English & other languages: click here!

Lukas 16 De onrechtvaardige rentmeester

Dit artikel is overgenomen van de website "Bijbelsdenken",  dat me antwoorden gaf op de vragen bij dit moeilijk te begrijpen Bijbelgedeelte. 

 

Aansluitend aan het artikel heb ik één en ander samengevat in eigen bewoordingen. 

De onrechtvaardige rentmeester

Met de gelijkenis van de onrechtvaardige rentmeester richtte de Here Jezus Zich tot Zijn discipelen (Luk. 16:1). Hij zei:

"Er was een rijk mens die een rentmeester had; en deze werd bij hem aangeklaagd, dat hij zijn bezittingen verkwistte. En hij riep hem en zei tot hem: Wat is dit dat ik van u hoor? Geef rekenschap van uw rentmeesterschap, want u kunt niet langer rentmeester zijn. De rentmeester nu zei bij zichzelf: Wat moet ik doen? Want mijn heer neemt het rentmeesterschap van mij af. Graven kan ik niet, voor bedelen schaam ik mij. Ik weet wat ik moet doen, opdat, wanneer ik uit het rentmeesterschap ben ontzet, zij mij in hun huizen opnemen. En hij riep elk van de schuldenaars van zijn heer afzonderlijk bij zich en zei tot de eerste: Hoeveel bent u mijn heer schuldig? En hij zei: Honderd vat olie. Hij nu zei tot hem: Neem uw schuldbekentenis, ga vlug zitten en schrijf vijftig. Daarna zei hij tot een ander: En u, hoeveel bent u schuldig? Hij nu zei: Honderd mud tarwe. Hij zei tot hem: Neem uw schuldbekentenis en schrijf tachtig. En de heer prees de onrechtvaardige rentmeester, omdat hij met overleg had gehandeld; want de zonen van deze eeuw zijn verstandiger ten aanzien van hun eigen geslacht dan de zonen van het licht" (vs. 1-8).

 

Vreemde kanten

Als we dit verhaal lezen met de ogen van de volken, dan ontgaat ons dat de geschiedenis van begin tot eind betrekking heeft op onrechtvaardige toestanden. Wie het verhaal met Joodse ogen leest, ontdekt het volgende:

1. De "heer" in de vertelling was een schatrijke grootgrondbezitter, die uitgestrekte landerijen bezat en zijn land door pachters liet bewerken. Deze heer liet het innen van de pacht aan een rentmeester over. De pachters moesten hun pacht in natura betalen. In de pachtcontracten was vastgelegd dat de landeigenaar niet een bepaald percentage van de oogst zou ontvangen maar een vaste hoeveelheid tarwe of olijfolie. Het risico lag dus helemaal aan de kant van de pachters. In een goed jaar was het voor hen misschien gemakkelijk om aan de eisen van het contract te voldoen, maar in een slecht jaar moesten ze het leeuwendeel van hun oogst aan de heer betalen. In het verhaal wordt er een situatie geschetst die in Israël nooit had mogen ontstaan. Als de Israëlieten zich aan Gods wet hadden gehouden, dan zou alle grond in het jubeljaar aan de oorspronkelijke eigenaars zijn teruggegeven (Lev. 25). Geen mens zou dan zijn familie-erfdeel voor altijd hebben kunnen verliezen. Grootgrondbezitters waren onder de volken gangbaar, maar grootgrondbezit (en de daarmee gepaard gaande uitbuiting van landarbeiders) was bij Gods volk verboden. Men had de wet op het jubeljaar niet in praktijk gebracht. Er was een kloof gegroeid tussen straatarme en steenrijke mensen. De oudtestamentische profeten, zoals Amos 2:6; Amos 3:9-15; Amos 4:1-3; Amos 5:7-17; Amos 6:3-7 en Amos 8:4-8 en Ezechiël 16:44-52 en Ezechiël 22:29, hadden deze ontwikkeling in scherpe bewoordingen afgekeurd. Maar het had niet geholpen. Na de ballingschap was de kloof opnieuw gegroeid. Farizeeën en Schriftgeleerden behoorden over het algemeen tot de rijken (vgl. Luk. 16:14).

