English & other languages, click here!

2 Koningen 4 - vier wonderen van Elisa

De vier wonderen van Elisa zijn in feite vier wonderen van God.  

De olie van de weduwe vermeerderde. 

(2 Kon. 4:1-7)

In dit hoofdstuk maken we kennis met een jonge vrouw, moeder van twee zoons, die haar man heeft verloren. Een weduwe was in de tijd van de Bijbel een arme vrouw, die geholpen moet worden. 

We lezen vaak in Gods Woord dat God oproept om “om te zien naar weduwen en wezen in hun nood”. Psalm 68 noemt God: Vader van de wezen en Rechter van de weduwen: dát is God in Zijn heilige woning.

Nu, deze weduwe was in nood! Ze moest een schuld betalen en had daarvoor geen geld. De schuldeiser wilde als genoegdoening haar twee zoons als slaven meenemen. Ze riep de hulp in van Elisa. Ze kende hem als de leraar van haar overleden man. Haar man was één van de profetenzonen. Een leerling van een profeet werd ook een profetenzoon genoemd.

Elisa gaat niet uitzoeken of die schuldeis wel terecht is. Hij vraagt haar: “Wat heb je in huis?” Het enige is een kruikje olie. Dan moet de vrouw bij de buren en bekenden zoveel mogelijk vaten, flessen en kruiken lenen. Ze zal die moeten vullen van het beetje olie dat in het kruikje zit. Er is geloof voor nodig om dan naar buren en bekenden te stappen en deze vaten in te zamelen. Bij het vullen van de vaten moest ze de deur op slot doen. De weduwe bleef maar olie schenken terwijl de jongens de kruiken aan en af droegen. Toen er geen kruiken meer waren om te vullen bleek de olie ook op te zijn. Als ze alles verkoopt blijkt er genoeg geld te zijn om de schuldeiser te betalen, terwijl er ook nog geld over was om met haar gezin te kunnen leven. Haar verdere levensonderhoud was een heerlijke genadegave van God.

We leren uit Gods Woord dat dit een Bijbels principe is. Als er nood is dan is de eerste vraag, wat heb je zelf, wat kun je er zelf aan doen? Dat geef je dan in Gods handen, zodat Hij het wonderlijk kan vermeerderen. Iets dergelijks zagen we bij de weduwe van Zarfath (2 Koningen 17:12-14) en bij de “wonderbare spijziging” (Matt. 14:17; Luk. 9:13; Joh. 6:9). Ook de geschiedenis van Yeshua, die principieel onterecht tempelbelasting moest betalen, doet me daaraan denken. Matt. 17:24-27.

Deze geschiedenis laat Gods liefde en genade zien voor mensen die verdrukt worden. De olie die deel uitmaakt van dit gebeuren verwijst bovendien naar de Heilige Geest, die in het Vrederijk zal worden uitgegoten op alle vlees van hen die door Yeshua daar zijn binnengehaald.

Joël 2:28 Daarna zal het geschieden dat Ik Mijn Geest zal uitstorten op alle vlees: uw zonen en uw dochters zullen profeteren, uw ouderen zullen dromen dromen, uw jongemannen zullen visioenen zien.

 

De zoon van een Sunamitische wordt weer levend 

(2 Kon. 4:8-37)

Dit gedeelte is in het Parasha rooster gekoppeld aan de geschiedenis van Abraham, beschreven in Genesis 18 t.m. 22.

