To translate this website in different languages click here.

Genesis 32 - 36 terug naar Kanaän

Sichem, tussen de Ebal en de Gerizim, ten oosten van het huidige Nablus.

 

Jacob ontmoet zijn broer Ezau. De twee kampen staan tegenover elkaar. Jacob met zijn grote gezin en knechten en Ezau met zijn leger van 400 man. De beide kampen waren door God klaargemaakt voor de ontmoeting. Toen Jacob zich zeven maal ter aarde boog, snelde Ezau hem tegemoet, omarmde hem, viel hem om de hals en kuste hem; en zij beiden huilden.

De slavinnen met hun kinderen bogen zich neer, Lea en haar kinderen bogen zich neer en ook Rachel en Jozef bogen zich neer.

Voordat de worsteling  plaatsvond stuurde Jacob knechten Ezau tegemoet en noemde zijn geschenk tot vier keer toe: een mincha מִנחַה (het Hebreeuwse woord voor middagoffer).  Als Jacob later zelf oog in oog met Ezau staat, dus na de worsteling, noemt hij zijn geschenk een “bracha” בְּרָכָה een zegening.  Hetzelfde woord dat gebruikt werd toen Izak aan Jacob de zegen gaf die voor Ezau bedoeld was. 

Jacob bracht Ezau van de dauw van de hemel. Ezau wilde het geschenk niet aannemen, maar omdat Jacob aandrong aanvaardde hij het toch. Ezau zei : “ik heb al zoveel”, maar Jacob zei: “Ik heb ALLES!”

 

Genesis 33:11. Aanvaard toch mijn geschenk, dat u gebracht is, omdat God mij dit in Zijn genade geschonken heeft, en omdat ik alles heb. Hij drong zo aan dat hij het aanvaardde.

Ezau stelde voor om samen verder te gaan, maar Jacob ging daar niet op in. Jacob wilde in alle rust verder trekken met zijn gezin en veestapel en maakte ook geen gebruik van Ezau’s alternatieve aanbod om een aantal soldaten uit zijn leger met hen mee te laten gaan. Hij had deze ontmoeting heel bevrijdend ervaren na alle angst die hij tevoren had gekend. Het was zelfs zo dat Jacob tegen Ezau kon zeggen: “ik heb uw aangezicht gezien alsof ik het aangezicht van God zag, en u bent mij goedgezind geweest.” Genesis 33:10b Maar niettemin wist hij dat er twee kampen waren en hij wilde vrij zijn om verder te reizen.  Zijn reis was naar Sichem en die van Ezau naar Seïr.

Als Jacob het Beloofde Land binnenkomt en Sichem bereikt (ten oosten van het huidige Nablus) is hij op dezelfde plek waar Abraham aankwam toen hij Kanaän binnenkwam (Genesis 12:6). De Bijbel zegt dat hij in vrede (שָׁלֵם shaliem) daar aankwam. Dat woord “shaliem” betekent “in goede gezondheid naar geest, ziel en lichaam”.  Het woord is verwant aan “shalom”. Daarom kon hij ook tegen Ezau zeggen dat hij ALLES had. Hij is door de Eeuwige in alles gezegend. Hij had Gods genade ontvangen en was een wedergeboren man. Hetzelfde woord, een vervoeging van "shaliem" (Strong 8003) wordt gebruikt in Genesis 34:21 waar Hemor en Sichem, de bestuurders van Sichem, vaststellen dat het gezin van Jacob met een vredelievende gezindheid en goede intenties bij hen is gekomen. Jacob koopt een stuk grond in Sichem met uitzicht op die stad (33:18) en zette daar zijn tenten op. Hij richtte daar een altaar op en gaf het de naam: De God van Israël is God.

Het is het tweede stuk grond dat door één van de aartsvaders gekocht wordt. Daarna wordt het huisgezin van Jacob geweld aangedaan, doordat Dina door Sichem verkracht wordt. Wanneer de zonen van Jacob dat horen is hun vredelievendheid weg. Ze onderhandelden bedrieglijk met de bewoners van de stad en deden alsof zij zich met hen wilden verzwageren. Ze stelden als voorwaarde dat alle mannen besneden moesten worden. Op de derde dag na de besnijdenis, toen de mannen pijn hadden, sloegen Simeon en Levi de mannen meedogenloos dood. Ze roofden de vrouwen, kinderen en bezittingen van die stad. Jacob zag met afkeer het wrede optreden van zijn zonen en was bang dat de omliggende volken, de Kanaänieten en de Ferezieten, wraak zouden komen nemen. Hij stelde de eis dat alle afgoden binnen zijn gezin worden weggedaan en gehoorzaamde de opdracht die van God tot hem kwam:

Genesis 35:1 Daarna zei God tegen Jakob: Sta op, ga naar Bethel en ga daar wonen en maak daar een altaar voor de God Die aan u verschenen is, toen u vluchtte voor uw broer Ezau.

We weten dat de levens van de aartsvaders profetische voorafschaduwingen zijn van toekomstige gebeurtenissen van hun nakomelingen. Uit dit voorval zien we dat het volk Israël, nu nog alleen het gezin van Jacob, verleid had kunnen worden zich met de Kanaänieten te vermengen, wat God uitdrukkelijk had verboden toen later Jozua met het inmiddels uitgebreide volk Israël Kanaän introk. God legt de vrees voor Zijn Naam op de volken.

Jacob trekt naar Bethel. Daar openbaart El Shaddai zich opnieuw aan Jacob. Hij noemt Jacob bij zijn nieuwe naam Israël en vernieuwt de verbondsbelofte:

Genesis 35:11 Verder zei God tegen hem: Ik ben God, de Almachtige. Wees vruchtbaar en word talrijk. Een volk, ja, een menigte van volken zal uit u ontstaan; koningen zullen uit uw lichaam voortkomen. 12. Dit land, dat Ik Abraham en Izak gegeven heb, dat zal Ik aan u geven; en aan uw nageslacht na u zal Ik dit land geven.

