English & other languages: click here!

2 Samuël 6 en Samuel 7:1-17

de Verbondsark naar Jeruzalem - Een eeuwig Koningschap

2 Samuel 6:1-2 Daarna verzamelde David opnieuw de beste van alle mannen in Israël, dertigduizend. David stond op en ging op weg met al het volk dat bij hem was, vanuit Baälim-Juda, om vandaar de ark van God op te halen, de ark waarbij de Naam wordt aangeroepen: de Naam van de HEERE van de legermachten, Die daarop troont, tussen de cherubs.

De Verbondsark van God vertegenwoordigde de onmiddellijke nabijheid en heerlijkheid van God in Israël die bij Zijn volk wil wonen. David zag het als een eerbewijs aan God en een zegen voor het volk om de ark in Jeruzalem te brengen en een ereplaats te geven. Het volk moest zich bewust zijn dat hun positie als “de vrouw” van God ook hun handel en wandel zou bepalen.  

De eerste keer dat David de ark naar Jeruzalem wilde brengen, zorgde David voor een nieuwe wagen, waarop de ark van het verbond een ereplaats kreeg. Hij zorgde voor een feestelijke intocht van het zichtbare teken van Gods aanwezigheid. Er werd gehuppeld en gedanst en er werd muziek gemaakt met allerlei instrumenten. Maar dan……..

De runderen die de wagen trokken struikelden. De ark begon te schuiven, dreigde van de wagen te vallen. En Uzza, één van de beide mannen die het transport begeleidden, strekte zijn hand uit om de ark voor vallen te behoeden. En dan lezen we in Gods Woord:

Toen ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Uzza, en God strafte hem daar om deze onbedachtzaamheid, en hij stierf daar bij de ark van God. (2 Samuel 6:7)

Hoe kon dat nu? Het was toch allemaal zo goed bedoeld? Ja, maar wij mensen denken van nature anders dan God denkt. God was boos omdat de mensen zelf de gedragscode bepaalden die afweek van wat Hij bepaald had. Zij hielden geen rekening met Gods heiligheid. God boos…., David boos….

 

David ontstak in woede, omdat de HEERE Uzza een zware slag had toegebracht. (2 Samuel 6:8)

 

In  Numeri 1 staan aanwijzingen voor het vervoer van de ark:

Numeri 1:50-51 Wat u betreft, stel de Levieten aan over de tabernakel van de getuigenis en over alle bijbehorende voorwerpen, ja, over alles wat erbij hoort. Zíj moeten de tabernakel en alle bijbehorende voorwerpen (dus ook de verbondsark) DRAGEN. Zíj moeten dienen, en zij moeten hun kamp rondom de tabernakel opslaan. En wanneer de tabernakel moet opbreken, dienen de Levieten hem uit elkaar te nemen, en wanneer de tabernakel halt moet houden, dienen de Levieten hem weer op te bouwen. En DE ONBEVOEGDE DIE TE DICHTBIJ KOMT, MOET TER DOOD GEBRACHT WORDEN.

Ook in Numeri 4 staan aanwijzingen voor het vervoer:

Numeri 4:5-6 Bij het opbreken van het kamp moeten Aäron en zijn zonen komen en het voorhangsel ter afscherming losmaken, en daarmee moeten ze DE ARK VAN DE GETUIGENIS BEDEKKEN.  6 Zij moeten er een deken van zeekoeienhuid overheen leggen, en daarover een geheel blauwpurperen kleed uitspreiden en zijn draagbomen aanbrengen.

Op de plaatjes die we kennen zien we altijd een onbedekte ark die vervoerd werd. Maar het gebod van God was om de ark te bedekken.

Nog meer aanwijzingen:

Numeri 5:15  Als Aäron en zijn zonen bij het opbreken van het kamp het bedekken van het heiligdom en van alle voorwerpen in het heiligdom voltooid hebben, mogen de nakomelingen van Kahath daarna komen om alles te DRAGEN; maar zij mogen dat heilige niet aanraken, OPDAT ZIJ NIET STERVEN. Dit is wat de nakomelingen van Kahath in de tent van ontmoeting moeten dragen.

Het spreekt vanzelf dat David heel erg ontmoedigd was door het feit dat God Uzza doodde op deze feestelijke intocht.

