Leviticus 26 Zegen en vloek (2)

Leviticus 26 is een opsomming van zowel zegen als vloek.  De zegen zou het deel van het volk Israël zijn als ze Gods aanwijzingen zouden opvolgen.

In vers 2 wordt het sabbatsgebod herhaald, want dit is het merkteken van Gods inzettingen:

Lev. 26: 2 Mijn sabbatten moet u in acht nemen, en voor Mijn heiligdom moet u eerbied hebben. Ik ben de HEERE.

Bij het uitspreken van de vloek werd dat vier keer onderbroken met de aankondiging: “Als u dan ondanks dit alles nog niet naar Mij luistert, dan zal Ik u vanwege uw zonden zeven keer erger straffen”. (vers 18, 21, 24 en 28) Ze zullen gaandeweg steeds minder de hand van de HEERE in de straffen  herkennen. God moet dan steeds harder slaan.  

Bij de verbondsvernieuwing werden de vloek en zegen opnieuw uitgesproken.  Daarbij werden hemel en aarde als getuigen opgeroepen.


Deuteronomium 30:19  Ik neem heden tegen u tot getuigen de hemel en de aarde; het leven en de dood heb ik u voorgesteld, de zegen en de vloek! Kiest dan het leven, opdat gij leeft, gij en uw zaad;

Eigenlijk werd die keuze al aan Adam en Eva voorgehouden. Het is de keuze tussen dood en leven. De hemel geeft regen tot vruchtbaarheid als men gehoorzaam is en de aarde brengt die vrucht voort. Bij ongehoorzaamheid blijft de regen uit en het land is verlaten en dor.

We hebben gezien wat Israël is overkomen.  Toch gaan de volken uit de heidenen op geen enkele manier vrijuit.

God zegt in Zacharia 1 vers 15: "Maar Ik ben zeer toornig op de overmoedige volken, die, terwijl Ik maar een weinig vertoornd was, meehielpen ten kwade".

God had gezegd dat Israël, als zij ongehoorzaam zouden zijn aan de geboden en de wet, de zegen van het land zou verliezen. Ze zouden er uit gedreven worden. Maar de volken hebben, zonder dat zij daartoe van God opdracht hebben gekregen, meegeholpen ten kwade.  

In de verzen 40 tot en met 45 belooft God niettemin trouw te zijn aan het verbond met Abraham, Izak en Jakob.

Als we in bovenvermeld overzicht de zegeningen lezen, dan zijn dat eigenlijk al de kenmerken van het komende Vrederijk. Het is het verlangen van de HEERE om hier blijvend op aarde te wonen en dat Zijn inzettingen worden gehouden.  God komt tot Zijn doel met Zijn schepselen. Hij verlangt ernaar hen te zegenen. En dat geldt voor Jood en heiden beiden.

 

Het volgende komt uit de studie B’har/Bechukotai van Ardelle:

 

De kinderen van Israël werden om hun zonden onder de volkeren verspreid. Zij hadden het sabbatsjaar dat God had geboden, niet in ere gehouden. Daarom moesten zij in ballingschap gaan en het land verlaten. Het land lag er verwoest en verlaten ( sh’mamah שְׁמָמָה) bij. Het was de bedoeling dat Israël zijn zonden zou inzien, dat ze zich zouden vernederen en zouden belijden dat ze Gods inzettingen niet hadden onderhouden. Als dat zou gebeuren zal God zich het verbond met Abraham herinneren. Zo lezen we het in vers 40.

In deze parasha wordt het land wel 25 keer genoemd. God heeft ook zorg voor het grondgebied dat Hem toebehoort en waarvan Hij wil dat men daar zorgvuldig mee omgaat. Het woord shabbat daarentegen komt 7 keer voor. De nadruk ligt blijkbaar niet  in de eerste plaats op het volk, maar op het land. Het woord  voor verwoest en verlaten sh’mamah שְׁמָמָה wordt steeds in combinatie met het land genoemd.

Deze straf die op Israël wordt gelegd heeft gevolgen:

  1. Schande voor het volk
  2. het getuigt van zonde
  3. gevoel van wanhoop tijdens de ballingschap

   4. moeite om ooit naar de zo troosteloze, verwoeste plaats terug te keren.

De vijanden slaagden er niet in om het grondgebied bloeiend te maken tijdens de ballingschap. Ook in de tegenwoordige tijd is daarvan een voorbeeld. Toen de Joden in 2005 uit Gaza moesten vertrekken bleek dat de nieuwe pachters het landbouwgebied niet tot bloei konden brengen. Het lijkt erop dat het land onwillig is om vrucht voort te brengen voor vreemde volken. Het land wacht op de terugkeer van het volk Israël uit ballingschap en pas als zij naar hun Land terugkeren zal het opnieuw gaan bloeien.