English: click here!

Richteren 15 Simson

Simsons huwelijk verbroken

1 En het gebeurde na [enkele] dagen, in de dagen van de tarweoogst, dat Simson zijn vrouw bezocht met een geitenbokje. En hij zei: Laat mij bij mijn vrouw de kamer binnengaan. Haar vader stond hem echter niet toe om naar binnen te gaan. 2 Want haar vader zei: Ik dacht werkelijk dat je haar zeer haatte. Daarom heb ik haar aan je metgezel gegeven. Is haar jongste zus niet knapper dan zij? Laat zij toch in haar plaats voor jou zijn.

Simsons eigen vrouw is wegggeven aan een ander. Simson is temidden der Filistijnen gebracht en hij weet nu uit eigen ervaring wat Filistijnen zijn.  Geen wonder dat hij boos is. Die boosheid wordt door God gebruikt om hem geschikt te maken voor het verdrijven en uitroeien van de Filistijnen.

Richteren 15:3-8

3. Toen zei Simson tegen hen: Ik ben deze keer onschuldig tegenover de Filistijnen, als ik hun kwaad doe.
4. En Simson ging op weg en ving driehonderd vossen. Hij nam fakkels, keerde staart aan staart en maakte in het midden tussen elke twee staarten een fakkel vast.
5. Hij stak de fakkels aan en liet ze door het staande koren van de Filistijnen lopen. Zo stak hij zowel de korenhopen als het staande koren in brand, alsook de wijngaarden en olijfbomen.
6. Toen zeiden de Filistijnen: Wie heeft dit gedaan? En men zei: Simson, de schoonzoon van de man uit Timna, omdat die zijn vrouw genomen en haar aan zijn metgezel gegeven heeft. Toen trokken de Filistijnen daarheen en verbrandden haar en haar vader met vuur.
7. Daarop zei Simson tegen hen: Als u zo doet, zeker, dan zal ik me op u wreken, en pas daarna ophouden.
8. En hij sloeg hun met een grote slag de botten stuk. Daarna vertrok hij en ging in een kloof van de rots Etam wonen.

Hier komt Gods oordeel over de Filistijnen, de aanbidders van de god Dagon en de overheersers van Israël.

De Filistijnen en de mannen van Juda 

Richteren 15 verzen 9-13

Richteren 15:9 Toen trokken de Filistijnen op, sloegen hun kamp op tegen Juda en verspreidden zich in Lechi. 10 En de mannen van Juda zeiden: Waarom bent u tegen ons opgetrokken? En zij antwoordden: Wij zijn opgetrokken om Simson te binden, om met hem te doen, zoals hij met ons heeft gedaan. 11 Daarop kwamen drieduizend man uit Juda naar de kloof van de rots Etam en zij zeiden tegen Simson: Wist u niet dat de Filistijnen over ons heersen? Waarom hebt u ons dit dan aangedaan? Maar hij zei tegen hen: Zoals zij bij mij gedaan hebben, zo heb ik bij hen gedaan. 12 En zij zeiden tegen hem: Wij zijn gekomen om u te binden [en] over te leveren in de hand van de Filistijnen. En Simson zei tegen hen: Zweer mij dat ú mij niet zult doodsteken. 13 Daarop zeiden zij tegen hem: Nee, wij zullen u namelijk alleen binden en u in hun hand overleveren. Doden zullen wij u echter zeker niet. En zij bonden hem vast met twee nieuwe touwen en voerden hem mee van de rots.

 

Na de grote slag die Simson de Filistijnen heeft toegebracht, is het nu weer de beurt van de mannen van Juda om wraak te nemen. Het is Juda dat moet boeten als vergelding voor wat Simson hun heeft aangedaan. Naast de directe aanleiding voor het optrekken van de Filistijnen kan ook deze actie geestelijk worden toegepast. Als Simson zijn plaats van afzondering heeft ingenomen op de rots Etam, worden de vijanden actief. De mannen van Juda informeren naar de plannen van de Filistijnen. Ze krijgen te horen dat zij zijn gekomen om Simson te binden. De Filistijnen zijn er altijd op uit om de nazireeër te binden. In zijn geestelijke toepassing is dit altijd een van de belangrijkste doelstellingen van de vijand. In de christenheid is het zelfs gebeurd met de Heilige Geest: Die is aan banden gelegd. Nog erger dan wat de Filistijnen van plan zijn, is de opstelling van Juda. Ze lijden blijkbaar niet meer onder de heerschappij van de Filistijnen. Het juk drukt niet meer omdat ze zich ermee hebben verzoend en het hebben aanvaard. Ze nemen het Simson kwalijk dat hij hen in zo’n conflict met de vijand op gang brengt, die juist zo vriendelijk voor hen is. Ze komen bij hem met de woorden: “Wist u niet dat de Filistijnen over ons heersen?” (vers 11).

