Jeremia 7:21 - 8:3 en 9:23,24

Jeremia 7:21 Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Voeg uw brandoffers toe aan uw slachtoffers, eet vlees...

Jeremia spreekt in een tijd dat de afval van Gods volk bijzonder groot was. Zo zelfs dat God tegen Jeremia moest zeggen: “bid niet voor dit volk, hef voor hen geen geroep of gebed aan, dring niet bij Mij aan, want Ik zal niet naar u luisteren.” Jeremia 7:16

Toch moest Jeremia Gods Woord blijven verkondigen. De mensen zouden God nooit kunnen verwijten dat ze het niet wisten. En het is ook tot lering van onze christenheid die ernstig in verval is gekomen. We leven in de tijd van afval, die vooraf gaat aan het oordeel (2 Thess.2:3). Dat was in Israël ook het geval, want bij hen was de straf de op handen zijnde ballingschap.

                                                          De profeet Jeremia geschilderd door Michelangelo →

De prediking van Jeremia wordt hem bepaald niet in dank afgenomen. Integendeel, de mensen horen liever mooie, vleiende woorden. Daarom ondervind Jeremia ook veel tegenstand en vijandschap. Het volk was wel religieus, maar vulde dat in op zijn eigen manier. Dit zegt God bij monde van Jeremia: “Toe maar, ga maar door met jullie brand- en slachtoffers en eet maar vlees. Denk je dat ik die manier van offeren heb bevolen? Nou, mooi niet! Dit was Mijn gebod dat daaraan vooraf ging:

Luister naar Mijn stem. Dan zal Ik u tot een God zijn, en ú zult Mij tot een volk zijn. Bewandel heel de weg die Ik u gebieden zal en het zal u goed gaan. (Jeremia 7:23)

Zo ging het al vanaf de woestijnreis. Hun hart was boos en verhard.  Toch waren er steeds profeten geweest om hen te waarschuwen. Maar luisteren…. Ho maar! Ze reageerden niet eens op wat God hen wilde duidelijk maken.  Is dat niet herkenbaar voor ieder die in zijn omgeving ervan getuigt dat de werken van deze wereld slecht zijn? Dat was ook het getuigenis van Yeshua:

Johannes 7:7 De wereld kan u niet haten, maar Mij haat zij, omdat Ik van haar getuig dat haar werken slecht zijn.

Jeremia zegt in 7:28 dat de waarheid is vergaan, uitgeroeid zelfs uit hun mond. Dan ervaar je boosheid, die bij Yeshua tot de kruisdood leidde. Ook Jeremia werd gehaat om zijn getuigenis.

Onlangs werd ik in een gesprek erop geattendeerd dat het Griekse woord voor martelaar afgeleid is van het woord voor getuigenis. In het Nieuwe Testament worden we vaak opgeroepen om te getuigen van ons geloof. Het werkwoord ‘martureoo’ = getuigen 76 keer. 

Het zelf­standig naamwoord ‘marturia’ = getuigenis komt 37 keer en het zelfstandig naamwoord ‘martur’ of ‘martus’ = getuige komt 35 keer voor. Het woord voor martelaar is in het Grieks afgeleid van “getuige”. Iemand die zijn getuigenis volhoudt is dus een martelaar. En Jeremia valt zeker onder die categorie.

De oproep van Jeremia in vers 29 om het “gewijde hoofdhaar” af te scheren en weg te werpen lijkt betrekking te hebben op het nazireeërschap, waarbij men voor een tijd zich afzonderde voor de dienst aan YHWH en als teken zijn haar liet groeien. Het afscheren van het hoofdhaar is ook een teken van rouw. Ze moeten maar een klaaglied gaan aanheffen, want ze staan er heel erg belabberd voor.

Dan gaat Jeremia hun zonden opnoemen:

Ze hebben afgoden in de tempel gebracht, waardoor de tempel werd verontreinigd.  Ze hebben ook de hoogten van Tofeth gebouwd in het Ben Hinnom-dal, waar kinderen aan de Moloch werden geofferd. De naam van dat dal zou worden Moorddal, want er zouden doden gaan vallen die niet eens allemaal begraven konden worden in het Hinnomdal, en de vogels en wilde dieren zullen zich tegoed doen aan de lijken van dit volk. En er is niemand die deze dieren wegjaagt. Wat een verschrikkelijk einde.

Dit zijn gebeurtenissen die in de geschiedenis hebben plaatsgevonden toen het meedogenloze Syrische leger (Aram) het land overspoelde. Maar dit is een voorlopige vervulling, die wijst op het oordeel dat aanstaande is in onze tijdsbedeling.


Jeremia 7:34 En Ik zal uit de steden van Juda en uit de straten van Jeruzalem de stem van de vreugde en de stem van de blijdschap, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid doen ophouden, want het land zal tot een verwoesting worden.

