English: click here!

Jozua 2: 1-24 Rachab de hoer

In dit hoofdstuk maken we kennis met Rachab de hoer uit Jericho, die zoals het in die volken gebruikelijk was, er ook een logement op na hield. Deze historie heeft raakvlakken met de geschiedenis van de verspieders in Numeri 13. Hierbij zagen we de naam van Jozua en Kaleb voorbij komen en daarover wil ik een stukje van Ariël Berkowitz citeren:

De beroemdste namen in de verspiederslijst zijn Hosjéa' en Kaléw (Jozua en Kaleb). We kennen ze omdat zij de twee helden in de groep bleken te zijn. Zij sjouwden na 40 dagen de enorme druiventros aan een draagboom (samen met vijgen en granaatappelen) terug naar de legerplaats van Israël. Zij waren in Hebron, de grafstede van de Aartsvaders 

geweest. Een stukje thuis! Over Hosjéa' (Jozua) wordt in de tekst gezegd, dat Mozes hem een veranderde naam gaf: "Jehoshoea'."(13:16). Hertz geeft misschien de aard van deze naamsverandering het beste weer. “De verandering was al gemaakt in de tijd van de overwinning op Amelek ...Hosjéa betekent: "Hij heeft geholpen." Mozes zette er één letter van de Godsnaam voor, waardoor hij veranderde in Jehosjoea' d.w.z. "Hij, de Heer, zal helpen", tegelijkertijd wijst dit de Bron van redding aan!"

De toevoeging van de Hebreeuwse letter (y) vooraan aan zijn naam Hosjéa', verandert ook de tijd naar de toekomst. Hierom kunnen we zeggen, dat zijn naam betekent: "De Heer zal redden/helpen/verlossen."

Na de rebellie van het volk volgde een droevige, maar ook dramatische tijd. Allen boven de 20 jaar zouden tijdens een 40-jarig oponthoud sterven en in de woestijn begraven worden. Het volk ging op eigen houtje een strijd met Amelek aan, ondanks de waarschuwing van God, via Mozes, om dat niet te doen. Een nederlaag was het gevolg en velen stierven in de strijd. 

Totdat een nieuwe generatie opstond. Met hen kon God verder gaan onder leiding van Jozua.

Jozua zond nu echte spionnen naar Kanaän, dus geen verkenners zoals in Numeri 13 en 14.. De namen van deze mannen worden daarom niet bekend gemaakt. We lezen in het hoofdstuk hoe ze terecht kwamen bij het logement van Rachab de hoer. Deze vrouw wist dat YHWH het volk Israël door de Rode Zee had laten trekken. Ze wist dat het land Kanaän voor Gods volk bestemd was en dat de inwoners sidderden voor het volk Israël dat zich in hun richting verplaatste.

“Wij hebben gehoord dat de HEERE het water van de Schelfzee voor uw ogen heeft doen opdrogen, toen u uit Egypte ging. En ook wat u hebt gedaan met de twee koningen van de Amorieten, Sihon en Og, die aan de andere zijde van de Jordaan waren, die u met de ban geslagen hebt. Toen wij dat hoorden, smolt ons hart weg van angst, en vanwege u bestaat er geen moed meer in iemand, want de HEERE, uw God, is een God boven in de hemel en beneden op de aarde.” (Jozua 2:10-11)

Jahweh zou ze brengen naar dat land en had beloofd er Zelf voor te zullen strijden, zodat ze het Beloofde Land als hun erfdeel konden innemen. Zo konden ze zelfs een bovennatuurlijke ingreep van Jahweh verwachten.

Ook in onze tijd ziet God toe hoe wij over ons beloofde erfdeel spreken en Hij merkt het of wij Zijn Naam bewust of onbewust lasteren. De ontwikkelingen die we om ons heen zien kunnen ons benauwen. Wij zijn geroepen om te verstaan wat ons erfdeel van de heiligen in het licht (Koll. 1:12) inhoudt en Hem daarvoor te danken en te eren.

