To translate this page into different languages. click here!

Exodus 10 & 11 sprinkhanen, duisternis en .... aankondiging dood

Uit het verloop van de periode van plagen blijkt dat YHWH stapsgewijs aan Farao  en de Egyptenaren duidelijk maakt wat "Ik ben YHWH" betekent. Het betekent dat Hij God is, en dat er geen ander is.

Alles wat de Egyptenaren als goden vereerden, werd door God vernederd, machteloos gemaakt en veroordeeld. Dat begon al vanaf  de eerste plaag tegen de Nijl god, tot aan de laatste plaag tegen de zonnegod. Het betekent, dat YHWH barmhartig en rechtvaardig is, want Hij voerde de ernst van de plagen stapsgewijs op, waardoor de farao alle gelegenheid kreeg om zich te bekeren. Zijn gehoorzaamheid zou inhouden dat het leven werd gespaard van het Egyptische volk waarvoor hij verantwoordelijk was. 

Hier in hoofdstuk 10 wordt de sprinkhanenplaag aangekondigd. Het gaat met weinig maar duidelijke woorden.

Mozes en Aäron gebieden de farao met de autoriteit van God en dat is die man niet gewend.

 
Exodus 10:3 Zo zegt YHWH de God van de Hebreeën: Hoelang weigert u zich voor Mijn aangezicht te vernederen? Laat Mijn volk gaan, zodat zij Mij dienen kunnen. 4. Want als u weigert Mijn volk te laten gaan, zie, dan zal Ik morgen sprinkhanen op uw grondgebied brengen. 5. Zij zullen het oppervlak van het land bedekken, zodat men geen land meer kan zien. Zij zullen het overschot van wat aan de hagel ontkomen is, wat er voor u overgebleven is, opvreten, ja, zij zullen al de bomen die voor u op het veld opkomen, kaalvreten.

Maar de dienaren van de Farao worden het zat en zeggen “laat die mensen toch gaan… Beseft u nog niet dat Egypte verloren is?”  Het leek even dat het pleidooi van de dienaren effect had. Maar Mozes wist dat de farao niet zou toegeven.   

De Israëlieten woonden in Gosen en hadden geen deel aan de plagen. Zo had God Zijn volk afgezonderd.

De zeer zware hagelbuien hadden de bloeiende vlas en gerst die daar met vruchtbare aren groeiden neergeslagen, maar niet de spelt en de tarwe, want die gewassen waren later in het jaar rijp.  Daarmee geeft de Bijbel een exacte tijdsaanduiding voor de achtste, negende en tiende plaag, namelijk de periode tussen de 1e en 14e Aviv. Zo kon met Pesach de eerste garve, de eerstelingen, voor God bewogen worden.

Exodus 10:21-22 Toen zei de HEERE tegen Mozes: Strek uw hand uit naar de hemel, zodat er duisternis komen zal over het land Egypte, en de duisternis te tasten is. Toen Mozes zijn hand uitstrekte naar de hemel, kwam er een dikke duisternis חֹשֶׁךְ-אֲפֵלָה (choshek afelah) in heel het land Egypte, drie dagen lang.

 

Duisternis is ongrijpbaar , het heeft geen substantie en kan niet gevoeld worden. In Exodus 10 wordt het echter beschreven als iets dat een tastbare vorm heeft. Net als elke andere plaag onthulde God door de duisternis Zijn macht over de natuur op een bovennatuurlijke manier.

De farao en de Egyptenaren kwamen op deze voelbare wijze in aanraking met die diepe duisternis. Het zou hun leven op zo'n manier raken dat ze het nooit meer zouden vergeten. Ze waren geraakt door de duisternis.

Deze duisternis wordt als "dikke duisternis" beschreven door de Hebreeuwse uitdrukking " חֹשֶׁךְ-אֲפֵלָה "choshek afelah) te gebruiken. Het woord " חֹשֶׁךְ "choshek” betekent "duisternis" en het woord "אפלה) "afelah) betekent ook "duisternis". Wanneer deze twee woorden samen worden gebruikt, brengen ze de bedoelde betekenis van een "donkere duisternis" naar voren. Het was een duisternis die alleen kon worden geïdentificeerd als totale duisternis, een "dikke duisternis". Het was de ultieme definitie van duisternis; de afwezigheid van alle licht.

