English & other languages: click here!

Psalm 78 Gods geduld met Zijn volk

1-4. Mijn volk, neem mijn onderricht ter ore, neig uw oor tot de woorden van mijn mond. 2. Ik wil mijn mond met spreuken opendoen     en van aloude verborgenheden doen overvloeien, 3. die wij gehoord hebben en weten en onze vaders ons verteld hebben. 4. Wij zullen ze niet verbergen voor hun kinderen, maar aan de volgende generatie de loffelijke daden van de HEERE vertellen,  Zijn kracht en Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft.

Deze psalm is een leerdicht (v. 1,2) een lied vol instructies, die aan de hand van voorbeelden uit het verleden wordt aangereikt. Dit is  de eerste geschiedkundige psalm uit het Psalmboek. Nadrukkelijk wordt ons gezegd dat wat geschied is, de geschiedenis, heel belangrijk is (v. 3,4). God wil dat we lering trekken uit het verleden. Met als hoofddoel: doorvertellen wat Hij gedaan heeft, opdat óók volgende generaties op Hem hun vertrouwen stellen (v. 5-7). Alleen dan is er toekomst. Aan de ene kant waarschuwt de geschiedenis ons om niet ontrouw te zijn. Aan de andere kant worden we bemoedigd door Gods trouwe genade.

De psalm begint met de vermelding van de schrijver/dichter  Asaf. Deze man was door Koning David aangesteld als hoofd van de zangers (1 Kron. 15:17). In 1 Kron. 6:39-43 lezen we dat hij een Leviet was. De bijbel noemt Asaf (en zijn zonen) profeten. (1 Kronieken 25:1:1-7. Vgl. 2 Kronieken 29:30).   De psalmen die hij schreef hebben meestal een onderwijzend karakter.

Asaf roept allereerst op om “het oor te neigen”, d.w.z, mensen, luister goed: het is belangrijk wat ik vertel. In het Hebreeuws staat er “shema”, d.w.z. “hoor!”, want Asaf gaat spreken over de grote daden die God verricht heeft voor Zijn volk.

Yeshua/Jezus verwijst naar vers 2 van deze psalm, als Hij gelijkenissen vertelt aan de scharen die Hem volgden:     opdat vervuld zou worden wat gesproken is door de profeet, toen hij zei: Ik zal Mijn mond opendoen met spreuken (of gelijkenissen); Ik zal over dingen spreken die verborgen waren vanaf de grondlegging van de wereld. (Matt. 13:35)

Nu brengt Asaf geen heilsfeiten in herinnering die verborgen waren, tenzij deze niet door de ouders en grootouders waren doorverteld aan de kinderen. Het doorvertellen is eveneens een gebod van God. (Exodus 10:2) Deut. 4:9  Alleen, wees op uw hoede en neem uzelf zeer in acht! Anders vergeet u de dingen die uw ogen gezien hebben, en anders wijken ze uit uw hart alle dagen van uw leven. U moet ze uw kinderen en uw kleinkinderen bekendmaken:   

Asaf wekt het volk dan ook op dat te doen. Hoe meer ouders, maar ook grootouders, hun kinderen onderwijzen, des te  beter is het;  dominees en onderwijzers waren nooit bedoeld als vervanging van de taak van een vader en moeder.

Ook wij, in onze tijd, mogen ons buigen over de bijzondere daden die God aan Zijn volk verricht heeft, toen Hij ze uit Egypte leidde. Ook wij moesten ons slavenhuis “Babel” verlaten waar we gewend waren geraakt aan een zondig leven met wereldse normen,  geboden en pleziertjes en een God die ergens veraf een rol speelde. Als we zien hoe God handelde, hoe heilig Hij is en hoe mooi Zijn verlossingsplan in elkaar zit, dan kunnen wij ook met vol vertrouwen onze hoop op Yahweh stellen.

