English & other languages: click here! 

Ezra 9 - Gemengde huwelijken

Veel Joden zijn met heidense vrouwen getrouwd, waardoor in de gezinnen vermenging met de afgodendienst ontstond. Dat kunnen huwelijken zijn die tijdens de ballingschap zijn gesloten en huwelijken met vrouwen uit de heidenen die tijdens hun afwezighed in het land waren gaan wonen, bijv. de Samaritanen. Ezra bedrijft hierover rouw en bidt tot God. Die vermenging had zelfs onder de priesters en Levieten plaatsgevonden, die het onderscheid tussen rein en onrein aan het volk moesten onderwijzen (Ezechiël 22:26). 


Ezra 9:1-2 Toen deze dingen voltooid waren, traden de vorsten op mij toe en zeiden: Het volk van Israël, de priesters en de Levieten hebben zich niet afgezonderd van de volken van de landen rondom wat hun gruwelen betreft, namelijk van de Kanaänieten, de Hethieten, de Ferezieten, de Jebusieten, de Ammonieten, de Moabieten, de Egyptenaren en de Amorieten. 2. Zij hebben immers uit hun dochters voor zichzelf en voor hun zonen vrouwen genomen en hebben het heilige zaad vermengd met de volken van de landen rondom, en de vorsten en de machthebbers hebben als eersten de hand gehad in deze trouwbreuk.

Het volk van Israël, de priesters en de Levieten hebben zich niet afgezonderd van de volken van de landen....... Bileam moest het al - tegen zijn wil - profeteren met woorden over het volk dat alleen woont, een afgezonderd volk (Numeri 23:9b - Deut. 33:28).  Het waren de woorden van God over Zijn volk, zo ziet Hij dat volk; de hele geschiedenis door blijft dit de waarheid; dit volk is door YHWH afgezonderd, dat was geen eigen keuze; hier gaat het over uitverkiezing. Dit volk moest een heilig volk zijn waaruit de Messias geboren moest worden.  Maar Bileam bedacht ook een ander plannetje om het afgezonderd zijn te verbreken (Numeri 31:16; Openb. 2:14) en dat waren de heidense vrouwen die een struikelblok vormden door hen tot afgoderij te verleiden. 

de vorsten en de machthebbers hebben als eersten de hand gehad in deze trouwbreuk....... Zelfs degenen die het volk voor moesten gaan: zoals gewoonlijk zijn het de leiders: de priesters en Levieten, die als eersten de fout ingaan. Zij die het volk hadden moeten onderwijzen uit o.a.  Exodus 34:11-16 en Deuteronomium 7:1-4 hadden het Woord zijn kracht ontnomen  En achter dit alles was het satan - die het heilige zaad van het Verbond met Abraham, waaruit Yeshua voort zou komen - op deze manier probeerde te verontreinigen.

Ezra 9:3 Toen ik deze zaak hoorde, scheurde ik mijn kleed en mijn mantel en ik trok haar van mijn hoofd en uit mijn baard, en ging ontzet zitten.

Ezra 9:3 Toen ik (Ezra) deze zaak hoorde, scheurde ik mijn kleed en mijn mantel en ik trok haar van mijn hoofd en uit mijn baard, en ging ontzet zitten..........    

Tijdens de reis van Babel naar Jeruzalem had Ezra blijkbaar niets gemerkt van de vermenging met heidense vrouwen. Alles verliep goed georganiseerd, ook de overdracht van de kostbaarheden, het brengen van offers voor YHWH. Maar nu hoort Ezra dat er iets goed fout zit. Die heidense vrouwen met hun eigen goden zullen de oorzaak zijn dat het opnieuw mis gaat met Israël. Het was juist de afgoderij waarom het volk in ballingschap was gegaan. Ezra dacht met een schone lei te beginnen, maar het kwaad was al volop aanwezig. En dat zelfs onder de priesters en Levieten! Hij uit zijn verdriet en boosheid door het scheuren van zowel het boven- als het onderkleed. Hij trekt ook nog haren uit zijn hoofd en baard.

Ezra 9:4 Allen die beefden voor de woorden van de God van Israël, verzamelden zich bij mij vanwege de trouwbreuk van de ballingen, en ik bleef ontzet zitten, tot het avondoffer.

Allen die beefden voor de woorden van de God van Israël....... er waren Israëlieten die Gods Woord seriueus namen. Ezra was dus niet alleen in zijn verdriet, zijn schaamte en zijn boosheid. 

ik bleef ontzet zitten, tot het avondoffer...... het avondoffer is om het negende uur, (d.w.z. 3 uur 's middags onze tijd). Op dat tijdstip staat Ezra op uit zijn verbijsterende rouwklacht om te gaan bidden. In Handelingen 3:1 staat dat dit het uur van gebed is. Dan komen er veel mannen bijeen die getuige zouden zijn van Ezra's ontreddering. 

