Numeri 34 Grenzen & verdeling Kanaän

In bijgaand plaatje is met de rode lijn aangegeven hoe ongeveer de grenzen behoren te lopen volgens de aanwijzingen van Numeri 34:1-12. De blauwe lijn is aangebracht aan de hand van de aanwijzingen in Ezechiël 47: 13-20. 
Hieronder is een plaatje te zien met de verdeling van de stammen over het land.

De Rubenieten en de Gadieten die ten oosten van de Jordaan gevestigd waren (in het "Overjordaanse")  gingen voor hun broeders uit om het land bewoonbaar te maken voor de negen en een half stammen. Dat is ongetwijfeld met strijd gepaard gegaan. De oorspronkelijke bewoners moesten gedood of verdreven worden. Voor hen was in Gods ogen de maat van de zonde "vol". 

Bij de verbondssluiting had God tot Abraham gezegd dat zijn nageslacht  vreemdelingen zouden zijn in een land dat niet van hen was; zij zouden hen vierhonderd jaar onderdrukken.

Genesis 15:16 De vierde generatie zal hier terugkeren, want de maat van de ongerechtigheid van de Amorieten is tot nu toe niet vol. (Het verschil van 30 jaar heeft te maken met het verblijf van Izak in Gerar en Jakob in Haran)

Het oordeel over de Kaänanieten kwam dus nadat de maat van hun zonden vol was. In feite was dat ook gebeurd met de Midianieten. Ook de oordelen ten tijde van Noach en over Sodom en Gomorra en vonden plaats toen de maat van de zonde vol was. Er is opnieuw een oordeel geprofeteerd over onze wereld. Een oordeel waarna de rechtvaardigen in Christus het Koninkrijk van God mogen binnengaan, maar niet zonder strijd. Deze hele woestijnreis die nu ten einde is gekomen is een moeizame reis geweest door ongehoorzaamheid, verleidingen en vijandelijke aanvallen.  Het is een overblijfsel dat het Beloofde Land beërft. Velen zijn in de woestijn gestorven. Maar al deze dingen zijn voor ons ter waarschuwing opgeschreven:

1 Korinthe 10:11 Al deze dingen nu zijn hun overkomen als voorbeelden voor ons, en ze zijn beschreven tot waarschuwing voor ons, over wie het einde van de eeuwen gekomen is.

12 Daarom, wie denkt te staan, laat hij oppassen dat hij niet valt.

13 Meer dan een menselijke verzoeking is u niet overkomen. En God is getrouw: Hij zal niet toelaten dat u verzocht wordt boven wat u aankunt, maar Hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven om die te kunnen doorstaan.