Deze psalm benadrukt de kracht en de wonderbare werken van God – niet de kracht of de wonderbare werken van Zijn volk. Deze psalm is opmerkelijk eerlijk over de tekortkomingen van Gods volk.

 

Psalm 78:5-8 Want Hij heeft een getuigenis ingesteld in Jakob, een wet vastgesteld in Israël; die heeft Hij onze vaderen geboden om ze hun kinderen bekend te maken, 6. opdat de volgende generatie ze zal kennen, de kinderen die geboren zullen worden, en zij opstaan en ze weer aan hun kinderen vertellen; 7. zodat zij hun hoop op God stellen en Gods daden niet vergeten, maar Zijn geboden in acht nemen, 8. en niet worden als hun vaderen: een opstandige en ongehoorzame generatie, een generatie die zijn hart niet richtte op God en van wie de geest niet trouw was aan God.

Maar als we vergeten wat God deed en verzuimen onze kinderen te onderwijzen, misschien omdat het overschaduwd wordt door wat we zelf zo belangrijk en noodzakelijk vinden, dan hebben we ook geen boodschap meer aan zijn geboden. Op die manier werd Israël een opstandige en ongehoorzame generatie. Onze kinderen moeten niet alleen worden onderwezen, ze moeten ook worden geleerd hun kinderen te onderwijzen, zodat het woord en het werk van God door de generaties heen zullen voortduren. 

Het vertellen aan de kinderen kan heel goed op een natuurlijke, speelse wijze plaatsvinden. Het is een onderdeel van de omgang met elkaar in ons dagelijks leven. 

Deut. 6:7  U moet ze uw kinderen inprenten en erover spreken, als u in uw huis zit en als u over de weg gaat, als u neerligt en als u opstaat.

 

Deze dingen zijn  volgens de Bijbel  beschreven tot een waarschuwing voor ons. (1 Korinthe 10:11) Het staat er met het christendom heus niet beter voor.  Is ons hart echt gericht op God?

Asaf heeft het niet in de eerste plaats over wat er gedaan moet worden, maar hij heeft het over het hart en de geest van de mens. Als dat voortdurend in verbinding staat en gericht is op God, dan komt het met de daden ook wel goed.

 

Psalm 78:9-11 De zonen van Efraïm, gewapende boogschutters, keerden om op de dag van de strijd. 10. Zij namen Gods verbond niet in acht en weigerden te wandelen in Zijn wet. 11. Zij vergaten Zijn daden en Zijn wonderen, die Hij hun had laten zien.

 

De stam van Efraïm was een van de grotere stammen van Israël, en soms noemt God de 10 stammen van Israël " Efraïm.”. Waarschijnlijk heeft dit te maken met de gebeurtenissen opgeschreven in 2 Kronieken 25:7-10. Dat ze “weigerden te wandelen in Gods wet” zien we helaas ook in veel kerken. Men zegt niet ronduit “dat willen we niet”, maar er is al generaties lang door de leiders een vals motief geïntroduceerd: “de wet is afgeschaft”. Zo’n argument klinkt minder rebels, maar is wel ingegeven door de grote rebel, de tegenstander van God.

 

Psalm 78:12 Voor de ogen van hun vaderen had Hij wonderen gedaan in het land Egypte, in het gebied van Zoan. 13. Hij spleet de zee doormidden en deed hen erdoor gaan, de wateren deed Hij rechtop staan als een dam. 14. Hij leidde hen overdag met een wolk, de hele nacht met een lichtend vuur.15. Hij spleet de rotsen doormidden in de woestijn en liet hen overvloedig drinken als uit diepe wateren.16. Want Hij bracht stromen voort uit de rots en deed water neerstorten als rivieren.  
Asaf herinnert aan Gods wonderen. Hij noemt de stad Zoan in Egypte waar Mozes zijn wonderen deed. Die naam komen we eerder niet tegen in de Tora. Men veronderstelt dat dit Raämses was dat in de Nijldelta ligt. (Raamses was de stad die de Israëlieten hielpen bouwen: Exodus 1:11 )  Asaf noemt de splitsing van de zee, de wolk en de vuurkolom waarin God het volk begeleidde. Hij verhaalt hoe God op wonderlijke wijze zorgde voor voedsel en water.