De verspieders vertrekken uit Sittim, dat in het Overjordaanse, in de vlakte van Moab ligt. (Num. 33:48-49) zo'n 10 km verwijderd van de Jordaan. Ze moesten de Jordaan over om Jericho te bereiken. Er waren geen bruggen over de Jordaan, maar wel een aantal doorwaadbare plaatsen. Deze geschiedenis vindt plaats gedurende de drie dagen dat Jozua het volk heeft opgedragen aan de oevers van de Jordaan te wachten (Jozua 1:11). God heeft een speciaal doel voor deze drie dagen.

De vreemdelingen in die stad vallen op. De koning van Jericho hoort ervan en beveelt zijn soldaten ze op te sporen. In die tijd waren er in Kanaän meerdere steden die een eigen koninkrijkje vormden met een eigen koning. (zie Jozua 12). 

Rachab geloofde in de God van Israël en bood de spionnen ook alle hulp aan. Ze vertelde de spionnen dat de inwoners van de stad bang waren voor Israël. De Kanaänieten sidderden van angst toen ze dat hoorden. De Bijbel vermeldt: hun harten smolten weg van angst (Jozua 2:9-11) Maar Rachab heeft geloof in de God van Israël en zij vraagt de verspieders dan ook om haar en haar familie te sparen. De verspieders moeten wel erg bemoedigd zijn door het contact met deze vrouw, die partij kiest voor de God van Israël. God laat hen door haar weten dat ze niet bang hoeven te zijn om de stad in te nemen. 

Rachab komt de beide mannen op allerlei manieren te hulp. Om te voorkomen dat de mannen worden opgepakt, heeft ze ze laten verstoppen onder het vlas dat op het dak van haar huis lag te drogen. Tegen de boodschappers van de koning zei ze dat er inderdaad mannen bij haar hebben gelogeerd, maar dat die 's avonds, bij het sluiten van de stadspoort waren vertrokken. En dat verhaal vertelde ze, terwijl de mannen zich op het dak van haar huis bevonden. 

Zo leidde Rachab de boden van de koning van Jericho om de tuin en liet de spionnen ontsnappen via een rood koord dat uit het raam hing. Zij en haar familie zouden worden gered door datzelfde scharlaken koord dat bij de inname van Jericho uit het raam zou hangen. Dat hadden de verspieders onder ede aan haar beloofd.

De verspieders verbleven op advies van Rachab drie dagen in het bergland, om de zoekactie van de koning van Jericho te laten mislukken. Daarna keerden ze terug naar hun volk in Sittim, waar ze verslag uitbrachten aan Jozua. Dat lezen we in het laatste vers van dit hoofdstuk:
Jozua 2:24 en zeiden tegen Jozua: Zeker, de HEERE heeft ons heel dat land in handen gegeven, want ook alle inwoners van het land zijn voor ons weggesmolten van angst.

Connecties in de Tenach tussen het volk Israël dat Egypte verliet, en de twee vrouwen Tamar en Rachab.

Het rode koord is een verwijzing naar het bloed van het Lam dat redding biedt, net zo als het rode koordje dat om het handje van Zerah, het zoontje van Tamar en net zo als het rode bloed aan de deurposten, toen Israël’s eerstgeboren zonen werden gered bij het verlaten van Egypte. Zie bovenstaand schema.

Tamar en Rachab waren beiden heidense vrouwen die rekening met God hielden en die voorkomen in het geslachtregister van David en Yeshua de Messias. Ze hadden allebei een doodsbedreiging boven het hoofd hangen en waren ook verbonden door het thema “prostitutie”. Er was bij beiden iets om te verstoppen, ze moesten allebei thuis blijven en hadden ook allebei iets met een rood koord dat naar het reddende bloed van Yeshua verwijst…. een teken van behoud!  

In Mattheüs 1:5 staat dat Rachab de moeder werd van Boaz en dat ze zo in het geslachtsregister van Yeshua een plaats inneemt. In Hebreeën 11:31 lezen we: Door het geloof is Rachab, de hoer, niet met de ongehoorzamen omgekomen, daar zij de verspieders met vrede had opgenomen.

Het Scharlaken koord… Scharlaken is een rode kleur en daarom een beeld van het bloed van het Lam.