Amos 2:6 - 3:8 aankondigingen oordeel

De boer uit Tekoa

Amos was een schapenfokker en kweker van moerbeien uit Tekoa in Juda, die door de HERE geroepen was  om te profeteren. De profetieën waren bestemd voor heel Israël, zowel Juda als het noordelijke koninkrijk van Israël en de landen rondom. Elisa was tijdens het leven van Amos overleden; maar het Woord van God wordt nu door Amos doorgegeven.

Dit gedeelte uit de “Haftara”, het profetendeel uit de Bijbel, wordt in verband gebracht met wat we nu bestuderen over Jozef en Juda en Tamar.
Amos spreekt in het voorafgaande Gods oordeel uit over Syrië, Filistea, Fenicië, Edom, Ammon en Moab.  Het is gemakkelijk  om de zonden van anderen bloot te leggen en te veroordelen. Maar  Amos ging verder met het bekijken van zonde onder Gods eigen volk. Ook Juda, waaruit Amos  afkomstig is, valt onder dit oordeel.

In Amos 2:6 wordt vermeld dat God zich boos maakt omdat ze de rechtvaardige voor geld verkopen. Dat zien we inderdaad ook in de geschiedenis van Jozef, die voor 20 zilverstukken verkocht wordt. En uiteindelijk zien we het bij Yeshua/Jezus, die voor 30 zilverstukken verkocht werd.  Mensenhandel is er door alle tijden geweest en in deze tijd niet minder. Maar geestelijk gezien zijn we allemaal “verkocht onder de zonde” zegt Paulus in Rom.  7:14. Door zo’n verkoop is de mens slaaf geworden, slaaf van de zonde.  Om mee te kunnen doen in deze wereld ontkomen we niet aan de zonde, al kunnen we onszelf wijs maken dat we het best goed doen. We vallen onder de wetmatigheid van de wet der zonde die tot de dood leidt. Omdat we als zondaar geboren worden, gaan we zondigen.

Van die wet heeft Yeshua/Jezus ons vrijgekocht en ervoor betaald met Zijn eigen  bloed. Het volmaakte leven van Yeshua/Jezus wordt ons door God toegerekend. Rom. 8:32. Dat is de wet van genade die tot het LEVEN leidt. Hij koopt ons vrij! Wat een genade!

In Amos 2:10 staat dat God zijn volk uit Egypte heeft geleid. Ook dat staat in verband met de geschiedenis van Jozef. Egypte staat voor “ballingschap” en toen Jacob bij oom Laban werkte en een slavenbestaan had, werd ook Jozef daar in ballingschap geboren en uitgeleid. Deze “ballingschap” heeft eveneens betrekking op onze staat “verkocht onder de zonde”.  Ook wij moeten worden vrijgekocht en uitgeleid uit ons geestelijk slavenbestaan:  onze ballingschap.

Amos 2:11,12  Maar u laat de nazireeërs wijn drinken.

Het waren nog jonge mannen,  die Nazireeërs waar het om gaat. De gelofte van een Nazireeër was een speciale gelofte van toewijding aan de Heer, en God gaf Israël deze mogelijkheid als geschenk. In plaats van de beslissing van deze jonge mannen te waarderen zetten ze deze mensen wijn voor en verwierpen en verachtten zij  YHWH. 

In Amos 2:12 lezen we dat Israël zijn profeten verbood om te profeteren.  Dat gebeurde ook bij Jozef. Hij had profetische dromen, maar zijn broers wilden dat niet horen en gingen hem haten.  Toch moesten ze het weten, want er zou een moment komen dat ze het konden herkennen en begrijpen. Yeshua werd eveneens gehaat en gedood om hetgeen Hij profeteerde. En komt dit in onze tijd en in onze omgeving ook niet bekend voor? Kunnen wij in “onze kringen” nog altijd onbelemmerd over Gods Koninkrijk spreken?   Het is het “eigen ik” dat in opstand komt tegen het Woord van God. Het “eigen ik” moet leren buigen voor God en Zijn Woord.

Amos herinnerde Israël eraan dat het een speciaal volk was dat een plechtig verbond had met de enige ware God, dat Hij hen had uitgekozen (Amos 3:1-2) en hoe YHWH Zijn volk in het verleden GENADE had bewezen (Amos 2:9-10).  En wij mogen weten dat God, door alles heen, Zijn doel met het volk bereikt. 

Amos 3:2 Alleen u heb Ik gekend uit alle geslachten op de aarde. Daarom zal Ik u vergelden al uw ongerechtigheden.

God legt een duidelijk verband tussen het grote voorrecht van Israël (alleen u heb Ik gekend) en de grote verantwoordelijkheid die dit voorrecht met zich meebrengt (daarom zal Ik u vergelden). Als Israël dacht dat hun positie als ”een uitverkoren volk” hen minder verantwoordelijk maakte voor God, dan vergisten ze zich lelijk. De maatstaf van ons voorrecht,  is de maatstaf van onze verantwoordelijkheid.

Amos 3:6. Of wordt in een stad de bazuin geblazen zonder dat het volk beeft? Of komt er kwaad in de stad voor zonder dat de HEERE dat doet?

Als het oordeel over de steden van Israël komt, moet iedereen weten dat het de HERE was die het heeft gedaan . Het zal geen ongeluk, lot of pech zijn. Het zal de hand van de YHWH zijn .

Een bijzondere tekst uit dit gedeelte van Amos is hoofdstuk 3 vers 7:

Voorzeker, Adonai YHWH doet niets tenzij Hij Zijn geheimenis heeft geopenbaard aan Zijn dienaren, de profeten.

God openbaart de geheimen van Zijn komende oordeel, zodat de mensen gewaarschuwd kunnen worden en tijd hebben om zich te bekeren en geen reden hebben om verrast te worden. In de praktijk blijkt dat mensen niet zitten te wachten op zo’n waarschuwing en gewoon door willen gaan met hun leven.

Dan is het excuus: “Je kunt dat niet weten want de dag van de Here komt als een dief in de nacht.” Maar voor wie het wel ter harte neemt ligt dat anders:

1 Thessalonicenzen 5:2 Want u weet zelf heel goed dat de dag van de Heere komt als een dief in de nacht.

  1. Want wanneer zij zullen zeggen: Er is vrede en veiligheid, dan zal een onverwacht verderf hun overkomen, zoals de barensweeën een zwangere vrouw, en zij zullen het beslist niet ontvluchten.
  2. Maar u, broeders, bent niet in duisternis, zodat die dag u als een dief zou overvallen.

De Here God heeft de hele geschiedenis aan de profeten – en ook Mozes was een profeet - bekend gemaakt. Daarom zegt Petrus:

En wij hebben het profetische woord, dat vast en zeker is, en u doet er goed aan daarop acht te slaan  als op een lamp die schijnt in een duistere plaats, totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in uw hart. (2 Petrus 1:19)