Hoe moet de ark van YAHWEH bij mij komen?

Deze vraag vormt de centrale as van bovenvermelde chiastische structuur. David wist dat het belangrijk was om de ark van de HEER in het middelpunt van Israëls leven te brengen. Hij wilde dat heel Israël enthousiast zou zijn over de aanwezigheid en heerlijkheid van God. Door wat er met Uzza gebeurde, had David het gevoel dat hij niet kon doen wat God van hem verlangde.

Davids antwoord in de rest van het hoofdstuk laat zien dat hij het antwoord op zijn vraag heeft gevonden. Hij beantwoordde de vraag met de gedachte die later in Jesaja 8:20 tot uitdrukking komt: Terug naar de wet en het getuigenis! David vond het antwoord in Gods woord. Een antwoord dat ook menig gelovige weer tot zich neemt in deze tijd. 

Een gezegende tweede poging

Na dit droevige voorval kon er geen feestelijke intocht in Jeruzalem plaatsvinden. Daarom liet David de ark naar het huis van Obed-Edom overbrengen. Deze Obed-Edom was een Leviet uit de familie van Kahath ( 1 Kronieken 26:4 ). Dit was de familie binnen de stam Levi waarvan God geboden had dat zij de ark moesten dragen en verzorgen ( Numeri 4:15 ).

Toen David hoorde dat de HEERE het gezin van Obed-Edom en al wat hij heeft, had gezegend vanwege de ark van God, kreeg David weer moed. Hij verblijdde zich daarover. Hij haalde hij de ark van God vanuit het huis van Obed-Edom om die te brengen  naar de stad van David. Gods Woord werd gehoorzaamd en Zijn heiligheid werd gerespecteerd, en nu volgde de zegen. God wilde dat de ark een zegen voor Israël zou zijn, geen vloek.

Opnieuw bracht David de ark naar Jeruzalem. Het spreekt vanzelf dat hij de Tora ernstig is gaan bestuderen, waardoor hij blijkens psalm 119 ook een diepe liefde kreeg voor Gods verordeningen en hij zich heel erg bewust werd van de heiligheid van God. Er was opnieuw muziek, lofzang en blijdschap maar deze keer werd de ark vervoerd door dragers uit de Levieten met de vereiste draagstokken. Na zes passen werden er offers gebracht:

En het gebeurde, nadat de dragers van de ark van de HEERE zes stappen gedaan hadden, dat hij een rund en een gemest kalf offerde. (2 Samuel 6:13)

Deze geschiedenis past bij wat we deze week bestuderen over Nadab en Abihu. Beide geschiedenissen laten ons zien dat we God niet moeten dienen op een manier die ons zo goed lijkt. Het is van belang om de Tora te bestuderen en ons bewust te zijn van de hoge heiligheid van God, waarmee we niet nonchalant mogen omgaan.

Hoe hard dit ook mag klinken, we weten dat Yeshua ons zondoffer is! We mogen daarop een beroep doen. Het doet YAHWEH verdriet als we Zijn Tora veronachtzamen en Hem onbezorgd naar eigen inzicht dienen. Sterker nog: Hij kan dat niet verdragen en het zou onze dood betekenen als wij ons niet met schuldbesef vastklampen aan Yeshua.

Wat een feest!! Wat een blij feest kan het zijn als God daarin geëerd en gehoorzaamd wordt met gejuich en met bazuingeschal, met trompetten en met cimbalen; met luiten en harpen.(1 Kron. 15:28) Een vreugde die mijlenver afstaat van de aardse lol die, in plaats van vervulling met de Heilige geest, gevoed wordt door de geest van de alcohol. Maar niet iedereen kan meegaan in die heilige feestvreugde. Dat zien we bij Davids eigen vrouw Michal, de dochter van Koning Saul.   

2 Samuel 6:16 En het gebeurde, toen de ark van de HEERE in de stad van David kwam, dat Michal, de dochter van Saul, door het venster naar beneden keek. Toen zij koning David zag springen en huppelen voor het aangezicht van de HEERE, verachtte zij hem in haar hart.

Waar was nu de waardigheid, de status van een koning? Hoorde hij niet plechtig voorop te gaan in het volle ornaat van een koning? Liep hij daar ijskoud te dansen in een priesterhemd, terwijl al die slavinnen dat zagen. 