2. In de meeste Bijbelvertalingen is boven Lukas 16:1-13 het opschrift geplaatst: 'Gelijkenis van de onrechtvaardige rentmeester'. Maar in het verhaal dat de Here Jezus vertelde gedroegen alle betrokkenen zich als oplichters: 

 

 

 

 

 

 

 

 

a. De rentmeester verkwistte de bezittingen van zijn heer (vs. 1). Toen duidelijk werd dat hij zijn baan zou kwijtraken, besloot hij om valsheid in geschrifte te plegen. Op die manier hoopte hij bij de pachters in het
gevlei te komen. Dan zou er ook na zijn ontslag nog worden voorzien in zijn levensonderhoud (vs. 3-7).


b. De pachters speelden met de rentmeester onder één hoedje. Het idee om valsheid in geschrifte te plegen was afkomstig van de rentmeester. Ook stelde die hen in de gelegenheid om te frauderen. Maar zelf vervalsten zij het pachtcontract (Lukas 16: 6-7).


c.  De heer hield met Gods wet geen rekening. Want hij had land in bezit dat hem volgens de wet van Mozes niet toebehoorde. Het grootste deel van zijn grond had hij in het jubeljaar aan de oorspronkelijke eigenaren moeten teruggeven. En toen deze heer ontdekte wat de rentmeester met het oog op zijn naderend ontslag had gedaan, kon hij voor de sluwheid van de man begrip opbrengen. Hij "prees de onrechtvaardige rentmeester, omdat die met overleg had gehandeld". Hij uitte bewondering voor een klaploper die zich door list en bedrog zelfs na zijn eventuele ontslag van een zorgeloos bestaan had weten te verzekeren. Zodat de vraag rijst: Hoe kan men nu een geestelijke les ontlenen aan een verhaal dat van A tot Z over schurken gaat?

3. Een laatste merkwaardigheid betreft de conclusie die de hoorders uit de gelijkenis moesten trekken. Volgens de meeste Bijbelvertalingen heeft de Here de handelwijze van de rentmeester aanbevolen. Ook Zijn discipelen moesten voorzichtig handelen met het oog op de toekomst. Hun oog behoorde echter niet gericht te zijn op de tegenwoordige boze eeuw maar op de eeuw die komt (vs. 9). Hoewel deze conclusie op het eerste gezicht aannemelijk is, wijzen de woorden die de Here op vers 9 liet volgen in een andere richting. Uit die woorden blijkt namelijk, dat de Here geen sluwe berekening, maar onwankelbare trouw van Zijn leerlingen vroeg (Lukas 16:10-13).

De sleutel

Mijns inziens moet de sleutel om de gelijkenis te verstaan, worden gezocht in het tekstverband. In de meeste Bijbelcommentaren wordt Lukas 16:1-13 beschouwd als een waarschuwing tegen bezitsdrang en een opdracht om opofferingsgezind te zijn. Men leest de perikoop van de onrechtvaardige rentmeester als een op zichzelf staand verhaal. In werkelijkheid maakt Lukas 16:1-13 echter deel uit van een geschiedenis die in Lukas 15:1 begint en die pas in Lukas 17:10 is afgelopen.
De Here bevond Zich op één plaats en onderhield Zich met Zijn discipelen, de Farizeeën en de Schriftgeleerden. Toen Hij dit onderhoud had beëindigd, vertrok Hij naar Jeruzalem (Luk. 17:11).

De Farizeeën en de Schriftgeleerden hadden gemopperd:

"Deze ontvangt zondaars en eet met hen" (Luk. 15:2). Ze bedoelden daarmee: 'Hij verlaagt de standaard van de wet om mensen de indruk te geven dat hun gedrag wel door de beugel kan. Hij sluit vriendschap met wettelozen. Dat tollenaars en zondaars Hem achternalopen, is vanzelfsprekend. Hij neemt het niet nauw met Gods geboden. 

