English & other languages: click here!

Hooglied 2:8 - 3:5 (A)

Over de lente kan je lezen in het boek Hooglied. Daar wordt het ook zo mooi poëtisch beschreven.

Hooglied 2:8-3:5 8 Luister! Ik hoor mijn liefste roepen! Kijk, daar komt hij, Hij springt over de bergen, huppelt over de heuvels. 9 Mijn liefste lijkt op een gazelle, of op een hertenjong. Kijk, nu staat hij achter onze muur. Hij kijkt stiekem door de ramen, gluurt tussen de tralies door. 10 Mijn liefste wil me spreken. Hij zegt: ’Mijn schat, sta op, mooi meisje, en kom! 11 Want de winter is voorbij, het regent niet meer. 12 De bloemen bloeien en de vogeltjes zingen. Overal hoor je de tortelduiven koeren.  13 Er zitten al vijgen in de vijgenboom. De wijnstruiken staan al in bloei en geuren heerlijk. Mijn schat, sta op, mooi meisje, en kom! 14 Duifje van me, kom uit je rotsspleet! Kom uit je schuilplaats in de rots! Laat me je zien, laat mij je stem horen. Want jouw stem klinkt mij als muziek in de oren. En je bent zo mooi!

15 Ga voor ons de vossen vangen, die kleine vossen die onze wijngaard vernielen nu die in bloei staat.’ 16 Mijn liefste is van mij en ik ben van hem. Ik ben van hem die zijn schapen tussen de lelies hoedt. 17 Als de dag aanbreekt en het donker verdwijnt, kom dan hierheen, springend als een gazelle, liefste, springend als een hertenjong op de bergen."

Hooglied 3

1 ‘s Nachts, als ik in bed lig, droom ik dat ik mijn liefste zoek. 2 Ik zocht hem, maar kon hem nergens vinden. Ik droomde dat ik opstond en door de stad liep. Ik zocht in de straten en op de pleinen naar mijn allerliefste. 3 De wachters van de stad zagen mij toen ze hun ronde deden. Ik vroeg aan hen: ‘Hebben jullie mijn liefste ook gezien?’

4 Ik was hen nog maar net voorbij, toen ik hem zag. Ik greep hem vast en wilde hem niet meer loslaten. Ik wilde hem eerst naar het huis van mijn moeder brengen. Ik bracht hem naar de kamer waar ik geboren ben. 5 Meisjes van Jeruzalem, ik zweer bij de gazellen en de herten: je moet de liefde niet dwingen. Je moet wachten tot de liefde vanzelf komt!

Het Hooglied biedt geen doorlopend verhaal. Er worden bepaalde scènes bezongen. Nu is het meisje thuis. Tot haar grote vreugde komt haar vriend ook daarheen. Hoeveel jongens hebben zo voor het huis van een meisje gestaan! Deze jongen probeert een glimp van zijn vriendinnetje op te vangen (Hooglied 2:9). Hij roept haar zelfs (Hooglied 2:10). Hij probeert haar naar buiten te lokken. Daar is het zo heerlijk, want het is lente (Hooglied 2:11-14). Dat is bij uitstek de tijd om de liefde te beleven. Maar er zijn blijkbaar hindernissen. In Hooglied 2:15 zal het meisje aan het woord zijn. Zij had tot taak wijngaarden te bewaken.

Hooglied 1:6 Let er niet op dat mijn huid zo donker is, dat hij donkerbruin is van de zon. Mijn broers waren hard voor mij. Ik moest van hen de wijngaard bewaken. Maar voor mijzelf, mijn eigen wijngaard, heb ik niet gezorgd.

Ze weet dus wat daarbij komt kijken. Vossen willen de druiven stelen. Ze ondergraven de afrastering. Kleine vossen proberen door een gat in de heg binnen te dringen. Zo kan ook een verhouding op allerlei manier verstoord worden. Bijvoorbeeld door ergernis, omdat je niet op elk moment tijd voor elkaar vrij kunt maken. Het meisje kan niet zomaar uit huis weglopen wanneer haar vriend verschijnt. Hij moet wachten tot ‘s avonds (Hooglied 2:16,17).