Ezra 9:5-6 Tegen het avondoffer stond ik op uit mijn verootmoediging, waarbij ik mijn kleed en mijn mantel had gescheurd, en ik boog mij op mijn knieën en spreidde mijn handen uit tot de HEERE, mijn God. 6. En ik zei: Mijn God, ik ben te zeer beschaamd en te schande geworden om mijn gezicht tot U op te heffen, mijn God, want onze ongerechtigheden zijn talrijk geworden, tot boven ons hoofd, en onze schuld is groot geworden tot aan de hemel.

Ezra viel op zijn knieën en spreidde zijn handen uit tot de HERE, zijn God........  op dat uur lag het offerlam op het brandofferaltaar en Ezra doet schuldbelijdenis. Bijzonder is dat, terwijl hij part noch deel aan die zonde had, zich toch met zijn volk identificeerde alsof hij met hen gezondigd had.

"Ezra in gebed" - gravure  Gustave Dore, 1865. (Kleuring toegevoegd.)

ik ben te zeer beschaamd en te schande geworden .......Hij voelde zich deel van Gods volk en schaamde zich diep dat het opnieuw zover was gekomen. Ezra kon zelfs zijn gezicht niet naar God opheffen. Hij voelde zich net zo schuldig als Ezau destijds, maar Ezau beleed zijn schuld niet bij het offerlam.

Genesis 4:6 En de HEERE zei tegen Kaïn: Waarom bent u in woede ontstoken en waarom heeft u uw hoofd laten zakken? 7. Is het niet zo dat u, als u het goede doet, uw hoofd kunt opheffen?

onze ongerechtigheden zijn talrijk en onze schuld is hemelhoog..... ook hier wordt weer beleden onze ongerechtigheden en onze schuld en Ezra zegt  niet: hun ongerechtigheden en hun schuld. En het lam ligt daar te verteren in het vuur. Het is ook goed voor ons om bij het LAM schuldbelijdenis te doen, het LAM dat ook de prijs heeft betaald voor de gelovigen onder het eerste verbond (Rom. 3:25).

Ezra 9:7-9 Vanaf de dagen van onze vaderen zijn wij in grote schuld tot op deze dag, en door onze ongerechtigheden zijn wij overgegeven, wij, onze koningen en onze priesters, in de hand van de koningen van de landen rondom, aan het zwaard, aan gevangenschap en aan plundering en openlijke schande, zoals op deze dag. 8. En nu was er voor een klein ogenblik genade van de HEERE, onze God, om ons gelegenheid tot ontkoming te laten en om ons vastheid te geven in Zijn heilige plaats, om onze ogen te verlichten, onze God, en ons enige opleving te geven in onze slavernij. 9. Want wij zijn wel slaven, maar in onze slavernij heeft onze God ons niet verlaten, maar heeft Hij ons goedertierenheid bewezen bij de koningen van Perzië, door ons enige opleving te geven om het huis van onze God te doen herrijzen en om de ruïnes ervan te herstellen, door ons een omheining te geven in Juda en in Jeruzalem.

wij zijn in grote schuld tot op deze dag....... Ezra beseft dat het volk dat God heeft uitverkoren zozeer afwijkt van Gods Tora. Hij  betrekt ook het voorgeslacht in die schuld en sluit zichzelf niet uit. Hij is deel van dat volk. Hij erkent dat dit de reden is dat ze met hun koningen en priesters (hun leiders) met recht moesten worden overgeleverd aan het zwaard, aan gevangenschap en aan plundering en openlijke schande. 

er was voor een klein ogenblik genade van de HEERE, onze God....... even leek alles weer goed te worden. Ze mochten terugkeren naar het Beloofde Land, naar het geliefde Jeruzalem. De voorspoedige terugtocht beladen met kostbare geschenken.  Ze mochten opnieuw een tempel bouwen. Het gaf weer nieuwe levensmoed in de slavernij van de ballingschap.

om onze ogen te verlichten...... dit doet denken aan een zinsnede uit het gebed van Paulus voor de Efeziërs: namelijk verlichte ogen van uw verstand, om te weten wat de hoop van Zijn roeping is, en wat de rijkdom is van de heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen. Efeze 1:18  Met door de Geest verlichte ogen krijgen we zicht op onze roeping, krijgen we wijsheid en openbaring van God. 

maar in onze slavernij heeft onze God ons niet verlaten...... de manier waarop de koningen van Perzië hen terwille waren was een duidelijk bewijs van Gods bemoeienis, die ook heidense koningen kan laten doen wat Hem behaagt.  Deze koningen zorgden ervoor dat het bouwen van de tempel kon plaatsvinden en voorzagen ook in de kosten en materialen om de muur om de stad te herbouwen. Echter,  de muur om Jeruzalem was nog niet klaar, die kwam pas gereed onder Nehemia. (Nehemia 6:15) Waarschijnlijk is de zin 'omheining om Juda' meer bedoeld als een uitdrukking die bescherming weergeeft. Het Hebreeuwse woord 'khader'  גָּדֵר Strong 1447 kan ook 'muur', 'heg' of 'omtuining' betekenen. Juda bleef een vazalstraat onder de heerschappij van de Perzische koning Arthasasta. Daarom zei Ezra "wij zijn wel slaven".