Elisa ontmoette de Sunamitsche vrouw tijdens zijn doorreis. Zij bood hem een maaltijd aan, zodat hij gesterkt zijn reis kon voortzetten. Hiermee bewees zij gastvrijheid, zoals Abraham en Sara gastvrij waren n een maaltijd bereidden voor de drie mannen, die engelen bleken te zijn.  Gastvrijheid is een specialiteit van gelovige mensen. Ze was evenals Abraham welgesteld, wat dat ook mag inhouden. Ze was “khadol” גְדוֺל dat is “groot”. Haar gastvrijheid nam nog grotere proporties aan.  In overleg met haar man liet ze een kamer gereed maken voor de reizende profeet. Omdat Elisa graag zijn waardering wilde laten blijken, probeerde hij via zijn knecht Gehazi erachter te komen, wat hij voor haar kon doen. De knecht vertelde dat ze alles had, behalve een zoon, waarnaar ze zo verlangde. Toen zei Elisa tegen haar: “Op de vastgestelde tijd, over een jaar, zult u een zoon omhelzen.” Maar zij zei: Nee, mijn heer, man Gods, lieg niet tegen uw dienares. (2 Koningen 4:16) Een jaar later werd het beloofde kind werkelijk geboren.

Na enige jaren werd de zoon getroffen door een zonnesteek, werd ziek en stierf. 

2 Koningen 4:28 Zij zei: Heb ik een zoon van mijn heer gevraagd? Heb ik niet gezegd: Bedrieg mij niet?
30. Maar de moeder van de jongen zei: Zo waar de HEERE leeft en uw ziel leeft, ik zal u niet verlaten. Toen stond hij op en volgde haar

32. En toen Elisa bij het huis kwam, zie, de jongen was dood, neergelegd op zijn bed.
33. Hij ging naar binnen, sloot de deur achter hen beiden en bad tot de HEERE.
36. Hij riep Gehazi en zei: Roep deze vrouw uit Sunem. Hij riep haar en zij kwam bij hem; hij zei: Neem uw zoon op.

We zien hier veel raakpunten met het parasha-gedeelte:

  • Beide echtparen waren gastvrij
  • Deze vrouw verlangde net zoals Abraham en Sara naar een zoon.
  • Beide vrouwen waren onvruchtbaar en hun echtgenoten op leeftijd
  • De gasten in beide verhalen beloofden de gastvrouw/heer een zoon en ook “over een jaar”
  • De vrouw uit Sunem stond ‘in de deuropening’, zoals Sara ‘aan de ingang van haar tent’ luisterde naar de boodschap dat ze een zoon zouden krijgen
  • Zowel Sara als de Sunamitische vrouw waren sceptisch en wilden de belofte aanvankelijk niet geloven
  • Bij beide vrouwen werd de belofte inderdaad vervuld
  • De vrouw uit Sunem zadelde een ezel toen haar zoon stierf en ging naar Elisa om hulp, Abraham ging met een ezel om zijn zoon in de dood te geven. Beiden namen ook knechten mee.
  • Maar de gelijkenis gaat nog verder, want beide moeders moesten hun zoon verliezen om hem ook weer terug te krijgen. Izak, de beloofde zoon van Abraham en Sara werd op het altaar gelegd.

Hebreeën 11:17-19 Door het geloof heeft Abraham, toen hij door God op de proef gesteld werd, Izak geofferd. En hij, die de beloften ontvangen had, heeft zijn eniggeborene geofferd. Tegen hem was gezegd: Dat van Izak zal uw nageslacht genoemd worden. Hij overlegde bij zichzelf dat God bij machte was hem zelfs uit de doden op te wekken. EN HIJ KREEG HEM ALS HET WARE DAARUIT OOK TERUG.

  • Zowel de vrouw uit Sunem als Abraham toonden zich onwankelbaar in hun geloof dat God het leven terug kon geven, ook al was de zoon gestorven.
  • De Sunamitische kreeg haar zoon ook weer terug uit de dood, doordat hij  – ook hier in een afgesloten kamer – zijn adem en lichaamswarmte met de jongen mocht delen.

God is voor ons een veilige schuilplaats,
een betrouwbare hulp in de nood. 

Psalm 46:2

Het valt me op dat, in kritieke situaties, als God aan het werk gaat de mens zich moet afsluiten van de wereld om hem heen en zich moet richten op God. 

Behoed mij, God, ik schuil bij u. 