Dit deel van psalm 78 is een dringende oproep om voortdurend de grote daden van God te gedenken erover te spreken en ervan te getuigen. Die oproep was er niet voor het eerst in de tijd van koning David. God had het volk er al veel eerder op gewezen:

Asaf spreekt tot het volk Israël. Het psalmgedeelte is niet bedoeld voor de gelovigen uit de heidenen om te oordelen dat het volk Israël toch wel heel slecht was. Het was een oproep in “eigen huis”.  Asaf wilde zijn eigen volksgenoten aansporen om God lief te hebben en te gehoorzamen. Zo moeten ook wij dat doen ten opzichte van onze medegelovigen.


Psalm 78:13-16 Hij spleet de zee doormidden en deed hen erdoor gaan, de wateren deed Hij rechtop staan als een dam. 14. Hij leidde hen overdag met een wolk, de hele nacht met een lichtend vuur. 15. Hij spleet de rotsen doormidden in de woestijn en liet hen overvloedig drinken als uit diepe wateren. 16. Want Hij bracht stromen voort uit de rots en deed water neerstorten als rivieren.

In het vervolg van deze psalm zien we een gebrek aan vertrouwen in God. Asaf gaat terug naar de tijd van de uittocht door de woestijn. Israël moest nog veel leren. Een slavenvolk dat zojuist was bevrijd leerde God kennen. Tijdens hun vierhonderd jarig verblijf in Egypte was hun denken heidens ontwikkeld. Bij de Sinaï waren ze officieel een theocratische natie geworden met wetten door God zelf gegeven. We lezen in bovenvermeld psalmgedeelte drie keer het woordje ”zou”. Zou God een tafel kunnen aanrichten, zou Hij wel brood kunnen geven, zou Hij wel voor vlees kunnen zorgen?

Psalm 78:17-19 Toch gingen zij door met tegen Hem te zondigen: zij tergden de Allerhoogste in de dorre wildernis.18. Zij stelden God in hun hart op de proef: zij vroegen om voedsel, overeenkomstig hun verlangen. 19. Zij spraken tegen God en zeiden: Zou God een tafel gereed kunnen maken in de woestijn? 20. Zie, Hij heeft de rots geslagen, zodat er water uitvloeide en er beken overvloedig uitstroomden. Zou Hij ook brood kunnen geven? Zou Hij Zijn volk van vlees kunnen voorzien? 18 Zij stelden God in hun hart op de proef: zij vroegen om voedsel, overeenkomstig hun verlangen. 19. Zij spraken tegen God en zeiden: Zou God een tafel gereed kunnen maken in de woestijn? 

 Het volk in de woestijn stelde God vanuit hun hart op de proef door te vragen om voedsel wat ze zelf zouden uitkiezen. God voorzag in de behoeften van Israël in de woestijn, Hij wist wat het beste voor hen was. Maar het volk stelde luxe eisen. God gaf hen manna, maar ze wilden al snel vlees en vis – “het voedsel van hun verlangen” (zoals in Numeri 11:4-10 , Numeri 11:18-23 en Numeri 11:31-34 ). Hiermee stelden zij  God op de proef. Hieruit bleek hun gebrek aan geloof in Zijn macht en het ontbreken aan vertrouwen in Zijn zorg. Ze maakten het Mozes hiermee zo moeilijk dat deze begeerde te sterven. Numeri 11:15. Waren ze vergeten dat God hen gered had uit de handen van de slavendrijvers die hun kinderen vermoordden? Dat God een liefdevolle God is? Maar God laat zich niet bespelen. 