Zo laag is Juda gezonken. Juda betekent ‘lofprijzing’, ‘Godlover’. Is het niet ten hemelschreiend dat juist de stam met zo’n naam zich zó uitlaat? En was het later niet Juda die Yeshua overleverde aan de heersende macht?

Hoeveel in de kerken accepteren nu niet dat er een tweestaten oplossing voor Israël moet komen en ze heulen met de vijand. God zegt uitdrukkelijk: "Wee die mijn Land verdeelt". Verraad staat voor heulen met de vijand.

"Want zie, in die dagen en in die tijd, als Ik een omkeer zal brengen in de gevangenschap van Juda en Jeruzalem, zal Ik alle heidenvolken bijeenbrengen en hen doen afdalen naar het dal van Josafat. Daar zal Ik met hen een rechtszaak voeren, vanwege Mijn volk en Mijn eigendom Israël, dat zij onder de heidenvolken verstrooid hebben. Mijn land hebben zij verdeeld. Zij hebben het lot geworpen over Mijn volk. Zij gaven een jongen voor een hoer; zij verkochten een meisje voor wijn, zodat zij konden drinken." (Joël 3:1-3)

In plaats van zich met hun held één te maken en zich te ontdoen van hun gemeenschappelijke vijand, stellen de mannen van Juda zich op één lijn met de Filistijnen en verenigen zich met hun doel. Ze hebben geen enkele waardering voor de hun door God gegeven richter. Juda toont hier niet de waardigheid van de zegen die Jakob over hem uitspreekt (Gen. 49:8-12). In de geschiedenis van Juda zijn meer van zulke dieptepunten, zoals het uitleveren van Jozef (Gen. 37:26-27; Gen. 38:1,11-18,24-26). Simson wil geen strijd met zijn broeders, hoe diep zij ook gezonken zijn en hoezeer zij zich in wezen aan de kant van hun vijand scharen. Zo moeten ook wij niet strijden tegen onze broeders, maar tegen de beginselen die hen gevangen houden en waarmee ze zich zelfs hebben verzoend. Simson vraagt om de verzekering dat ze hem niet zullen aanvallen, omdat hij anders genoodzaakt zal zijn zich te verdedigen met alle gevolgen van dien voor de Judeeërs. Hij krijgt de garantie dat dit niet zal gebeuren. Het enige wat ze willen doen, is hem binden met nieuwe touwen en in de hand van de Filistijnen overleveren. Het is werkelijk verbijsterend wat hier gebeurt. De mannen van Juda kiezen de kant van de Filistijnen en zijn bezig om de plannen van de vijand uit te voeren! Simson laat zich binden en geeft toe aan hun wensen, omdat hij zijn kracht niet wil gebruiken, of misbruiken, door tegen zijn volk te strijden.

Als de mannen van Juda Simson bij de Filistijnen brengen, juichen zij. Ze menen hun gehate vijand in hun macht te hebben. De vreugde is echter van korte duur, want “de Geest van de HEERE werd vaardig over hem”. Als menselijke middelen waarmee een nazireeër gebonden kan zijn, met de Geest van God en het Woord van God in aanraking komen, worden ze “als vlas dat door het vuur verbrand is”.  

Het in praktijk brengen van de oproep in 1 Petrus 4 doet alle Filistijnse touwen, in figuurlijke zin, tot as verteren. We worden daar aangemoedigd met de woorden:

“Als iemand spreekt, laat het zijn als uitspraken van God; als iemand dient, laat het zijn als uit sterkte die God verleent” (1Petrus 4:11)

Met zijn blote hand verbrak Simson het ijzeren juk der Filistijnen, met een ezelskaak creëerde hij ademruimte voor Israël om te leven in het land, en in zijn dorst en zwakheid riep hij tot God en werd door Hem gelaafd... 

Duur van Simsons richterschap

Richteren 15:19 Toen kloofde God de holte die er in Lechi is, en er kwam water uit. Hij dronk en daarop kwam zijn geest weer terug en leefde hij op. Daarom gaf hij hem de naam Bron van de roepende, die tot op deze dag in Lechi is.
20. En hij gaf leiding aan Israël in de dagen van de Filistijnen, twintig jaar lang.

Simson is een ander soort bevrijder dan zijn voorgangers. Hij geeft leiding aan Israël terwijl de Filistijnen regeren.