 

Na twintig jaar heeft God hem weer in vrede in Bethel teruggebracht en heeft hem nooit verlaten. Jacob heeft geleerd om allereerst naar God te horen. Het gaat hier om het huis van God:

 Psalm 122:8,9 Omwille van mijn broeders en mijn vrienden

spreek ik nu: Vrede zij in u!

Omwille van het huis van de HEERE, onze God,

zal ik het goede voor u zoeken.

 

Het blijkt dat de gebeurtenissen in dit hoofdstuk niet helemaal in chronologische volgorde zijn opgetekend. Dit wordt duidelijk uit onderstaand schema. Aan de linkerkant staan de gebeurtenissen in de volgorde van de vermeldingen in de Bijbel.  In de rechterkolom de volgorde waarin de gebeurtenissen blijkbaar hebben plaatsgevonden.  

Vervolgens bezoekt Jacob zijn vader Izaäk. Toen Jacob zijn zonen wilde zegenen deed hij dit met de gedachte dat hij zou kunnen sterven. Ezau zei toen dat hij Jacob wilde doden als de rouwtijd over zijn vader voorbij zou zijn. Moeder Rebekka leefde niet meer, maar Izaäk heeft daarna nog 43 jaar geleefd.  Jacob was op 77 jarige leeftijd naar Laban gevlucht. Hij keerde terug naar Kanaän toen hij 97 jaar oud was. Izaäk leefde daarna nog 23 jaar en stierf op 180 jarige leeftijd. Jacob en Ezau begroeven hem. Genesis 35:27. Beide broers waren toen 120 jaar oud, omdat Izaäk 60 jaar was toen de tweeling geboren werd. Genesis 25:26

 

Intussen was Rachel langs de weg naar Efratha/Bethlehem gestorven, na een moeilijke bevalling. Dat lezen we in Genesis 35:16-20. Haar eerste zoon Jozef moet zo ongeveer 8 jaar oud zijn geweest. Wat had Rachel altijd verlangd naar het krijgen van kinderen.

Deze geboorteplaats was later in de profetie van Micha een aanwijzing van waar de Messias geboren zou worden:
Micha 5:1 En u, Bethlehem-Efratha, al bent u klein om te zijn onder de duizenden van Juda, uit u zal Mij voortkomen Die een Heerser zal zijn in Israël. Zijn oorsprongen zijn van oudsher,van eeuwige dagen af.

 

Terwijl ze stervende was, noemde Rachel haar zoon Ben Oni:  

Genesis 35: 18 En het gebeurde, toen haar ziel het lichaam verliet, want zij stierf, dat zij hem de naam Ben-oni gaf. Zijn vader gaf hem echter de naam Benjamin.

Ben-oni  Zoon van smarten = Yeshua tijdens zijn aardse leven

Ben-jamin Zoon van Mijn rechterhand = Yeshua aan de rechterhand van Zijn Vader

Zowel de geboorteplaats als de dubbele naamgeving zijn verwijzingen naar Yeshua. En zo zie je maar weer dat de gebeurtenissen in de families van de aartsvaders profetieën zijn van wat er later met Israël gebeurt.

Toen Rachel haar zoon Ben Oni (zoon van mijn smarten) noemde, profeteerde zij over de rouw die zou plaatsvinden bij de geboorte van de Messias in deze streek! Deze rouw was het gevolg van de slachting van alle mannelijke baby’s jonger dan twee jaar. Mattheüs 2:16-18.

Ondanks de geboorte van nieuw leven was er ook een dieptepunt, omdat Rachel, de lieveling van Jacob, stierf. Een ander dieptepunt dat vermeld wordt is dat Ruben gemeenschap had met Bilha, de bijvrouw van zijn vader. Genesis 35:22.

Vervolgens geeft hoofdstuk36 ons een overzicht van het nageslacht van Ezau. We komen bekende namen tegen: Elifaz, de eerstgeborene van Ezau en diens zonen Amalek en Teman. Elifaz was één van Job’s vrienden

Job 42:7  Nadat de HERE tegen Job was uitgesproken, wendde Hij zich tot de Temaniet  Elifaz en zei: "Ik ben toornig op u en uw twee vrienden, want u had geen  gelijk met wat u over Mij zei. Job had het wel bij het rechte eind.

Amalek was de onwettige zoon van Elifaz en de kleinzoon van Ezau. De Bijbel spreekt nadrukkelijk over de vijand Amalek.  Dat dit geslacht altijd vijandig heeft gestaan tegenover Israël, het nageslacht van Jacob, is te lezen in het boek Obadja. Een strijd die tot onze tijd is doorgegaan. Een strijd die binnenkort door Yeshua zal worden beslecht.

We zien een leven van Jacob vol met beproevingen en verdrukkingen. Tot slot nog even de vermelding van de verbondszegen die naar Jacob kwam toen hij weer terugkwam in Bethel

Genesis 35:10-12 God zei toen tegen hem: Uw naam is Jacob, maar uw naam zal voortaan niet meer Jacob luiden, maar Israël zal uw naam zijn; en Hij gaf hem de naam Israël.  Verder zei God tegen hem: Ik ben God, de Almachtige. Wees vruchtbaar en word talrijk. Een volk, ja, een menigte van volken zal uit u ontstaan; koningen zullen uit uw lichaam voortkomen. Dit land, dat Ik Abraham en Izak gegeven heb, dat zal Ik aan u geven; en aan uw nageslacht na u zal Ik dit land geven.