Ga naar hoofdstuk: inleiding/index - 1/2  -3/4 - 5 - 6 - 7 - 8 - 9/10 - 11/12 - 13 -13/14 - 14/15 - 15 - 16 - 17 - 18 - 19  - 20a - 20/22

22-25 - 23/24 - 25 - 25-30 - 26 -  27 - 28/29 - 30 - 31 - 32 - 33 - 34 - 35/36  

English: click here!

Numeri 14 en Numeri 15 de woestijngeneratie

De rebellie van het volk. Het verslag van Jozua en Kaleb had tot gevolg dat het volk begon te mopperen en te jammeren, Ze kwamen in opstand tegen Mozes en Aäron. Ze beschuldigden God door te zeggen dat Hij hen beter in Egypte had kunnen laten. Hun boosheid was zo groot dat ze Jozua en Kaleb wilden stenigen, maar dit gebeurde niet omdat de Heerlijkheid van JAHWEH verscheen en tussen beiden kwam. (Numeri 14:10)

Numeri 14:1-10

In dit gedeelte van Numeri 14 zien we contrasten. De trouweloosheid van de gemeenschap steekt somber af bij het geloofsvertrouwen  van Jozua en Kaleb. De aanvoerder die ze wilden aanstellen om hen weer terug te brengen naar Egypte is het tegenbeeld van Jozua die hen als aanvoerder naar het Beloofde Land zou brengen. De uiteindelijke reisbestemmingen “Kanaän en Egypte” staan in schril contrast met elkaar.  Het opstandige volk en de zich verootmoedigende leiders Mozes en Aäron zijn tegenpolen. Hoe wrang ook dat Mozes en Aäron beiden het Beloofde Land niet zouden binnengaan.

Die contrasten zien we heel duidelijk in de chiastische structuur. De centrale as toont ons hoe Mozes en Aäron zich vernederden voor Jahweh, ten overstaan van heel het volk. 

 

In Hebreeën 3 wordt teruggekeken naar deze gebeurtenis en laat ons zien dat ook wij in die val zouden kunnen lopen en ons doel zouden kunnen missen. Israël is ons immers ten voorbeeld gegeven:

Hebreeën 3
12 Zie erop toe, broeders, dat er nooit in iemand van u een verdorven hart zal zijn, vol ongeloof, om daardoor afvallig te worden van de levende God;

13 maar vermaan elkaar elke dag, zolang men van een heden kan spreken, opdat niemand van u verhard zal worden door de verleiding van de zonde.

14 Want wij hebben deel aan Christus gekregen, als wij tenminste het beginsel van de vaste grond van het geloof tot het einde toe onwrikbaar vasthouden,

15 terwijl er wordt gezegd: Heden, als u Zijn stem hoort, verhard dan uw hart niet, zoals in de verbittering.

16 WANT HOEWEL SOMMIGEN DIE STEM GEHOORD HADDEN, HEBBEN ZIJ HEM VERBITTERD, MAAR NIET ALLEN DIE ONDER LEIDING VAN MOZES UIT EGYPTE WAREN GETROKKEN.

 

NUMERI 14: 25-45  Hoelang verdraag Ik het nog?

In deze parasha viel me het woordje “hoelang” (Numeri 14:27) op. Er staat dan zoiets van “hoe lang zal Ik dat gemopper nog verdragen?” Het is Jahweh die dit zegt. Het was nog niet eens het mopperen zelf, maar het ongeloof en de liefdeloosheid die daaraan ten grondslag ligt. Als we zo die geschiedenis van Israël doorlezen, dan komen we dat steeds weer tegen. Dat is geen reden om naar Israël te wijzen, ook in onze tijd en in onze cultuur vinden we dat ongeloof en die liefdeloosheid, omdat we los van God en Zijn Woord zijn.

 

Als we de weg zouden gaan in liefde tot God en in gehoorzaamheid aan Zijn Woord, zouden we ervaren hoe Hij ons door de moeiten heen leidt. Dat heeft de generatie na de 40 jaren verblijf in de woestijn, gelukkig wel ervaren. Wij mensen menen helaas dat we zelf wel weten hoe we onze zaakjes moeten regelen in plaats van met Paulus te vragen: “Heer, wat wilt U dat ik doen zal?” Handelingen 9:6. Het is vaak dat we deze wijsheid pas na schade en schande gaan zien. Maar voor het volk Israël was het te laat.

 

Toen ze inzagen wat de gevolgen waren van hun opstand, was er geen oprecht berouw, want ze behielden nog steeds zelf de regie. Ze wilden overmoedig zelf een oorlog beginnen tegen de Amalekieten en de Kanaänieten die al in aantocht waren en deden alsof dat uit gehoorzaamheid aan God was.  Hoewel Mozes ze waarschuwde om dit niet te doen, vertrouwden ze op hun eigen wijsheid met alle gevolgen van dien. “Eigenwijs”, wat een bekend Nederlands woord, maar wat een waarheid zit er in dat woord.

 

“Hoelang zal Ik u nog verdragen?” Dat verzuchtte ook Yeshua in Mattheüs 17:17. De context van deze uitspraak van Yeshua geeft ons ook te denken. We zijn als mensen door de zonden zo onvolmaakt, dat het moeilijk te verdragen is voor onze God. We zijn onheilig en onrein van nature en geen haar beter dan het Joodse volk. Maar verbonden aan Yeshua, de ware Wijnstok, zullen we vruchten gaan dragen die we niet aan onszelf te danken hebben. Zo zal ook de vijgenboom, het symbool voor Israël, die verdord en terzijde was gesteld, zijn vruchten gaan voortbrengen en YHWH zal behagen hebben in Zijn volk. Halleluja!