 

De duisternis waarmee Elohim Egypte 3 dagen lang trof, was zoals de eerste oer-duisternis. Voordat het licht in haar midden kwam, verscheen dit eerste soort "duisternis" op een "aarde" die "vormeloos en leeg" was:

 

Genesis 1:1 In het begin schiep God de hemel en de aarde. 2. De aarde nu was woest en leeg, en duisternis (חֹשֶׁךְ choshek) lag over de watervloed; en de Geest van God zweefde boven het water. 3. En God zei: Laat er licht zijn! En er was licht.

4. En God zag het licht dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het licht en de duisternis.


Uit bijgaande chiastische structuur blijkt hoezeer God steeds van te voren gewaarschuwd had voor de plaag die komen zou als ze niet zouden gehoorzamen.

Het betekent dat YHWH de Verlosser en Bevrijder is van Zijn volk. Wij mogen daaruit leren dat zelfs de grootste macht op het rond van de aarde niet in staat is om Zijn verlossing te weerstaan. En dat geldt ook voor onze tijd. Wie Gods Woord leest weet dat de tijd nabij is. Zoals Israël zijn deurposten markeerde met het bloed van een lam, zo kunnen wij schuilen op grond van het bloed dat onze Hemelse Hogepriester als Lam van God geofferd heeft.


Er is een soort mysterie met "duisternis", waaruit YHWH Zichzelf kan openbaren. In Genesis 1:3 hebben we de eerste openbaring van het geestelijke licht van de wereld. Het licht dat op de eerste scheppingsdag werd onthuld, verscheen drie dagen vóór de fysieke zon, maan en sterren. Zo zien we dat wat de duisternis vanaf de eerste dag van de schepping verlichtte, niets fysieks was, maar dat het de schittering van Yeshua was.

We lezen dat de Israëlieten gedurende de driedaagse periode van duisternis " in hun woningen licht" hadden:

Exodus 10:23 Zij zagen elkaar niet, en drie dagen lang stond niemand op van zijn plaats. Voor alle Israëlieten echter was het licht in hun woningen. (HSV vertaalt “woongebieden, maar het woord “moshab” מוֹשָׁב is volgens Strong H4186: een zetel, samenkomst, woonplaats, woning, bewoners en het wordt meestal als woning vertaald)

Degenen die Zijn uitverkorenen waren, hadden in deze periode van "duisternis" "licht". En we weten dat het geen natuurlijk licht was zoals de zon, die hen licht gaf, aangezien de Schrift vrij duidelijk is dat de duisternis elk stukje Egypte omvatte:

 

Exodus 10:22 Toen Mozes zijn hand uitstrekte naar de hemel, kwam er een dikke duisternis in heel het land Egypte, drie dagen lang.

 

Waar precies scheen dit "goddelijke licht"? Hoewel we weten dat het licht in Gosen was, was het niet op straat of buiten hun huizen. Licht was alleen in hun "woningen" te vinden.

 

Exodus 10:23 Zij zagen elkaar niet, en drie dagen lang stond niemand op van zijn plaats. Voor alle Israëlieten echter was het licht in hun woningen.

Onmiddellijk volgend op het verslag van de eerste negen plagen van Egypte in Exodus 7-10, lijkt het alsof er drie verzen niet op hun plaats staan. Aan het eind van hoofdstuk 10 lezen we dat de Farao Mozes weg stuurt met een doodsbedreiging. En Mozes antwoordt: “u zult me ook niet meer zien”.

Hoofdstuk 11 begint dan met een weergave van een gesprek tussen YHWH en Mozes.

In vers 4 spreekt Mozes echter opnieuw met Farao.

"En Mozes zei ..." - we weten dit omdat vers 8, aan het einde van Mozes' woorden, zegt: " Toen ging hij bij de farao weg, in brandende toorn." De verzen 1-3  ‘onderbreken’ daarom de dialoog tussen Mozes en Farao.

Exodus 11:4 En Mozes zei: Zo zegt de HEERE: Omstreeks middernacht zal Ik uittrekken door het midden van Egypte

Deze drie verzen vormen een speciale passage omdat ze de boodschap herhalen die Mozes van God kreeg toen hij in Midian was:

 

“De HEERE had tegen Mozes gezegd: Nog één plaag zal Ik over de farao en Egypte brengen en daarna zal hij u vanhier laten gaan. Als hij u allemaal laat gaan, zal hij u vanhier haastig verdrijven.

