Genesis 22 - het offer van Abraham

Er zijn talloze voorbeelden in de Bijbel dat God de gelovigen op de proef stelt. Dat gebeurt hier met Abraham, die nu al zo’n 40 tot 50 jaar in Kanaän verblijft. Als Abraham door Elohim geroepen wordt, antwoordt hij met het bekende: “Hineini” = הִנֵּנִי “ Zie, hier ben ik”.

Hieruit blijkt de bereidheid om Gods weg te gaan. Ook al komt er zo’n moeilijke opdracht:

Genesis 22:2 Hij zei: Neem toch uw zoon, uw enige, die u liefhebt, Izaäk, ga naar het land Moria, en offer hem daar als brandoffer op een van de bergen die Ik u noemen zal.

Hier zien we hoe Abraham moest uitbeelden wat  God de Vader gedaan heeft met Zijn Zoon, die Hij innig liefhad. Ook de locatie komt overeen:  Golgotha, één van de heuvels van het land Moria.

Er is sprake van een brandoffer, een עֹלָה “Olah”, dat in zijn geheel voor God wordt opgebrand en dat een lieflijke geur voor God is. Zo was ook het offer van Christus voor God:

Efeze 5:2….die Zichzelf voor ons heeft overgegeven als een offergave en slachtoffer, tot een aangename geur voor God.

Het gaat om dezelfde plaats die David uitkoos om een altaar te bouwen en te offeren om de plaag van het volk af te wenden.


1 Kronieken 21:22 En David zei tegen Ornan: Geef mij de plaats van de dorsvloer, om daarop voor de HEERE een altaar te bouwen; geef ze mij voor de volle prijs, zodat de plaag over het volk tot stilstand gebracht wordt.

 

Toen Abraham Ismaël moest loslaten stond hij vroeg op. Nu hij ook Izaäk moest loslaten, stond hij opnieuw  vroeg op, vastberaden in zijn bovenmenselijk geloof zadelde hij zijn ezel, maakte het hout klaar, nam Izaäk mee en ging op weg.

 

En dan die “DERDE DAG” die vermeld wordt in vers 4 is zo duidelijk gelinkt aan het offer en de opstanding van Yeshua. Ook al weerhield God Abraham op de DERDE DAG om Izaäk werkelijk te offeren, de manier waarop het verhaal verteld wordt  maakt duidelijk dat  Izaäk in feite  stierf en op de DERDE DAG OPGEWEKT werd.

Dat wordt heel duidelijk bevestigd in Hebreeën 11:17-19

Hebreeën 11:17 Door het geloof heeft Abraham, toen hij door God op de proef gesteld werd, Izaäk geofferd. En hij, die de beloften ontvangen had, heeft zijn eniggeborene geofferd.
18. Tegen hem was gezegd: Dat van Izaäk zal uw nageslacht genoemd worden. Hij overlegde bij zichzelf dat God bij machte was hem zelfs uit de doden op te wekken.
19. En hij kreeg hem als het ware daaruit ook terug.

Dat Abraham ervan overtuigd was dat deze Izaäk het heilig Zaad moest doorgeven, maakte dat hij wist dat hij Izaäk terug zou krijgen. Daarom kon hij tegen de knechten zeggen: “Blijven jullie hier met de ezel, dan zullen ik en de jongen daarheen gaan. Als wij ons neergebogen hebben, zullen wij bij jullie terugkeren.”  (vers 5)

Abraham legde het hout voor het altaar op zijn zoon. Ook hier zien we weer de overeenkomst met het offer van Yeshua:

Johannes 19:17 En terwijl Hij Zijn kruis droeg, ging Hij de stad uit naar de plaats die Schedelplaats genoemd wordt en in het Hebreeuws Golgotha.

De zinsnede in vers 6, maar ook in vers 8: “Zo gingen zij beiden samen” ziet ook op de samenwerking tussen de Vader en de Zoon. Hier wordt uitgebeeld wat Paulus schrijft:


Romeinen 8:32 Hoe zal Hij, Die zelfs Zijn eigen Zoon niet gespaard maar voor ons allen overgegeven heeft, ons ook met Hem niet alle dingen schenken?

Dan vraagt Izaäk aan zijn vader waar het het lam voor het brandoffer is en Abraham antwoordt profetisch dat Elohim zelf daarin zal voorzien.

Jehova-Jireh” of “Yahweh Jireh”   יְהוָה יִרְאֶה Yahweh zal voorzien.

We zien dat Izaäk zich op geen enkele manier verzette of tegenstribbelde. Gods Geest bewerkte in hem een overgave waarin hij het beeld werd van Yeshua. 

