English & other languages: click here!

Hooglied 4:16-6:3 (C)

Over de lente kan je lezen in het boek Hooglied. Daar wordt het ook zo mooi poëtisch beschreven.

Hooglied 4:16 Zij: "Kom, noordenwind! Waai, zuidenwind! Waai door mijn tuin, zodat alle geuren vrijkomen! Dan komt mijn liefste naar zijn tuin om van die heerlijke vruchten te eten."

Hooglied 5:1 Hij: "Ik ben al bij je, mijn meisje, mijn bruid, ik ben al in mijn tuin gekomen. Ik heb mirre geplukt en balsem. Ik heb je honing gegeten. Ik heb je wijn en melk gedronken. Kom vrienden, laten we samen feestvieren en samen dronken worden."

2 Zij: "Ik sliep, maar mijn hart was wakker. Ik droomde dat mijn liefste aanklopte. Ik hoorde hem zeggen: ‘Doe open, mijn meisje, mijn liefste, mijn duifje, mijn schoonheid! Mijn hoofd is nat van de dauw. Mijn haar is nat van de waterdruppels.’

3 Maar ik zei: ‘Ik heb mijn kleren al uitgedaan. Moet ik ze soms weer aantrekken? Ik heb mijn voeten al gewassen. Moet ik ze soms weer vuil maken?’ 4 Mijn liefste stak zijn hand door de opening in de deur. Mijn hart bonsde luid. 5 Ik stond op om hem open te doen. Mijn handen waren nat, mijn vingers die de grendel open schoven dropen van mirre.

6 Ik deed de deur open, maar mijn liefste was weg, verdwenen! Ik beefde van opwinding toen hij met me sprak. Ik zocht hem, maar kon hem nergens meer vinden. Ik riep hem, maar hij antwoordde niet.

5 De wachters die in de stad hun ronde deden, vonden mij. Ze sloegen me, ze sloegen me hard. Ze rukten mijn sluier af, die muurwachters. 5:8 Ik smeek jullie, meisjes van Jeruzalem, als jullie mijn liefste vinden, zeg hem dan dat ik hevig naar hem verlang." 9 Anderen: "Wat heeft jouw liefste wat een ander niet heeft, mooi meisje? Wat heeft jouw liefste wat een ander niet heeft, dat wij hem dat moeten zeggen?" 10 Zij: "Mijn liefste heeft een blanke, bijna roze huid. Hij is mooier dan duizenden anderen. 11 Zijn hoofd is van zuiver goud. Hij heeft ravenzwart, krullend haar. 12 Zijn ogen zijn als de ogen van de duiven bij de beek. Het wit van zijn ogen is zo wit alsof zijn ogen in melk zijn gewassen. Zijn ogen zijn zo mooi als edelstenen in een ring. 13 Zijn wangen zijn als een bloembed, een bloembed van balsem, of een bloembed van geurige kruiden. Zijn lippen zijn zo mooi als lelies en zo heerlijk als mirre. 14 Zijn armen zijn zo mooi als staven goud die versierd zijn met edelstenen. Zijn lichaam is als een kunstwerk van ivoor, bedekt met saffieren.15 Zijn benen zijn als pilaren van wit marmer die op voetstukken van zuiver goud staan. Hij is zo groot en sterk als een grote cederboom van de Libanon. 16 Zijn mond is heerlijk. Alles aan hem is prachtig! Zo is mijn liefste, zo is mijn vriend, meisjes van Jeruzalem!"

Hooglied 6:1 Meisjes:

"Waar is je liefste nu heengegaan, mooiste van alle vrouwen? Waar is je liefste naartoe? We zullen je helpen hem te zoeken."

2 Zij: "Mijn liefste is naar zijn tuin gegaan, naar de bloembedden met kruiden, om er te genieten en om lelies te plukken. 6:3 Ik ben van mijn liefste en mijn liefste is van mij. Hij ligt tussen de lelies."

De jongen had zijn vriendin vergeleken met een tuin.

Hooglied 4:12-15

12 Mijn zuster, o bruid! gij zijt een besloten hof, een besloten wel, een verzegelde fontein.

13 Uw scheuten zijn een paradijs van granaatappelen, met edele vruchten, cyprus met nardus;

14 Nardus en saffraan, kalmus en kaneel, met allerlei bomen van wierook, mirre en aloe, mitsgaders alle voornaamste specerijen. 15 O fontein der hoven, put der levende wateren, die uit Libanon vloeien!