Psalm 16:1

  • We zagen dit al bij de uittocht uit Egypte. Toen de verderfengel rondging om de eerstgeborenen te doden, moesten de Israëlieten die hun deurposten met bloed hadden bestreken, waken en binnen blijven. Niemand mocht het huis uit gaan.

  • Toen Lot en zijn gezin de gelegenheid kregen om Gods oordeel te ontvluchten, moesten ze rechtstreeks naar de vluchtplaats zonder om te kijken. Lot’s vrouw keek om en het werd haar fataal.
  • Toen de olie in de kruiken werd geschonken zoals beschreven in het eerste deel van dit hoofdstuk, moesten ze de deur sluiten.
  • Toen de vrouw uit Sunem de profeet Elisa te hulp riep, reed ze zonder onderbreking naar hem toe. De knecht Gehazi die vooruit gestuurd werd naar het gestorven kind mocht niemand groeten of een groet beantwoorden. Ook Elisa sloot de deur van de kamer waar hij het kind tot leven mocht wekken.
  • In 1 Koningen 13 staat de geschiedenis beschreven van een profeet die van de Here de opdracht had koning Jerobeam te bestraffen en niet met iemand mee te gaan en te eten. Hij moest via een andere weg naar huis. Toch liet hij zich verleiden door een leugenprofeet en het gevolg was dat hij door een leeuw gedood werd.

Als straks het oordeel over de aarde komt is dit het Bijbels advies:

Ga, Mijn volk, treed uw kamers binnen, sluit uw deuren achter u. Verberg u voor een klein ogenblik, totdat de gramschap over is. Want zie, de HEERE gaat uit Zijn plaats om de ongerechtigheid van de bewoners van de aarde aan hen te vergelden. De aarde zal het bloed dat erop vergoten is, aan het licht brengen. Zij zal haar gedoden niet langer bedekt houden. (Jesaja 26:20-21)

De giftige kolokwintensoep wordt gezonde maaltijd

(2 Kon. 4:38-42)

In 2 Kon. 4:38 staat dat er honger was in het land. Elisa gaf onderwijs aan zijn leerlingen. Maar naast geestelijk voedsel heeft de maag ook voedsel nodig. Elisa’s knecht Gehazi kreeg opdracht om voedsel klaar te maken. Eén van de leerlingen ging het veld in op zoek naar ingrediënten voor de soep. Hij vond de hier genoemde kolokwinten.

(zie plaatje) Wat kolokwinten zijn is op internet wel te vinden. Zie bijvoorbeeld deze pagina of deze.

Bij het eten ervan roepen de leerlingen “de dood is in de pot”.  Dat geeft aan dat het niet smaakt en dat het giftig is. Elisa weet dat je de kolokwinten er niet meer uit kunt halen. Maar het gif kan geneutraliseerd worden door iets toe te voegen. Op zijn advies wordt er meel aan de soep toegevoegd, waardoor het een goede, gezonde maaltijd wordt. Het thema van dood naar leven zien we door de hele Bijbel heen en verwijst naar wat Yeshua uitwerkt in de levens van de zijnen. Zo kunnen we ook naar dit wonder kijken.

Als Yeshua, het Levende Water, in het leven van een zondaar komt verdwijnt het geestelijk dood zijn en maakt plaats voor een bron van water dat opwelt tot in het eeuwige leven. (Johannes 4:14)  

De vermenigvuldiging van het gerstebrood   

(2 Kon. 4:42-44)

Ook hier is Elisa tezamen met zijn leerlingen tijdens de hongersnood. Dan komt er een man uit Baäl-Salisa met 20 gerstebroden die tot de eerstelingen behoren. Omdat de broden gebakken zijn zou het tot de eerstelingen van het wekenfeest kunnen behoren. Maar die hoorden naar de priesters gebracht te worden. Elisa hoorde niet tot de Levieten, maar was uit de stam Gad. In ieder geval was het Gods voorzienigheid die Elisa en zijn leerlingen van voedsel voorzag. De man bracht ook nog vers graan mee. Het zijn korrels van niet gedorste verse graanaren (Karmèl כַרְמֶל ) die geroosterd een lekker hapje zijn. Gehazi, Elisa’s knecht zag dat die twintig broden niet genoeg waren voor honderd mensen. Eén brood voor 5 mensen. Maar Elisa ging er weer van uit, net zoals bij de olie aan het begin van dit hoofdstuk, dat God kon vermeerderen. Hij zei: Geef het aan de mensen om te eten, want zo zegt YAHWEH: Men zal eten en overhouden.  