De schare, die de wet niet kent, heeft daar geen benul van en de massa's stromen toe. Hij praat iedereen naar de mond. Maar wij staan pal voor Gods wet. Daarom komen tollenaars en zondaars niet naar ons toe'.

In reactie daarop vertelde de Here Jezus een verhaal over een rentmeester die de bezittingen van zijn heer verkwistte, met de pachters onder één hoedje speelde en die valsheid in geschrifte pleegde om er ook na zijn ontslag nog goed van te kunnen blijven leven.
Zoals de Farizeeën over de Here Jezus dachten, zo gedroeg de rentmeester zich in het verhaal. Hij aanvaardde vervalste schuldbekentenissen en verlaagde de pacht, om bij de boeren in het gevlei te komen. De pachters waren natuurlijk erg
blij dat hun lasten werden verlicht. Zij zouden op hun beurt de rentmeester wel helpen.


Wie op het tekstverband let, ontdekt dat de hoofdpersoon in de gelijkenis zich gedraagt, zoals de Farizeeën en de Schriftgeleerden beweerden dat de Here Jezus Zich gedroeg. Zoals de rentmeester in de gelijkenis eigenmachtig de pacht
verlaagde die de boeren schuldig waren, zo verlaagde de Here Jezus volgens hen de eisen van Gods wet. Hij zou allerlei geboden hebben 'ontbonden' (vgl. Matt. 5:19). Hij zou "afval van Mozes leren" door te zeggen dat Israëlieten "niet meer naar de gebruiken hoefden te wandelen" (vgl. Hand. 21:21). Met zulke opvattingen zou Hij Zich bij de tollenaars en de zondaars geliefd hebben gemaakt.

 

Een opdracht of een vraag?

In Lukas 16:9 lijkt de Here Jezus de handelwijze van de rentmeester te willen aanbevelen. Volgens de meeste Bijbelvertalingen zei Hij: "En Ik zeg u: maakt u vrienden met de onrechtvaardige Mammon, opdat, wanneer die [u] ontvalt, men u ontvangt in de eeuwige tenten".
Maar is die vertaling wel juist? Vers 9 heeft in de oorspronkelijke Griekse tekst namelijk een merkwaardige opbouw. Het woord "ik" staat tweemaal in de zin: eerst als persoonlijk voornaamwoord (ego) en daarna nogmaals, in de verbuiging van het werkwoord spreken (lego). In de Griekse taal is zo'n herhaling vreemd. Er staat: "En Ik, tot u zeg Ik, maakt u vrienden ...".

Op grond van die zinsbouw hebben sommige Bijbelvertalers ervoor gekozen om vers 9 als een vraag en niet als een opdracht weer te geven. In hun vertalingen staat: 'En Ik, zeg Ik u: Maak u vrienden met de onrechtvaardige Mammon, opdat, wanneer deze u ontvalt, men u opneemt in de eeuwige tenten?" (Zo wordt het bijvoorbeeld weergegeven in de Companion Bible, in de uitleg van dit vers.)
.
Omdat de Griekse taal in de tijd van het Nieuwe Testament geen vraagtekens (of andere leestekens) kende, zijn beide vertalingen mogelijk.

Gezien vers 1 stelde de Here deze retorische vraag aan Zijn discipelen. Hij vroeg hen: 'Heb Ik jullie dat voorgehouden, heb Ik jullie aan Mij weten te binden door je voor te spiegelen dat er aan Gods wet valt te tornen?'. Het antwoord op die vraag was: 'Nee!'. Hij had hun immers geleerd: "Meent niet dat Ik ben gekomen om de wet of de profeten op te heffen; Ik ben niet gekomen om op te heffen, maar om te vervullen. Want voorwaar, Ik zeg u: totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal niet één jota of één tittel van de wet voorbijgaan tot alles is gebeurd. Wie dan één van deze geringste geboden ontbindt, en de mensen zo leert, zal de geringste worden genoemd in het koninkrijk der hemelen; maar wie ze doet en leert, die zal groot worden genoemd in het koninkrijk der hemelen. Want Ik zeg u, dat als uw gerechtigheid niet overvloediger is dan die van de Schriftgeleerden en Farizeeën, u het koninkrijk der hemelen geenszins zult binnengaan" (Matt. 5:17-20).