Daar haakt zij op in. Laat de wind de heerlijke geuren van de bloemen in haar tuin maar in de richting van haar vriend voeren. Dan kan hij ervan genieten (Hooglied 4:16). Nou, dat doet hij maar al te graag. Niet alleen de geuren van deze tuin, maar ook de vruchten die er groeien, neemt hij gretig in zich op. Zijn vriendin is echt een lusthof (Hooglied 5:1).

Met Hooglied 5:2 begint een heel andere scène. Het meisje vertelt een droom die ze had. Ze lag op bed, maar het was net alsof haar vriend voor de deur stond en vroeg om binnengelaten te worden. Ze riep terug dat ze niet open wilde doen. Daarbij keek ze in de richting van de deur. Toen zag ze dat hij zijn hand door een opening stak alsof hij zelf de deur wilde ontgrendelen.

Maar direct trok hij zijn hand ook weer terug. Door wat ze had gezien, sloeg haar hart op hol en verdween alle terughoudendheid. Ze vloog naar de deur en schoof de grendel weg. Wat was dat? Mirre! Ze holde de straat op, riep zijn naam, maar tevergeefs. Haar stem verwaaide in de nacht. Toen ze verder de straat opliep, vielen de nachtwachters haar ook nog lastig. Bah, wat een nare droom!

Maar juist door dit diepbeleefde gemis is het verlangen naar haar vriend sterk verhevigd. De volgende dag laat ze dat aan haar vriendinnen blijken (Hooglied 5:8). ‘Wat is er voor bijzonders aan je vriendje?’ vragen die (Hooglied 5:9). Op die vraag barst het meisje los. Het beeld krijgt onwerkelijke trekken omdat ze hem zo in gedachten heeft. Een standbeeld richt ze op. Ze plaatst haar vriend op een voetstuk (Hooglied 5:15). Ze voelt zich door haar vriendinnen uitgedaagd en daarom kan ze niet hoog genoeg opgeven van hem. Het gevolg is dat de vriendinnen nieuwsgierig worden. Ze willen die jongen ook wel eens zien (Hooglied 6:1).

Wel, hij vertoeft nog altijd in hoger sferen. Hij geniet nog na van wat zijn meisje, zijn lusthof, hem bood. Zij is van hem en hij van haar en van niemand anders (Hooglied 6:2-3).

Wie Jezus Christus echt kent, zal ook heel hoog van Hèm opgeven. Maar wij houden Hem niet voor onszelf. Iedereen moet ontdekken dat Hij een Heiland is om lief te hebben. ‘Hij is de aantrekkelijkheid Zelf’. 

Johannes 1:41-47

41 Andreas, de broer van Simon Petrus, was een van de twee die het van Johannes gehoord hadden en Hem gevolgd waren.

42 Deze vond eerst zijn eigen broer Simon en zei tot hem: Wij hebben de Messias gevonden-wat vertaald is: Christus.

43 Hij leidde hem tot Jezus. Jezus zag hem aan en zei: Jij bent Simon, de zoon van Jona, jij zult Kefas heten-wat vertaald wordt: steen.

44 De volgende dag wilde Hij naar Galilea vertrekken en Hij vond Filippus; en Jezus zei tot hem: Volg Mij.

45 Filippus nu was van Bethsaida, uit de stad van Andreas en Petrus.

46 Filippus vond Nathanael en zei tot hem: Wij hebben Hem gevonden van Wie Mozes in de wet geschreven heeft, en de profeten: Jezus, de Zoon van Jozef, van Nazareth.

47 En Nathanael zei tot hem: Kan uit Nazareth iets goeds zijn? Filippus zei tot hem: Kom en zie.

1 Korinthiërs 9:19-22

19 Want terwijl ik vrij ben van allen, heb ik mij allen tot slaaf gemaakt om er zoveel mogelijk te winnen.

20 En ik ben de Joden geworden als een Jood, om de Joden te winnen; hun die onder de wet zijn, als onder de wet (hoewel ik zelf niet onder de wet ben), om hen die onder de wet zijn te winnen;

21 hun die zonder wet zijn, als zonder wet (hoewel ik niet zonder wet voor God ben, maar aan Christus wettelijk onderworpen), om hen die zonder wet zijn te winnen.

22 Ik ben de zwakken een zwakke geworden, om de zwakken te winnen; allen ben ik alles geworden, om in elk geval enigen te behouden.