Michal verachtte haar echtgenoot. Ze was niet blij om de ark van YAHWEH, maar bezorgd over hun status, haar aanzien. Het was hetzelfde gedrag als dat van haar vader, koning Saul, bij wie het gehoorzamen aan God, in zijn reactie in 1 Samuël 15:30, ten koste van zijn status en eer zou gaan. Uit 1 Kron. 15:27 blijkt dat David, net als de Levieten, een efod en een linnen priesterhemd droeg.

De ark werd in Jeruzalem in een tent geplaatst die daarvoor gemaakt was. Er werden brandoffers en dankoffers gebracht. Van die dankoffers werd gegeten. David zegende het volk in de Naam van YAHWEH van de legermachten (De HEERE ZEBAOTH). Voordat men weer naar huis ging deelde David aan ieder één broodkoek, één klomp dadels en één rozijnenkoek uit.

Toen David thuiskwam om zijn gezin te zegenen vond hij in plaats van een blijde, liefhebbende vrouw, een mokkende echtgenote met cynische opmerkingen.

En dan is David beslist niet zachtzinnig in zijn reactie. Hij verbindt haar houding met het gedrag van Michal’s vader:

2 Samuel 6:21-22. Maar David zei tegen Michal: Voor het aangezicht van de HEERE, Die mij uitgekozen heeft boven jouw vader en boven heel zijn huis door mij aan te stellen als een vorst over het volk van de HEERE, over Israël, ja, voor het aangezicht van de HEERE heb ik gehuppeld! En ik zal mij nog geringer gedragen dan dit en nederig zijn in eigen oog, maar met de slavinnen over wie je sprak, met hen zal ik geëerd worden.

Toen werd Michal kinderloos.

2 Samuel 7:1-17 Het erfelijk koningschap aan David toegezegd

Na dit grootse feest was er rust in het land en in het hart van David. Maar toch…. David had er geen vrede mee dat de Ark van YAHWEH in een schamele tent verbleef, terwijl David zelf in een prachtig paleis woont. Hij ging erover in gesprek met de profeet Nathan, die hem in eerste instantie bevestigde in zijn idee om een tempel te bouwen.

Maar in de nacht spreekt God in een visioen tot Nathan. Hij heeft een boodschap voor David. Nathan had naar menselijk oordeel en gezond verstand geoordeeld, voordat hij het woord van YAHWEH daarover geraadpleegd had. Niets menselijks is ook een oprechte profeet vreemd. Nathan moest dus weer terug naar David.

Nathan moet aan David de vraag voorleggen: “Zou ú voor Mij een huis bouwen, voor Mij om in te wonen?”  Dat is zoiets als

“Denk je dat een mens dat kan?

Weet je wel wat je zegt?

Begrijp je wel dat ik niet woon in een huis met handen gemaakt?”

God had in de woestijn niet in een huis gewoond, maar had een tent laten maken. Toen had Hij ook niet gezegd: “Waarom bouwt u voor Mij geen huis van cederhout?”  Je zou zeggen: natuurlijk niet, een opvouwbare tent is veel praktischer op zo’n reis.

YAHWEH spreekt tot David, via de mond van Nathan: “ik heb je achter de schapen weggehaald om een leider over Mijn volk te zijn”. Dit is de centrale as in de chiastische structuur. Dat leiderschap, het koningschap van David is een beeld van de grote Koning, die tot ons komt in de Naam van YAHWEH. Dan vervolgt Nathan dat God altijd met David is geweest, hem zijn oorlogen deed winnen, de vijanden uitgeroeid heeft en hem een aparte plaats gegeven heeft onder de groten op aarde. God heeft Zijn volk Israël een plaats daar gegeven, zodat het niet overal heen gedreven wordt en dat ze vrij zijn van onderdrukkende machten, zoals vroeger en in de dagen van de richters. Ik heb jou David rust gegeven van al je vijanden. De HEERE gaat voor jou David een huis maken! God beloofde David dat Hij een huis voor hem zou bouwen in de zin van het vestigen van een dynastie voor het huis van David. Dit was lang na zijn dood een blijvende erfenis voor David. Maar een betere belofte: één die zich uitstrekt naar het Vrederijk.