Spreek toch ten aanhoren van het volk en zeg dat iedere man van zijn naaste en iedere vrouw van haar naaste zilveren en gouden voorwerpen moet vragen. En de HEERE gaf het volk genade in de ogen van de Egyptenaren. Ook stond de man Mozes in het land Egypte in hoog aanzien in de ogen van de dienaren van de farao en in de ogen van het volk.”(11: 1-3).

 

Dit sprak God in Midian bij de brandende doornstruik:

‘Maar Ík weet dat de koning van Egypte u niet zal laten gaan, ook niet door een sterke hand. Daarom zal Ik Mijn hand uitstrekken en Egypte treffen met al Mijn wonderen die Ik te midden daarvan doen zal. Daarna zal hij u laten gaan. En Ik zal dit volk genade geven in de ogen van de Egyptenaren. En het zal gebeuren dat u, als u weggaat, niet met lege handen gaat. Elke vrouw moet aan haar buurvrouw en aan haar huisgenote zilveren en gouden voorwerpen vragen, en kleren, die u uw zonen en dochters te dragen moet geven. Zo zult u Egypte beroven. '(3: 19-22).

Drie zaken die God Mozes in hoofdstuk 3 vertelt, worden herhaald in hoofdstuk 11, zoals weergegeven in tabel 1. Ten eerste laat Farao de mensen pas gaan na  de laatste plaag (11: 1); ten tweede stelt Israël de Egyptenaren verantwoordelijk voor hun uitgebuite positie door hun zilver en goud te nemen (vs. 2); en ten derde "gaf de HEER het volk genade in de ogen van de Egyptenaren" (vs. 3). Het is echter niet zo dat al deze beloften al vervuld waren voordat hoofdstuk 12: 31-36 werkelijkheid werd. Dat kunnen we ook zien in tabel 1.

Met andere woorden, de belofte van 3: 19-22 wordt herhaald in 11: 1-3 en wordt vervuld in 12: 31-36. Dus het gedeelte van 11: 1 tot 12:36 is 'ingelijst' door de belofte gedaan aan Mozes in hoofdstuk 3. Dit raamwerk legt de grenzen van een chiastische structuur vast.

Onmiddellijk na hoofdstuk 11: 1-3 wordt het gesprek tussen Mozes en de Farao, dat gaat over de dood van de eerstgeborenen, voortgezet. Het verslag over de vervulling van deze gebeurtenissen komen in hoofdstuk 12 (zie tabel 2) aan de orde, onmiddellijk voorafgaand aan de verzen 31 – 36 die we hebben genoemd.  

Het laatste deel van deze passages onderstreept het extreem grote contrast tussen Israël en Egypte. Zelfs een hond blafte niet tegen een Israëliet (Ex.11:7), maar elk Egyptisch huishouden rouwde om het verlies van een eerstgeboren kind. Het werk is volbracht!

 

Na de voorzegging van de dood van de eerstgeborene eindigt hoofdstuk 11 met twee verzen

die niet chronologisch lijken te volgen. De zin "En Mozes en Aaron deden al deze wonderen voor Farao '(vs. 10) verwijst terug naar de negen plagen van hoofdstukken 7-10; dus verzen 9 en 10 vatten alles samen wat Mozes en Aaron tot nu toe hebben gedaan. Je ziet dat deze twee verzen onmiddellijk komen na de sectie over de waarschuwing voor de dood van de eerstgeborene, en parallel aan het vers dat onmiddellijk vóór het gedeelte komt dat feitelijk de dood van de eerstgeborenen beschrijft: “De Israëlieten gingen weg en deden zoals YHWH Mozes en Aäron geboden had, zo deden zij. '(12:28) (zie tabel 3). Op het eerste gezicht lijkt de volgorde van de verzen misschien wat onlogisch, maar ze zijn wel logisch als dit gehele deel van Exodus een chiastische structuur blijkt te bevatten, zoals we zullen onderzoeken.

Het volgende deel van deze structuur wordt behandeld bij Exodus 12.