 

En nadat Hij de gelijkenis van de onrechtvaardige rentmeester had verteld, zei de Here nadrukkelijk tegen de Farizeeën: "Nu is het gemakkelijker dat de hemel en de aarde voorbijgaan, dan dat één tittel van de wet vervalt" (Luk. 16:17).

 

Uit het vervolg van Jezus' toespraak blijkt dat we vers 9 inderdaad als een retorische vraag moeten opvatten. En gezien het opschrift van de gelijkenis (Lukas 16:1) stelde Hij die vraag aan Zijn discipelen.

De Here gaf zelf antwoord

De Here beantwoordde Zijn vraag Zelf door er meteen op te laten volgen:

"Wie trouw is in [het] minste, is ook in veel trouw; en wie in [het] minste onrechtvaardig is, is ook in veel onrechtvaardig. Als u dan in de onrechtvaardige Mammon niet trouw bent geweest, wie zal u het ware toevertrouwen? En als u in dat van een ander niet trouw bent geweest, wie zal u het uwe geven? Geen huisknecht kan twee heren dienen, want hij zal òf de één haten en de ander liefhebben, òf zich aan de één hechten en de ander verachten. 

U kunt niet God dienen en Mammon" (Luk. 16:11-13).

De Here Jezus kaatste de bal terug die de Farizeeën Hem hadden toegeworpen. Niet Hij had de norm van Gods wet verlaagd, maar zij hadden dat gedaan. Uit het feit dat er in Judea grootgrondbezitters waren, bleek al dat het met de wetsgetrouwheid in Israël niet best was gesteld (vgl. Lev. 25). Een kleine groep rijken was tegenover een grote groep armen komen te staan. Blijkbaar reikte de Bijbelgetrouwheid van de Joodse leiders niet tot het erfrecht of tot hun portemonnee. Als het Joodse volk in het beheer van de tijdelijke goederen die God hun had toevertrouwd al niet getrouw was geweest, hoe konden ze dan verwachten dat God hun straks een eeuwig erfdeel zou toevertrouwen? (vgl. Luk. 19:17-26). Als Israëlieten voor Gods wet wilden opkomen, maar tegelijk rijkdom en bezit wilden najagen, wie dienden ze dan eigenlijk? De HERE of de Mammon? Waarschijnlijk de laatste, want een huisknecht kan geen twee heren dienen (Luk. 16:10-13). Niet de Verteller had Zich als de rentmeester uit de gelijkenis gedragen, maar de Joodse leiders deden dat. (Het woord Mammon betekent 'rijkdom' of 'geld'. In het betoog van de Here wordt dit als een persoon voorgesteld. Mammon is de afgod van het kapitaal.)

De Mammon

Toen de Here Jezus zei: "U kunt niet God dienen en Mammon" begrepen de Farizeeën maar al te goed dat de schoen hun paste. Ze begonnen de spreker te beschimpen (vs. 14). Die richtte Zich nu tot hen, en Hij zei onomwonden, dat hun gerechtigheid in Gods ogen waardeloos was. Wat zij deden, was het ophouden van een schone schijn: "U bent het die u rechtvaardig voordoet voor de mensen, maar God kent uw harten; want wat hoog is bij de mensen, is een gruwel voor God" (vs. 15). 