Hebreeën 10:7 Toen zei Ik: Zie, Ik kom – in de boekrol is over Mij geschreven – om Uw wil te doen, o God.

Het altaar dat in vers 9 gebouwd werd was niet “een” altaar, maar “het” altaar. In deze zin staat er in het Hebreeuws driemaal het woordje “et” אֶת  , de alef en de tav, die naar Christus verwijzen.  Je kunt de zin dus zo lezen:

“Abraham bouwde daar het אֶת altaar, schikte het אֶת hout erop, bond zijn zoon אֶת Izaäk en legde hem op het altaar, boven op het hout.”

En toen Abraham zijn hand uitstrekte en het mes nam om zijn zoon te slachten, was het de engel van Yahweh die vanuit de hemel  riep:

“Abraham, Abraham!” en opnieuw antwoordde Abraham met: “Hineini” = הִנֵּנִי “ Zie, hier ben ik”.  

Toen zei de Engel van Yahweh: Steek uw hand niet uit naar de jongen en doe hem niets, want nu weet Ik dat u godvrezend bent en uw zoon, uw enige, Mij niet onthouden hebt. Genesis 22:12.

 

Hierna zagen Abraham en Izaäk een ram achter hen, dat met zijn horens verstrikt zat in de struiken. Daar was het offerlam waarin Yahweh zou voorzien. Abraham ging erheen, nam die ram en offerde hem als brandoffer in de plaats van zijn zoon.

Hier wordt het zo duidelijk, dat het offer van het Lam van God ter vervanging plaatsvond van de zondige mens die de dood verdiende. Het was tot redding van de mensheid. Door dit offer te accepteren kan men ontsnappen aan de wet van de zonde die de mens de eeuwige dood in stuurt. 

 

Abraham gaf die plaats de naam “Jehova-Jireh” of “Yahweh Jireh”   יְהוָה יִרְאֶה Yahweh zal voorzien.

 

Het slot van deze gebeurtenis houdt een belofte in die voor zichzelf spreekt:

Genesis 22:15. Daarna riep de Engel van de HEERE tot Abraham voor de tweede keer vanuit de hemel.

  1. Hij zei: Ik zweer bij Mijzelf, spreekt de HEERE: Omdat u dit gedaan hebt en Mij uw zoon, uw enige, niet onthouden hebt,
  2. zal Ik u zeker rijk zegenen en uw nageslacht zeer talrijk maken, als de sterren aan de hemel en als het zand dat aan de oever van de zee is. Uw nageslacht zal de poort van zijn vijanden in bezit hebben.
  3. En in uw Nageslacht zullen alle volken van de aarde gezegend worden, omdat u Mijn stem gehoorzaam geweest bent.

Daarna keerde Abraham terug naar zijn knechten. Zij stonden op en gingen samen naar Berseba. En Abraham bleef in Berseba wonen.

DE LEEFTIJD VAN IZAÄK

Tot slot nog even een opmerking over de leeftijd van Izaäk, die in veel verhalen en plaatjes als een kind wordt voorgesteld.
De historicus Flavius Josephus schrijft dat Izaäk ten tijde van de "Akeida" (zoals de Joden deze gebeurtenis noemen) ouder dan 25 jaar was. Ergens tussen 25 en 37 jaar.  Waarschijnlijk dezelfde leeftijd als Yeshua.

 
Op de site van Peter & Vanessa Steffens staat het volgende:
"Een van de belangrijkste ‘aanwijzingen’ voor Izaäks leeftijd tijdens deze gebeurtenis, is de context van het verhaal. Onmiddellijk na het gebeuren in Genesis 22, wat door Joden ‘de Akeda’ of ‘de binding van Izaäk’ wordt genoemd, lezen we van de dood van Sara, zijn moeder. Genesis 23 vertelt ons dat zij 127 jaar was toen zij stierf, terwijl in Genesis 17:17 wordt vermeld dat zij 90 jaar was toen Izaäk geboren werd. Hieruit valt op te maken dat Izaäk in de geschiedenis die onmiddellijk aan haar dood voorafgaat, al 37 jaar oud zou kunnen zijn geweest.

Dit wordt nog eens bevestigd door een Joodse Targoem, een verklarende vertaling van de Hebreeuwse Bijbel naar het Aramees, die in de tijd van Jezus, naast de Griekse Septuagint, een van de meest gebruikte vertalingen was. Daar wordt expliciet vermeld dat Izaäk ten tijde van de Akeda 37 jaar oud was1."