Ezechiël 20: 40 want op Mijn heilige berg, op de hoge berg van Israël, spreekt Adonai YHWH, daar zal heel het huis van Israël Mij in het land dienen, in zijn geheel. Daar zal Ik in hen behagen scheppen en daar zal Ik uw hefoffers vragen, met het allerbeste van al uw geheiligde gaven.

Deze hoofdstukken bevatten heel veel chiastische structuren. 

Uitleg over de chiastische structuur, die ik vorm heb gegeven vanaf de site “chiasme exchange”.

In de A vakken (groen) herkennen we de Amalekieten en de Kanaänieten, die op een onverwachte plek in vers 25 ertussen lijken geplaatst. Aan het einde van de perikoop worden ze weer vermeld en dat was een aanwijzing voor een – in dit geval ingewikkelde - chiastische structuur in dit Bijbelgedeelte.  

In de B vakken (lila) is de vraag “hoelang” gesteld en beantwoord. Het antwoord is 40 jaar voor het volk, maar een onmiddellijk oordeel over de rebellerende verkenners.
In vak B2 zit bovendien een contrast tussen leven (Jozua en Kaleb) en sterven (de opstandige verkenners). 

In de C vakken (geel) zien we een contrast tussen degenen die niet naar het land willen en degenen die er wel zullen komen.

En dan in vak D (oranje) komt het overblijfsel  naar voren dat getrouw is en vrijgesteld van oordeel en straf. 

NUMERI 15 doodstraf voor een sabbatschender

 

Daar schrikken we toch wel even van. Iemand, een vreemdeling, die gestenigd wordt omdat hij de sabbat schendt. Ook de vreemdeling moest zich aan Gods wetten houden. (Numeri 15:29) 

Het lijkt wel of God zegt dat bepaalde zonden niet zullen worden vergeven, wat indruist tegen wat ons allemaal is geleerd in het Nieuwe Testament. Maar dit is weer een voorbeeld, zoals we dat ook op meerdere plaatsen in Exodus, Leviticus en Numeri tegenkomen, waar iemand sterft als gevolg van zonde. Het maakt ons ervan bewust dat we door de zonde eigenlijk de dood verdienen. Maar het gaat hier om moedwillig verzet tegen God. Er bestond wel vergeving voor onopzettelijke zonden. 

Jesaja 5:24b omdat zij de wet van de HEERE van de legermachten afgewezen hebben en het woord van de Heilige van Israël verworpen hebben.

Toch onderstreept dit dat de Heilige Geest het evangelie van genade in de Messias Yeshua vanuit de Tora predikt. Immers het Nieuwe Testament leert ons duidelijk dat de het loon van de zonde de dood is (Romeinen 6:23). Als de dood niet het gevolg was van zonde, dan zou er geen Redder nodig zijn. Paulus kon dit verkondigen omdat zijn fundament verankerd was in de Tora.

Degene die opzettelijk zondigt, is degene die het Woord van de Heer veracht en die zich in feite, tegen Hem, die het Levende Woord is, verzet. Van de man die op sabbat hout sprokkelt wordt gezegd dat hij dat “met opgeheven hand” deed. Deze uitdrukking maakt duidelijk dat dit een daad van rebellie tegen God was.

Numeri 15:30 Maar de persoon die iets met opgeheven hand doet, van de ingezetenen of van de vreemdelingen, die lastert de HEERE: die persoon moet uit het midden van zijn volk uitgeroeid worden, 31 want hij heeft het woord van de HEERE veracht en Zijn gebod verbroken. Die persoon moet beslist uitgeroeid worden, zijn ongerechtigheid is op hem.

Degene die moedwillig zondigt lastert Jahweh. Lasteren גָּדַף khadaf (Strong 1442) betekent ook "beschimpen", "tergen". We kennen dit ook in het Nieuwe Testament. Wie moedwillig zondigt "lastert de Heilige Geest". 

Markus 3: 28 Voorwaar, Ik zeg u dat alle zonden de mensenkinderen vergeven zullen worden, en de lasteringen die zij ook maar uitgesproken zullen hebben; 29 maar wie gelasterd zal hebben tegen de Heilige Geest, die heeft geen vergeving in eeuwigheid, maar is schuldig en verdient het eeuwige oordeel.

Ook Paulus was vroeger een godslasteraar, maar omdat hij het in onwetendheid deed is het hem vergeven:
1 Timotheüs 1: 12 En ik dank Hem Die mij kracht gegeven heeft, namelijk Christus Jezus, onze Heere, dat Hij mij trouw geacht heeft, toen Hij mij een plaats gaf in de bediening, 13 mij, die vroeger een godslasteraar was, een vervolger en een verdrukker. Maar mij is barmhartigheid bewezen, omdat ik het in onwetendheid gedaan heb, in ongeloof.

Hij dwong zelfs anderen te lasteren. (Handelingen 26:11) Maar Paulus had er ook berouw over.  

1 Kor. 15:9 Ik immers ben de minste van de apostelen – ik die het niet waard ben een apostel genoemd te worden, omdat ik de gemeente van God vervolgd heb.

En berouw voor God is kenmerkend om vrij te zijn van zonde tegen de Heilige Geest. Dat zal met de sabbatschender niet het geval zijn geweest. 

Ida