 

In de gelijkenis die de Here net had verteld, had de rentmeester zich rechtvaardig voorgedaan. Hij had zich gedragen alsof hij zich over de pachters wilde ontfermen en hun barmhartigheid wilde bewijzen. Maar in werkelijkheid was hij op zijn eigen voordeel uit geweest. Hij wilde zich van de gunst van de boeren verzekeren, zodat die hem in hun huizen zouden opnemen wanneer hij op straat kwam te staan (vs. 4). Hoewel in de meeste Bijbelcommentaren wordt beweerd dat de Here het 'overleg' van de rentmeester bij ons aanbeveelt, is het tegendeel het geval. Wie zich rechtvaardig voordoet om bij de mensen aanzien te verwerven, is "een gruwel voor God". Dat geldt beslist ook voor iemand die de armen wat geld toestopt - niet omdat hij begaan is met hun lot, maar omdat hij meent dat hij door dit te doen zich van een plaats in Gods toekomstige wereld kan verzekeren. De Schepper zal zulk gedrag niet belonen, maar bestraffen. Hij gruwt van schijnbarmhartigheid.

 

Het slot van het betoog

De Here beëindigde Zijn reactie op de schimpscheuten van de Farizeeën door te zeggen: "De wet en de profeten zijn tot op Johannes; sindsdien wordt het evangelie van het koninkrijk van God verkondigd en ieder dringt er met geweld binnen. Nu is het gemakkelijker dat de hemel en de aarde voorbijgaan, dan dat er één tittel van de wet vervalt. Ieder die zijn vrouw verstoot en met een andere trouwt, pleegt overspel; en wie met een door [haar] man verstotene trouwt, pleegt overspel" (Luk. 16:16-18).

 

Uit dit slot blijkt dat de Here nog steeds antwoord gaf op het verwijt, dat Hij zondaars ontving en met hen at (Luk. 15:2). Hij merkte op dat wie naar Zijn toespraak luisterde, mocht leven in een heel bijzondere tijd. Met het optreden van Johannes de doper was er aan het tijdperk van "de wet en de profeten" een einde gekomen. Nu werd het goede nieuws van het koninkrijk van God verkondigd. In de Persoon van de Koning was dat rijk nabij gekomen (vgl. Matt. 3:2; Matt. 4:17 en Matt.10:7). "Bekeert u en gelooft in het evangelie" was nu de boodschap (Mark. 1:15).

 

"Ieder dringt er met geweld binnen" heeft gezien het voorafgaande betrekking op dit koninkrijk van God. Alle inwoners van Israël hadden gereageerd op het goede nieuws dat het beloofde rijk nabij was. De tollenaren en zondaren hadden begrepen dat ze vanwege hun levensstijl het rijk niet konden binnengaan. Ze hadden de prediking van Johannes en van de Here Jezus ter harte genomen, hun misstappen beleden en zich onderworpen aan de "doop der bekering tot vergeving van zonden" (Luk. 3:3 en Joh. 3:22-26 en Joh. 4:1-2). Farizeeën en Schriftgeleerden hadden zich niet laten dopen, want die meenden dat ze vanwege hun ijver voor de wet geen bekering nodig hadden en het rijk beslist zouden binnengaan. Zo drong "ieder met geweld het rijk van God binnen". Maar de HERE had de drempel voor toegang tot Zijn rijk in geen enkel opzicht verlaagd. Het is immers "gemakkelijker dat de hemel en de aarde voorbijgaan, dan dat één tittel van de wet vervalt". Wie het rijk wil binnengaan, moet gehoorzaam zijn - niet maar een beetje gehoorzaam, zelfs niet behoorlijk gehoorzaam, maar volmaakt gehoorzaam. Dit was het antwoord van de Here Jezus op de aantijging van de Farizeeën dat Hij "zondaars ontving en met hen at". (Luk. 15:2), waarmee zij zeiden dat Hij hun levensstijl goedkeurde.

 

Waarom ontving de Here dan toch tollenaars en zondaars, en waarom aarzelde Hij niet om in het huis van zulke mensen de maaltijd te gebruiken? Om die vraag te beantwoorden zei Hij: "Ieder die zijn vrouw verstoot en met een andere trouwt, pleegt overspel; en wie met een door [haar] man verstotene trouwt, pleegt overspel". We zouden kunnen denken dat de Here dit zei om opnieuw te tonen dat niet Hij, maar de Farizeeën aan Gods wet hadden getornd. 