Ze vroegen zelfs om een tafel klaar te maken in de woestijn. Iets wat God als een geestelijke werkelijkheid deed voor David (Psalm 23:5)

Psalm 78:20. Zie, Hij heeft de rots geslagen, zodat er water uitvloeide en er beken overvloedig uitstroomden. Zou Hij ook brood kunnen geven? Zou Hij Zijn volk van vlees kunnen voorzien? 21. Daarom hoorde de HEERE het en werd verbolgen; een vuur ontstak tegen Jakob, ja, toorn laaide op tegen Israël.
22. Want zij geloofden niet in God en vertrouwden niet op Zijn heil. 23. Hij gebood de wolken daarboven en opende de deuren van de hemel: 24. Hij liet manna op hen regenen om te eten en gaf hun hemels koren. 25. Eenieder at het brood van de machtigen; Hij zond hun proviand tot verzadiging toe. 26. Hij deed de oostenwind opsteken langs de hemel en voerde door Zijn macht de zuidenwind aan. 27. Hij liet vlees op hen regenen als stof en gevleugelde vogels als zand van de zee. 28. Hij deed het vallen midden in Zijn kamp, rondom Zijn woningen. 29. Toen aten zij en werden volop verzadigd, omdat Hij hun bracht wat zij begeerden. 30. Zij waren van hun begeerte nog niet bekomen, hun voedsel was nog in hun mond, 31. of Gods toorn laaide tegen hen op: Hij doodde de welgedane mensen onder hen en velde de besten van Israël neer.

God had grote wonderen verricht. De plagen die Egypte troffen, waarbij Israël gespaard bleef, met als hoogtepunt het bloed van het lam aan de deurpost, waarbij de doodsengel hen voorbij ging, de doortocht door de Schelfzee, de openbaring op de Sinaï, het manna, water uit de rots. Maar wonderen garanderen geen geloof.  Ze kunnen wel bestaand geloof bevestigen, waardoor men bemoedigd wordt en het vertrouwen op God groeit.

Dat is dan ook de reden dat de gelovigen zich steeds in herinnering moeten brengen wat God gedaan heeft. Dat versterkt hun geloof in moeilijke omstandigheden. God laat het toe dat mensen in moeilijke omstandigheden komen, om hun geloof te beproeven. Er is in dit stukje geschiedenis sprake van een tweezijdige beproeving. Want in eerste instantie stelden de mensen God op de proef en dat kwam voort uit een ongelovig hart. (vs. 18) en daarover kwam Gods toorn. De welgedane mensen en degenen die onder het wantrouwige volk in aanzien waren, werden gedood. Zo moesten ze gehoorzaamheid en vertrouwen leren.

God vond het blijkbaar nodig dat de mensen tijdens de regering van David hieraan herinnerd werden, om daaruit te leren. Daarom liet Hij Asaf deze psalm opschrijven. En nu wij dit lezen kunnen ook wij hieruit lering trekken. Laten we ons ook eens een vraag stellen die met het woordje “zou” begint:  “Zou voor God iets te wonderlijk zijn?”

De Israëlieten vonden ze het manna blijkbaar niet goed genoeg om van te leven. Ze wilden iets anders. En hoewel hun
houding hierin zelfs spottend is (v. 20), geeft de HERE toch gehoor aan hun wensen (v. 21-29). 

Ze twijfelden aan Gods vermogen om brood te geven en een tafel uit te spreiden in de woestijn. Ze kregen vlees in overvloed. Maar nòg waren ze niet tevreden. Het is niet altijd het beste voor ons als al onze gebeden verhoord worden. Zeker
niet als onze motieven totaal verkeerd zijn. Gods trouw is hemelhoog. Dat blijkt onmiskenbaar. Maar ook: als een mens aan alle bewijzen van Gods genade en liefde voorbijziet, richt hij zichzelf te gronde. Leer van het verleden om het vandaag en in de toekomst ànders te doen.