Deze tekst werd werkelijkheid, en zal opnieuw werkelijkheid worden, maar voor een korte tijd.  Dat geld ook voor die drie teksten van hoofdstuk 8.

Jeremia 8:1-3 

In die tijd, spreekt de HEERE, zullen zij de beenderen van de koningen van Juda, de beenderen van hun vorsten, de beenderen van de priesters, de beenderen van de profeten en de beenderen van de inwoners van Jeruzalem uit hun graven halen, en ze uitspreiden voor de zon, voor de maan en voor heel het leger aan de hemel, die zij hebben liefgehad, die zij hebben gediend, die zij achterna zijn gegaan, die zij hebben geraadpleegd en waarvoor zij zich hebben neergebogen. Die zullen niet verzameld en niet begraven worden: als mest op de aardbodem zullen zij zijn.
Dan zal de dood verkozen worden boven het leven door heel het overblijfsel van hen die overgebleven zijn uit dit boosaardige geslacht, op alle plaatsen waar zij overgebleven zijn, waarheen Ik hen verdreven zal hebben, spreekt de HEERE van de legermachten.

Ook wat we hier lezen doet ons huiveren. Het ligt voor de hand dat een deel daarvan plaatsvindt in het laatst der dagen. 

Er komen beenderen uit de graven van hen die de Geest ontvangen.
Ezechiël 37: 9 Zo zegt de Heere HEERE: Geest, kom uit de vier windstreken en blaas in deze gedoden, zodat zij tot leven komen.
Maar er komen ook beenderen uit de graven tot eeuwig afgrijzen.

Daniël 12:2 En velen van hen die slapen in het stof van de aarde, zullen ontwaken, sommigen tot eeuwig leven, anderen tot smaad, tot eeuwig afgrijzen.

Dat men de dood verkiest boven het leven lezen we ook in 

Openbaring 9:6 En in die dagen zullen de mensen de dood zoeken maar die niet vinden. En zij zullen ernaar verlangen te sterven, maar de dood zal van hen wegvluchten.

Dat geldt dan ook voor de ongelovige Joden die zich overal verspreid op aarde hebben gevestigd. Ook al zitten ze in Amerika of andere verre landen. Maar met hen ook de ongelovige wereld. Allen die Babylon verkozen hebben boven het Nieuwe Jeruzalem.  We zien alles tot ontwikkeling komen. Het oordeel begint bij het Huis van God: zijn verbondsvolk, maar breidt zich uit over de wereld. We horen al berichten uit Israël over de afschuwelijke vaccinatie en de tweedeling die er in het land van God ontstaat. Ontwikkelingen die herinneringen aan de Shoa oproepen. 

Mensen die Israël niet ingeënt binnenkomen krijgen een elektronische polsband, zoals misdadigers die krijgen, die gecontroleerd moeten worden.

In Israël mag de veiligheidsdienst Shin Bet de contacten van coronapatiënten natrekken door hun mobiele telefoons uit te lezen. Die methode leidde tot de onterechte quarantaine van bijna 400.000 mensen, die niet dicht genoeg in de buurt geweest waren van met corona besmette mensen. De Israëlische veiligheidsdienst leest de telefoons van alle Israëlische burgers uit.

Ook nu is Jeremia’s oproep van toepassing, maar we weten dat men er niet naar luistert.

Luister naar Mijn stem. Dan zal Ik u tot een God zijn, en ú zult Mij tot een volk zijn. Bewandel heel de weg die Ik u gebieden zal en het zal u goed gaan. (Jeremia 7:23)

Men luistert liever naar de politiek en vertrouwt op het verbond met de dood: het Abraham akkoord. Toch komt het moment, als alles tot een dieptepunt komt dat men het uitroepen zal:

Baruch ata beshem Adonai: “Gezegend is HIJ (Yeshua) die komt in de Naam des HEEREN”

בָּרוּךְ הַבָּא, בְּשֵׁם יְהוָה

Tenslotte worden in het leesrooster nog twee verzen uit Jeremia 9 genoemd:

Jeremia 9:23,24

Zo zegt de HEERE:

laat de held zich niet beroemen op zijn sterkte,

laat een rijke zich niet beroemen op zijn rijkdom.

Maar laat wie zich beroemt, zich daarop beroemen

dat hij begrijpt en Mij kent

dat Ik de HEERE ben, Die goedertierenheid bewijs,

recht en gerechtigheid op de aarde doe,

want in die dingen vind Ik vreugde, spreekt de HEERE.

 

Het gaat allemaal over het kennen en gehoorzamen van Hem die hemel en aarde schiep, een God van liefde, gerechtigheid en trouw. Hem vreugde bereiden zal ook onze vreugde zijn. Dat geldt voor het gelovig deel van Israël, maar ook voor degenen die door hun geloof in Yeshua aan Gods volk zijn toegevoegd.