Sommige Schriftgeleerden waren van mening dat een man zijn vrouw al vanwege een kleinigheid kon verstoten. Maar de Rabbi uit Nazareth had zich op grond van het scheppingsverhaal - dus op grond van de wet - tegen zulke praktijken gekeerd (Matt. 5:31-32 en Matt.19:1-12). Toch was dit niet de belangrijkste reden waarom de Here een verbod op echtscheiding uitsprak.

Hij sprak over "het verstoten van zijn vrouw" omdat Israël in de wet en de profeten wordt voorgesteld als de vrouw van God. De Messias ontving tollenaars en zondaars, omdat God Zich aan Zijn eigen wet houdt. Hij kan Zijn vrouw niet verstoten en met een ander trouwen. Hij verbreekt het huwelijksverbond niet.

Maar hierdoor ontstaat er wel een probleem. Als volmaakte gehoorzaamheid de voorwaarde is om in de toekomstige eeuw het rijk van God te kunnen binnengaan, wie kan er dan worden opgenomen in de "eeuwige tenten"? Tollenaars en zondaars kunnen het rijk niet in, omdat ze onheilig zijn. Farizeeën en Schriftgeleerden kunnen er niet in, omdat ze schijnheilig zijn en hun rechtvaardigheid te kort schiet (Matt. 5:20). Het rijk is voor Israël bestemd en het blijft voor Israël bestemd (want Israël is de vrouw van de HERE), maar in de praktijk voldoet geen enkele Israëliet aan de voorwaarden voor burgerschap in dat rijk. Hoe dit probleem zou worden opgelost, vertelde de Here bij deze gelegenheid niet, maar één ding maakte Hij duidelijk: God zal Zijn vrouw niet verstoten. Om dat uit te beelden, ontving Hij tollenaars en zondaars die naar Zijn prediking kwamen luisteren (Luk. 15:1).

Besluit

In commentaren wordt Lukas 16:1-13 gewoonlijk opgevat als een moralistisch verhaal. Zoals ongelovigen voorzichtig handelen met het oog op de toekomst, zo behoren gelovigen te beseffen dat er na dit leven nog een ander leven is en moeten zij daar in hun gedrag rekening mee houden. Ze mogen hun hart niet aan geld verpanden, maar ze behoren met de "onrechtvaardige Mammon" hun medemensen te dienen, vooral de behoeftigen en de armen. Discipelen behoren vrijgevig te zijn. Wie mild geeft, zal worden ontvangen in de "eeuwige tenten".

(In een preek waagde de kerkvader Augustinus het om te zeggen: 'Schenk aan de armen als u niet wilt branden in het vuur. Geef op aarde aan Christus; dat geeft Hij u dan in de hemel terug (...) Als we iets vooruit sturen, komen we niet in een leeg huis. En wat sturen we dan vooruit? Wat we aan de armen geven!" [Sermo 367].)

 

Hoewel God de blijmoedige gever liefheeft (2 Kor. 9:7) en hebzucht de wortel is van alle kwaad (1 Tim. 6:10), kan het bovenstaande toch niet de boodschap van Lukas 16 zijn. Want de rentmeester handelde sluw. Hij was niet begaan met het lot van de pachters of trouw in het beheer van de bezittingen van zijn heer, maar dacht alleen maar aan zijn eigen toekomst. Zelfs in het geven, diende hij Mammon nog. Als gelovigen zo zouden handelen als de rentmeester, en in het besef van hun naderend overlijden ("wanneer die [onrechtvaardige Mammon] u ontvalt") goedgeefs zouden zijn ("maakt u vrienden (...) opdat men u ontvangt in de eeuwige tenten") dan zouden zulke gelovigen zich even sluw gedragen als de rentmeester. Ze zouden dan wel geld aan hun medemensen schenken, maar vanuit een onzuiver motief, omdat ze zich van een plaatsje in Gods toekomstige wereld wilden verzekeren.