Ezra 9:10-14 En nu, wat zullen wij hierop zeggen, onze God? Wij hebben immers Uw geboden verlaten, 11. die U had gegeven door de dienst van Uw dienaren, de profeten, door te zeggen: Het land dat u binnengaat om het in bezit te nemen, is een onrein land, door de onreinheid van de volken van de landen rondom, door hun gruwelen, waarmee zij het hebben gevuld van het ene einde tot het andere einde, met hun onreinheid. 12. Welnu, u mag uw dochters niet aan hun zonen geven, en hun dochters mag u niet ten huwelijk nemen voor uw zonen; u mag tot in eeuwigheid niet naar hun welstand streven, of naar het goede voor hen, opdat u sterk zult zijn en het beste van het land zult eten, en het uw kinderen in bezit zult geven tot in eeuwigheid. 13. Na alles wat door onze slechte daden en door onze grote schuld over ons gekomen is – terwijl, U, onze God, verhinderd hebt dat wij ten onder zouden gaan vanwege onze ongerechtigheden, en U ons gelegenheid tot ontkoming gegeven hebt zoals deze – 14. zullen wij dan terugkeren om Uw geboden te breken en om huwelijksbanden aan te gaan met de volken die deze gruwelen doen? Zou U dan niet tot vernietigens toe op ons toornen, zodat er geen overblijfsel of ontkoming meer zou zijn?

Wat zullen wij hierop zeggen, onze God? Wij hebben immers Uw geboden verlaten...... de geboden die Ezra hier benoemt houden de vermenging met de afgodische heidenen in. God spreekt over 'gruwelen', Hij gruwt van die heidense onreinheid. Hij gruwt van zulke gemengde huwelijken en weet dat het nageslacht dat zal overnemen (Deut. 18:15; Deut. 34:10).

u mag tot in eeuwigheid niet naar hun welstand streven.... Het volk is zelfs jaloers op de goede positie van de afgodische heidenen. En nu, na de straf, de ballingschap, vervallen ze weer in hetzelfde kwaad. 

U, onze God, hebt verhinderd dat wij ten onder zouden gaan vanwege onze ongerechtigheden...... doordat Juda de mogelijkheid kreeg terug te keren naar het Beloofde Land, was de straf milder uitgevallen dan verwacht. Ezra had zich verheugd over die genade. Hij voelt het gewicht van de zonde van het volk waarvan hij deel uitmaakt, hoewel hij persoonlijk daar niet voor verantwoordelijk was. Toch sluit hij zichzelf niet uit. Maar nu ze opnieuw de fout zijn ingegaan zou er dan nog een terugweg mogelijk zijn? 

Zou U dan niet tot vernietigens toe op ons toornen, zodat er geen overblijfsel meer zou zijn...... Ezra bidt ten aanhore van het volk waardoor men beseft hoe ernstig de zaak ervoor staat. In Ezra's gebed erkent hij dit voor God's aangezicht mede namens het volk.

Ezra 9:15 HEERE, God van Israël, U bent rechtvaardig, want er is ons gelegenheid tot ontkoming gelaten, zoals op deze dag. Zie ons voor Uw aangezicht in onze schuld, want er is niemand die hierom voor Uw aangezicht staande kan blijven.

HEERE, God van Israël, U bent rechtvaardig, want er is ons gelegenheid tot ontkoming gelaten...... Ezra voelt aan dat ze God niet onder ogen kunnen komen. Daarom schaamt hij zich. En God was niettegenstaande dat zo rechtvaardig om hen de gelegenheid te geven uit de ballingschap te komen. Rechtvaardig? Is dat rechtvaardig? Ja, want die rechtvaardigheid spreekt uit dat lam dat dichtbij Ezra op het brandofferaltaar ligt te smeulen. Het verwijst naar het LAM dat de zonde op zich nam en dat Zijn bloed gaf om de zonde te vergeven. Ook Paulus noemt het de rechtvaardigheid van YHWH wanneer Hij voorbijgaat aan de zonde:

Romeinen 3:25 Hem heeft God openlijk aangewezen als middel tot verzoening, door het geloof in Zijn bloed. Dit was om Zijn rechtvaardigheid te bewijzen vanwege het voorbijgaan aan de zonden die eertijds hadden plaatsgevonden onder de verdraagzaamheid van God.

Ezra droeg mede de ongerechtigheden van Zijn volk en was daarmee een beeld van Yeshua:

Ida