Zo gedaan en men kon eten en overhouden en waarschijnlijk ook hun gezinnen thuis ervan laten profiteren.

Deze geschiedenis heeft veel overeenkomsten met de “wonderbare spijziging” waarvan we o.a. in Lukas 9:12-17 lezen. Wat bij mensen onmogelijk is, is mogelijk bij God. Dat mogen we voor ogen houden als de tijden moeilijk worden.

Eten, verzadigd worden en overhouden worden in Israël gezien als een zegen van YAHWEH (Ruth 2:14; Psalm 78 en 2 Kon. 31:10)

WONDEREN EN TEKENEN IN ONZE TIJD? 

Als we in dit en andere schriftgedeelten over wonderen lezen betekent dit niet dat wij nu ook met wonderen voor de dag komen in de wereld. In de tijd van de Bijbel waren deze wonderen nodig om het gepredikte Woord te bevestigen. Het geschreven Woord was in veel mindere mate beschikbaar. Profeten zoals Elia en Eliza zijn er niet meer. Dat leert ons de Hebreeënbrief:

Hebreeën 1:1-2 Nadat God voorheen vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had door de profeten, heeft Hij in deze laatste dagen tot ons gesproken door de Zoon, Die Hij Erfgenaam gemaakt heeft van alles, door Wie Hij ook de wereld gemaakt heeft.

Hieruit blijkt dat de profetie zoals die plaatsvond in het eerste testament, met de komst van Yeshua heeft afgedaan. Het is niet overeenkomstig Gods Woord als mensen zich opwerpen als profeten die bijzondere openbaringen hebben ontvangen en verwachten dat men dit als Gods Woord van hen aanneemt. Ons profeteren is het Woord van God naspreken. Weest nuchter, zegt Gods Woord.

Het doen van wonderen.

Kijk uit waar je mee bezig bent en laat je leiden door Woord en Geest. Dit is een andere tijd dan de tijd van Eliza. Het is nu een tijd waarin satan overste van deze wereld is. De antichrist doet zich voor als de messias en zal mensen graag stimuleren om wonderen te verrichten.

Yeshua waarschuwde:

“Want er zullen valse messiassen en valse profeten komen, die indrukwekkende tekenen en wonderen zullen verrichten om ook Gods uitverkorenen zo mogelijk te misleiden. Let op, ik heb jullie dit van tevoren gezegd.” (Mattheus 24:24-25)

 

“Niet iedereen die “Heer, Heer” tegen mij zegt, zal het koninkrijk van de hemel binnengaan, alleen wie handelt naar de wil van mijn hemelse Vader. Op die dag zullen velen tegen mij zeggen: “Heer, Heer, hebben wij niet in uw naam geprofeteerd, hebben wij niet in uw naam demonen uitgedreven, en hebben wij niet vele wonderen verricht in uw naam?” En dan zal ik hun rechtuit zeggen: “Ik heb jullie nooit gekend. Weg met jullie, wetsverkrachters!” (Mattheus 7:21-23)

 

“De komst van de wetteloze mens is het werk van Satan en gaat gepaard met groot machtsvertoon en valse tekenen en wonderen...” (2 Thessalonicenzen 2:9) De Bijbel waarschuwt, dat de wonderen, genezingen en allerlei krachten die de valse predikers zullen doen, zo geloofwaardig zullen overkomen, dat zelfs veel gelovigen het gevaar zullen lopen erdoor verleid te worden.