 

In werkelijkheid behoren discipelen te beseffen dat al hun bezittingen het eigendom van de HERE zijn, een eigendom dat ze trouw mogen beheren (Luk. 16:10-13). En net zoals de HERE barmhartig is en belangeloos in het geven, zo behoren gelovigen dat ook te zijn (Matt. 5:43-48). De houding van de rentmeester, die zich "rechtvaardig voordeed voor de mensen" is een gruwel voor God (Luk. 16:15).

 

Door vers 9 als een opdracht en niet als een vraag weer te geven, hebben Bijbelvertalers voedsel gegeven aan een reeks van dwalingen. Als het waar was dat een rijke zich door "vrienden te maken met de onrechtvaardige Mammon" van huisvesting in de "eeuwige tenten" kon verzekeren, dan zou het behoud van een mens berusten op werken en zou het eeuwige leven voor geld te koop zijn. In de Rooms-katholieke aflaathandel zou dan een kern van waarheid hebben gelegen. Een kameel zou dan toch door het oog van de naald kunnen gaan, mits zo'n dier maar tijdig een deel van zijn last aflegt. In werkelijkheid kunnen kamelen alleen dankzij een wonder van God door het oog van een naald gaan (vgl. Luk. 18:25-27). Mensen kunnen zich onmogelijk van toegang tot de eeuwige tenten verzekeren, maar God kan bewerken dat een mens behouden wordt.

 

Gezien het tekstverband (Luk. 15:1 en 2 en 16:14) is de gelijkenis van de onrechtvaardige rentmeester een antwoord van de Here op de aantijging van de Farizeeën. Dat God Zich zo zou gedragen als de heer uit de gelijkenis, en Zijn rentmeester zou prijzen wanneer die een loopje had genomen met Zijn geboden, is volstrekt ongerijmd. De Farizeeën en de Schriftgeleerden die met een beschuldigende vinger naar de Here wezen maar die zelf het Woord van God krachteloos hadden gemaakt door hun overlevering (Matt. 15:1-20 en Mark. 7:1-23), zouden binnenkort uit hun ambt worden gezet en geen lof maar straf oogsten. En dat de Here geboden van God terzijde zou hebben gesteld om maar veel volgelingen te verwerven, was beslist onwaar. Hij vroeg van Zijn discipelen geen sluwe berekening, maar trouw in het beheer (Luk. 16:10-13; vgl. Luk. 12:42-48).

Tot zover het artikel van de website “Bijbelsdenken”.

 

*  *  *  *  *  *  *

Korte weergave van dit artikel in eigen woorden:

Aanleiding van dit verhaal is:

Lukas 15:2 En de Farizeeën en de schriftgeleerden morden onder elkaar en zeiden: Deze Man ontvangt zondaars en eet met hen.

Yeshua sprak daarover tot zijn discipelen terwijl de farizeeën toeluisterden.

…. In Zijn verhaal over de onrechtvaardige rentmeester maakte Hij een scherts over hoe de farizeeën over Hem dachten. Zij zagen Yeshua als een onrechtvaardige rentmeester die Gods wet opzij zette om zo hoeren en tollenaars tot Zijn volgelingen te maken. Wat Yeshua opzij zette waren de menselijke voorschriften, maar zeker niet Gods wet. Zie vers 17.

Hij vroeg de discipelen als het ware:

“Denk je nu echt dat ik tot jullie zeg?”  Dat je maar vrienden moet maken door te sjoemelen met de geboden, om daar hulp te krijgen als je in de problemen komt?

Natuurlijk prijzen de zondaars elkaar om de handigheidjes waarmee ze hun voordeel bewerken.

Het is dan ook sarcastisch als Yeshua zegt: “Want de kinderen van deze wereld zijn onder elkaar verstandiger dan de kinderen van het licht.” Hier benoemde Hij juist de farizeeën spottend als die rentmeester, één ‘van de wereld’ en dat die zo verstandig waren” De farizeeën waren gesteld op weelde en welvaart en dienden daarmee de afgod Mammon.

De farizeeën begrepen dat Yeshua hen “op de korrel nam”. Vandaar hun reactie:

Lukas 16:14. En al deze dingen hoorden ook de Farizeeën, die geldzuchtig waren, en zij beschimpten Hem.