English & other languages: click here!

Psalm 120 - Gebed om bescherming

De psalmen 120-134 zijn de zogenoemde liederen Hammaäloth. Het woord ‘Hammaäloth’ is een Hebreeuws woord en betekent letterlijk ‘opgang’. Deze liederen werden gezongen door de Levieten en door de pelgrims die op weg waren naar het heiligdom in Jeruzalem.

Voor elke Israëliet is het verplicht tijdens de drie grote feesten (Lev. 23) naar het heiligdom te gaan. Als de pelgrims daarheen gaan, is er letterlijk sprake van ‘opgaan’, omdat Jeruzalem hoger ligt dan de omgeving. Zo klimmen de pelgrims op naar het heiligdom. 

Psalm 120:1-7 Ik riep tot de HEERE in mijn benauwdheid, en Hij verhoorde mij. 2. HEERE, red mijn ziel van de valse lippen, van de tong vol bedrog. 3. Wat zal de tong vol bedrog u geven? Wat zal die aan u toevoegen? 4. Scherpe pijlen van een machtig man, en gloeiende houtskool van bremstruiken daarbij. 5. Wee mij, dat ik als vreemdeling in Mesech verblijf, dat ik woon in de tenten van Kedar. 6. Mijn ziel heeft lang gewoond bij hen die de vrede haten. 7. Ik ben vreedzaam, maar als ik spreek, voeren zij oorlog.

Een bedevaartslied

Een vreemdeling

De dichter van de Psalm van vandaag voelt zich een minderheid. Het is alsof hij onder de barbaren van het verre Mesek (nakomelingen van Jafeth) woont (v. 5a), het onherbergzame gebied tussen de Zwarte en de Kaspische Zee.

Genesis 10:2 De zonen van Jafeth zijn: Gomer, en Magog, en Madai, en Javan, en Tubal, en Mesech, en Thiras.

Ezechiël 27:13 Javan, Tubal en Mesech waren uw kooplieden; met mensenzielen en koperen vaten dreven zij onderlingen handel met u.

Of ook onder de Kedarenen (v. 5b) (nakomelingen van Ismaël), de oorlogszuchtige bewoners van de oostelijke helft van de Arabische woestijn.

Genesis 25:13 En dit zijn de namen der zonen van Ismaël, met hun namen naar hun geboorten. De eerstgeborene van Ismaël, Nabajoth; daarna Kedar, en Adbeel, en Mibsam,

In zijn eigen land voelt hij zich een vreemdeling als in een heidens land.

Psalm 39:13 Hoor, HEERE! mijn gebed, en neem mijn geroep ter ore; zwijg niet tot mijn tranen; want ik ben een vreemdeling bij U, een bijwoner, gelijk al mijn vaders.

Psalm 119:19 Ik ben een vreemdeling op de aarde, verberg Uw geboden voor mij niet.

1 Petrus 1:1 Petrus, een apostel van Jezus Christus, aan de vreemdelingen, verstrooid in Pontus, Galatië, Kappadocië, Azië en Bithynië,

Kennen wij als christenen ook niet zo’n stemming? We leven in een tijd waarin steeds minder rekening gehouden wordt met Gods geboden. We worden een minderheid.

De psalmist doet zijn uiterste best om de vrede met de mensen uit zijn omgeving te bewaren. Maar wat hij ook probeert, het haalt niets uit. Er wordt niet naar hem geluisterd. En ze laten hem niet met rust (v. 6,7). Wordt het geen tijd om te vluchten, vóór hij misschien het slachtoffer wordt van een moordaanslag? Lasterpraat kan heel moeilijk te verwerken zijn voor een mens. Je staat er zo machteloos tegenover. Je zou wel weg willen vluchten.

De psalmist vlucht niet voor mensen. Wèl vlucht hij naar God! Hij zoekt in de nood zijn toevlucht en beschutting bij de HEERE. Hij weet het: zoals God mij in het verleden geholpen heeft (v. 1), zo zal Hij het ook nu doen (v. 2). Zijn vijanden zullen worden lam gelegd (v. 3,4).

In de Nieuwe Vertaling van het NBG staat boven deze Psalm ‘Een bedevaartslied’.

Psalm 120 (Obbink vertaling)

1 In den nood roep ik tot den HEER, en hij verhoort mij.

2 HEERE, red mij van de leugenlippen, van de valsche tongen.

3 Waarmede zal de HEER u straffen, gij bedriegelijke tong?

4 met scherpgepunte oorlogspijlen, met vurige kolen!

5 Wee mij, dat ik in Mesek vertoef en woon bij Kedars tenten!

6 Te lang reeds woont mijne ziel bij hen die den vrede haten;

7 ik wil slechts vrede, maar als ik spreek, dan maken zij strijd.

Je zou ook kunnen zeggen: ‘Lied van de opgang’. Psalm 120 is een lied van het volk Israël dat opgaat naar Jeruzalem, om zich daar bij de tempel van de eeuwige God beschut en in zijn hoede te weten.

In deze Psalm is sprake van een mens in diepe nood. Maar wel een mens die weet waar hij terecht kan. Bij God, de Vader, die de mens kent in al zijn overwegingen. Daarom een lied van de opgang. Vanuit de diepte naar Gods hoogte.

Psalm 18:31-34

31 Die God—onfeilbaar is Zijn weg, des HEEREN woord is beproefd; allen, die bij Hem toevlucht zoeken, is Hij ten schild.

32) Want wie is God behalve de HEER, wie is een rotssteen buiten onzen God?

33 die God, die mij met kracht omgordt, die mijn weg effent,

34 die mijne voeten maakt als der hinden, die mij op hoogten doet staan,

Bij God is een ontfermend oor voor elke nood.

1 Petrus 3:8-12

8 En tenslotte, weest allen eensgezind, medelijdend, vol broederlijke liefde, welgezind, nederig,

9 en vergeldt niet kwaad met kwaad, of schelden met schelden, maar zegent integendeel, omdat u ertoe geroepen bent zegen te erven.

10 ‘Want laat hij die het leven wil liefhebben en goede dagen zien, zijn tong van kwaad weerhouden en zijn lippen van het spreken van bedrog;

11 laat hij zich afkeren van het kwade en het goede doen, vrede zoeken en ernaar jagen.

12 Want de ogen van de Heer zijn op de rechtvaardigen en zijn oren tot hun smeken; maar het aangezicht van de Heer is tegen hen die kwaad doen’.