijn
tegen al wie hoogmoedig en trots is, tegen al wie zich verheft, opdat hij vernederd zal worden; 13. tegen alle ceders van de Libanon, hoog en verheven, en tegen alle eiken van Basan, 14. tegen al de hoge bergen en tegen al de verheven heuvels,
15. tegen elke hoge toren en tegen elke vestingmuur, 16. tegen alle schepen van Tarsis en tegen alle koopvaardijschepen met kostbare lading. 17. De hoogmoed van de mensen zal vernederd worden en de trots van de mannen zal neergebogen worden. Alleen de HEERE zal op die dag hoogverheven zijn.

Als Zacharia 5 na Jesaja 2:6-9 gelezen wordt, hebben we de verbindende schakel tussen Openbaring 17. Jesaja 2 laat ons de Joden zien als de bezitters van fabelachtige rijkdom, als schuldige gemeenschap met "vreemden", en als algemeen toegewijd aan afgoderij. Zacharia 5 onthult de emigratie van het afvallige Israël (de vrouw in het midden van de Efa) en de overdracht van haar rijkdom naar het land Sinear. Openb. 17 en 18 geven hiervan de uiteindelijke uitkomst. Hier zien we het afvallige Israël in al haar verdorven glorie. 

Ten eerste wordt ze afgebeeld als zittend op vele wateren (vers 1), wat betekent "volken en scharen en natiën en talen" (vers 15). Deze zullen haar ondersteunen door bij te dragen aan haar inkomsten. De enorme uitgiften van obligaties die door de naties zijn gedaan om leningen te verkrijgen, vinden snel hun weg naar Joodse handen; en ongetwijfeld is het de gestaag toenemende belangstelling hiervan die hen spoedig tot de rijkste natie van de wereld zal maken. Dat wat Europa half bankroet heeft gemaakt, zal spoedig worden gebruikt om de Vrouw te kleden in purper en scharlaken en goud en edelstenen en parels (vers 4).

Ten tweede wordt de Vrouw gezien zittend op het Beest (vers 3), wat betekent dat de Antichrist zijn grote regeringsmacht zal gebruiken om haar bescherming te verzekeren. Hoe dit harmonieert met Daniël 9:27, waar we lezen dat hij een zevenjarig verbond met hen sloot, hoeft niet vermeld te worden. Dan zal het arme verblinde Israël geloven dat het millennium is aangebroken. Ze zijn niet langer de mensen van de vermoeide voet en dakloze vreemdeling, maar de minnares van de grootste stad ter wereld. Niet langer arm en behoeftig, maar bezitter van de rijkdom van de aarde. Niet langer de "staart" van de naties, maar regerend over hen als hun financiële Schuldeiser en Dictator. Niet langer veracht door de groten en machtigen, maar gezocht door de koningen van de aarde. Niets weerhoudt wat het vlees kan verlangen. De valse Vredevorst is hun weldoener. Ja,
Maar niet lang zal van deze weelde worden genoten. Deze satanische betovering zal ruw worden verbroken. 

Ten derde laat Openb. 17 ons de tien horens zien en het beest dat zich tegen de hoer keert, haar van haar rijkdom berooft en haar van haar heerlijkheid berooft (vers 6-8). Ook dit komt overeen met de profetie van het Oude Testament, want daar lezen we dat de Antichrist zijn verbond met Israël verbreekt! Zoals ons wordt verteld in Ps. 55:21, "Hij slaat zijn handen aan wie vrede met hem had, hij ontheiligt zijn verbond. ", vgl. Jesaja 33:8. En juist dit verbreken van het Verbond is slechts de vervulling van de Goddelijke raadsbesluiten. Duizenden jaren geleden richtte Jahweh zich via Jesaja tot het afvallige Israël, zeggende: "Dan zal uw verbond met de dood tenietgedaan worden, uw verdrag met het rijk van de dood zal geen stand houden. Trekt de alles wegspoelende gesel voorbij, dan zult u door hem afgeranseld worden." Jesaja 28:18

Wat betreft de relaties van de Antichrist met het godvruchtige Joodse Overblijfsel, dat is al eerder besproken evenals zijn laatste aanval op Jeruzalem en zijn nederlaag en omverwerping in het Dal van Armageddon. Het afvallige Israël, het Beest en al zijn heidense volgelingen zullen worden vernietigd. Het getrouwe overblijfsel van Israël en die heidenen die vriendschap met hen sluiten in het uur van hun nood, zullen hun deel hebben in het duizendjarige koninkrijk van Davids Zoon en Heer (Matt. 25). Zo heeft het God behaagd om de toekomst te onthullen en ons de dingen bekend te maken die "binnenkort moeten geschieden". Moge het ons verlangen zijn om met toenemende belangstelling eerbiedig het zekere Woord der Profetie te onderzoeken, en moge een steeds diepere dankbaarheid onze harten vullen en door onze lippen worden uitgedrukt,

Bron