God zei "Nee" tegen Davids aanbod omdat David een man van de oorlogen was en God wilde dat een man van vrede Zijn tempel zou bouwen. 1 Kronieken 22:8-10 legt dit uit:

1 Kronieken 22:8-10 maar het woord van de HEERE kwam tot mij: U hebt een grote hoeveelheid bloed vergoten en u hebt grote oorlogen gevoerd. U mag voor Mijn Naam geen huis bouwen, omdat u een grote hoeveelheid bloed op de aarde voor Mijn aangezicht vergoten hebt. Zie, een zoon zal u geboren worden; díe zal een man van rust zijn, want Ik zal hem rust geven van al zijn vijanden van rondom. Ja, Salomo zal zijn naam zijn, want Ik zal in zijn dagen vrede en stilte over Israël geven.  Hij is het die voor Mijn Naam een huis zal bouwen, en hij is het die Mij tot een zoon zal zijn, en Ik hem tot een Vader. En Ik zal de troon van zijn koninkrijk tot in eeuwigheid over Israël bevestigen.

Het is de vraag of David de reden toen al heeft geweten. Want het boek van de Kronieken is van latere tijd. Maar David had een groot vertrouwen in God en dan is er vrede als een mens kan zeggen: “God heeft een goede reden; Ik kan het niet begrijpen, maar het is goed.”

2 Samuel 7:12-14 Wanneer uw dagen voorbij zijn en u met uw vaderen ontslapen bent, zal Ik uw nakomeling (Zaad) na u, die uit uw lichaam voortkomt, doen opstaan en Ik zal zijn koningschap bevestigen. Die zal voor Mijn Naam een huis bouwen, en Ik zal de troon van zijn koningschap voor eeuwig bevestigen. Ík zal hem tot een Vader zijn, en híj zal Mij tot een zoon zijn, wat wil zeggen: als hij zich misdraagt, zal Ik hem terechtwijzen met een stok als van mensen en met slagen als van mensenkinderen.

 

David mocht de tempel niet bouwen, want zijn zoon Salomo kreeg die opdracht. David heeft al wel veel materialen ingekocht en Salomo instructies gegeven.

 

In het Hebreeuws staat in vers 12 voor “uw nakomeling”  אֶת-זַרְעֲךָ  et-zaracha. Hier staat dus “zaad” en wat Salomo betreft is dat met een kleine letter “z”, maar het verwijst vooral naar de grote Vredevorst Yeshua, die we met een hoofdletter “Z” zouden aanduiden. Bovendien staat er voor dit woord de lettercombinatie aleph-tav, wat als “et” wordt uitgesproken. Het gaat hier uiteindelijk om de echte koning Yeshua, die net zo als Salomo in een rijk van vrede zal regeren, maar dan in een volmaakt bestuur. De latere koningen hebben een bijzonder goddeloos bestuur vertoond, op enkele uitzonderingen na: zoals Hizkia en Josia. Er komt niemand meer op de troon van David voordat Yeshua, de Zoon van God, daarop plaats zal nemen. Ook niet iemand van Europese koningshuizen zoals hier en daar verondersteld wordt. De Europese koningshuizen vallen onder de categorie die in Psalm 2 bedoeld wordt.

 

De troon, Davids troon (2 Sam.7:16), werd voor eeuwig bevestigd (2 Sam.7:13). In 2 Sam.7: 14-15 staat dat God de koningen, als zij ongerechtigheid bedrijven, zal tuchtigen met een roede der mensen, maar Hij zal dit verbond niet verbreken. De troon zal voor altijd blijven bestaan! Want het zaad is vooral het Zaad met een hoofdletter: van Christus, de ultieme Vredevorst. Hij is nu onze Koning die vanuit de hemel zegenend regeert over Zijn volgelingen in ballingschap. De aardse troon van David en Salomo als vredevorst, fungeerde als beeld van de volmaakte troon van Hem die bij de hemelvaart verklaarde: MIJ IS GEGEVEN ALLE MACHT IN HEMEL EN OP AARDE.

 

Mattheüs 28:18-20 En Jezus kwam naar hen toe, sprak met hen en zei: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Ga dan heen, onderwijs al de volken, hen dopend in de Naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest, hun lerend alles wat Ik u geboden heb, in acht te nemen. En zie, Ik ben met u al de dagen, tot de voleinding van de wereld. Amen.