Of kon haar vriend daar niet op wachten? ‘s Nachts droomt ze tenminste dat ze hem kwijt is. Ze beleeft een bang avontuur. In haar droom maakt ze een vergeefse nachtelijke zoektocht door de stad. Maar dan ineens is haar vriend er en ze neemt hem mee naar huis. Zo wordt ze dan toch nog glimlachend wakker (Hooglied  3:1-4). Intussen heeft ze wel gemerkt dat liefde ook altijd lijden met zich meebrengt. Het gemis van de geliefde geeft een wee gevoel. De vriendinnen praten soms zo gemakkelijk over de liefde. Maar weten ze wel wat echte liefde met zich meebrengt (Hooglied 3:5)?

Hier zien we duidelijk hoe levendig het eraan toegaat in de relatie van de twee jonge mensen die zoveel van elkaar houden.

De jongen verlangt naar het meisje. Maar zij kan er niet direct aan voldoen. Hij moet wachten. Daarna overvalt haar de angst hem kwijt te zijn, totdat ze hem tot haar grote vreugde weer vindt. Zo levendig gaat het toe in de verhouding tussen twee mensen, maar ook in de verhouding tussen God en Zijn volk en tussen Christus en Zijn gemeente. Dat is ook een liefdesgeschiedenis met alle wisselingen vandien. Dat is ook een avontuur.

Psalm 42

1 Voor de leider van het koor. Een lied voor de Korachieten, om iets van te leren. 2 Zoals een hert hevig verlangt naar water, zo verlang ik hevig naar U, God.

3 Ik heb dorst naar U, de levende God. Wanneer zal ik weer bij U komen? Wanneer zal ik weer vóór U mogen staan?

4 Dag en nacht huil ik. Ik eet niets anders dan mijn tranen. Want aldoor zeggen de mensen tegen mij: "Waar is nu die God van jou?"

5 Ik moet er weer aan denken hoe ik samen met heel veel anderen naar uw heiligdom ging. Ik ging voorop en we jubelden en juichten. We vierden met z’n allen feest.

6 Ik zeg tegen mezelf: "Waarom ben je zo treurig? Waarom ben je zo onrustig? Vertrouw op God! Hem zal ik prijzen. Hij is mijn Redder, Hij is mijn God!"

7 Ik voel me erg verdrietig. Daarom denk ik aan U, hier in het gebied van de Jordaan en de Hermonbergen vér van uw huis.

8 Golf na golf slaat over mij heen. Bruisend en schuimend spoelen uw golven over mij heen.

9 Toch houdt de Heer elke dag van mij. Elke nacht heb ik een lied in mijn binnenste. Dat lied is een gebed tot de God die mijn leven leidt.

10 Ik zeg tegen Hem: "U bent de rots onder mijn voeten. Waarom bent U mij vergeten?" Waarom maken mijn vijanden me het leven zo moeilijk? Ik loop in zwarte kleren vanwege alle ellende.

11 Mijn vijanden zeggen aldoor tegen me: "Waar is nu die God van jou?" Hun haat is als een messteek in mijn hart.

12 Ik zeg tegen mezelf: "Waarom ben je zo treurig? Waarom ben je zo onrustig? Vertrouw op God! Hem zal ik prijzen. Hij is mijn Redder, Hij is mijn God!"

Psalm 63 (van David, zijn naam betekent "geliefde")

1 Een lied van David, toen hij in de woestijn van Juda was.

2 God, mijn God, wat verlang ik naar U! Met hart en ziel verlang ik naar U, zoals een dor en droog land verlangt naar water.

3 Ik heb U in uw heiligdom gezien. Daar heb ik gezien hoe sterk en machtig U bent.

4 Uw liefde is mij meer waard dan het leven. Ik zal U prijzen.

5 Mijn leven lang wil ik U prijzen. Ik zal mijn handen naar U opsteken.

6 Bij U voel ik mij net zo tevreden als na een heerlijke maaltijd. Ik zing blij over U.

7 Als ik ‘s nachts wakker lig en aan U denk, prijs ik U.

8 Want U heeft mij geholpen. Veilig onder uw vleugels zing ik vrolijk voor U.

9 Ik wil altijd dicht bij U zijn, want ik kan niet zonder U. U houdt mij altijd vast.

10 Maar mijn vijanden die mij willen doden, zullen zelf worden gedood.

11 Ze zullen worden gedood door het zwaard en opgegeten worden door de jakhalzen.

12 Maar de koning zal blij zijn met God.

Iedereen die bij God zweert, zal blij zijn over Hem.

Want Hij snoert leugenaars de mond.