English: click here!

Richteren 14 Simson in de context van het Palestijnse vraagstuk

In een ander artikel hebben we de aankondiging van de geboorte van Simson onder de aandacht gebracht. De aangekondigde zoon werd geboren en Simson genoemd, wat "zonnetje" of "kleine zon" betekent. Zowel de geboorte van Simson als de geboorte van Yeshua, werden door een engel aangekondigd. Over de jeugdjaren van Simson geeft de Bijbel geen informatie, net zo als er weinig over de jeugdjaren van Yeshua bekend is.  Nu gaan we verder met Simsons leven als Richter van Israël.

 

Hij is als nazireeër aan God gewijd en zal "beginnen" Israël te verlossen uit de hand van de Filistijnen. (Richteren 13:5)  Dat "beginnen" wil zeggen dat het nog geen definitieve bevrijding zal zijn. 

We zullen zien dat zijn leven en bediening ons veel te zeggen heeft voor de tijd waarin wij leven. Sterker nog, dat zijn leven, ondanks zijn misstappen, een beeld van Yeshua is.

In onze tijd heeft Israël  een soortgelijk gevecht tegen de Palestijnen. De Filistijnen waren de enige vijand die in het land van Israël woonden en de Palestijnen van nu (geen echt volk overigens) ook. En zowel de Filistijnen als de Palestijnen willen bezit nemen van het land Israël.

Bij de Filistijnen zien we hoe Juda met de vijand mee heulde en mee hielp om Simson aan de Filistijnen over te leveren. Ze streden tegen een Nazireeër. We zien Juda nu ook strijden tegen de Nazireeër Yeshua haMashiach. Het sluit akkoorden met de vijand. Denk aan de Abrahamitische akkoorden en de Noachitische wetten.

Profetie kan zich gedurende de eeuwen een aantal keren herhalen en het lijkt dat ook te doen in de eindtijd. Yeshua zegt dit er over:

Joh 5:43 Ik ben gekomen namens mijn Vader, maar jullie willen Mij niet geloven. Maar als iemand anders komt namens zichzelf, geloven jullie hém wel.

Simson die werd geroepen om Israël te bevrijden werd afgewezen en Yeshua zal eveneens afgewezen worden. Hij die alleen Israël kan redden!!!!

Filistijnen

Gaza betekent ‘de sterke’, Askelon betekent waarschijnlijk ‘trektocht’ en Ekron betekent ‘onvruchtbaarheid’. In Richteren 1:18 lezen we dat deze drie steden met de daarbij behorende gebieden door Juda werden ingenomen. Deze drie steden zijn drie van de vijf hoofdsteden van de Filistijnen.

Historisch gezien waren de Palestijnen vreemdelingen in het land Kanaän. Zij zijn gekomen van over de zee. Het was een zeevarend volk. Ze kwamen vermoedelijk uit Uit Griekenland en/of Klein-Azië. 

Het waren de vijf vorsten van de Filistijnen, genoemd in Richteren 3 en 4  die er waren om Israël op de proef te stellen, opdat YHWH zou weten of zij naar Zijn geboden zouden luisteren, die Hij hun vaderen door de dienst van Mozes geboden had.

De vijanden die bij name worden genoemd, zijn de Filistijnen, de Kanaänieten, de Sidoniërs en de Hevieten. Ook wordt het gebied van de vijanden beschreven. Elke vijand heeft zijn eigen werkterrein. De Filistijnen worden als eerste genoemd. Zo vinden we het ook in Jozua 13 (Jozua 13:1-2). Daar zegt de HEERE dat er nog veel land is overgebleven om in bezit te nemen.

Als het niet veroverde land wordt opgesomd, wordt het gebied van de Filistijnen het eerst genoemd. De Filistijnen nemen onder de vijanden van Israël een bijzondere plaats in. Zij zijn de hardnekkigste vijanden. Pas als David koning is, zal hij deze vijand zijn kracht ontnemen, maar ook dan wordt hij niet volkomen uitgeschakeld. Ook dan nog blijft hij actief, al is het niet meer als overheerser van het volk. Opmerkelijk is dat hier niet het Filistijnse volk wordt genoemd, maar “vijf vorsten van de Filistijnen”

In het zojuist aangehaalde Jozua 13 lezen we over dezelfde vijf vorsten en worden de namen van de plaatsen opgesomd waarover zij heersen (Jozua 13:3). Drie van die plaatsen heeft Juda ingenomen (Richteren 1:18). Maar hier blijkt dat ze dat niet afdoende hebben gedaan. De Filistijnen vormen een volk dat zich in het land heeft genesteld en het voor zichzelf opeist. In Exodus 13 lezen we dat God Zijn volk uit Egypte laat trekken en dat Hij “hen niet leidde [langs] de weg door het land van de Filistijnen, hoewel dat korter was” (Ex 13:17). Via het land van de Filistijnen zou de kortste weg naar Kanaän geweest zijn. Toch is dat niet de weg die God Zijn volk heeft aangewezen. Hij heeft een andere weg voor hen in gedachten gehad, een weg waarop ze ervaringen met Hem hebben opgedaan en waardoor ze Hem beter hebben leren kennen en ook zichzelf. De Filistijnen zijn het land via een andere weg binnengekomen

Zoals gezegd is het Filistijnse volk een vijand die zich binnen de grenzen van het land  Israël bevindt. Ze bevolken een kleine strook grond aan de rand van de Middellandse Zee. Zij eisen het land voor zichzelf op en drukken er zelfs hun stempel op door hun naam eraan te verbinden. In het woord ‘Palestina’ klinkt de naam ‘Filistijnen’ door.

De satan weet precies hoe hij oude dwalingen en boosheid moet laten herleven en hij weet ze ook te gebruiken om het volk van God opnieuw in slavernij te voeren. Dat is ook in ons leven zo. We hebben te maken met een overwonnen vijand, maar hij is nog in leven en probeert het volk van God aan zich te onderwerpen. Hij zal pas in de toekomst definitief worden uitgeschakeld

Nu was er in heel het land Israël geen smid te vinden, want de Filistijnen hadden gezegd: Anders gaan de Hebreeën zwaarden of speren maken. (1Samuël 13:19)

Richteren 10:6 Maar de Israëlieten deden opnieuw wat slecht was in de ogen van de HEERE, en dienden de Baäls en de Astartes en de goden van Syrië, de goden van Sidon, de goden van Moab, de goden van de Ammonieten en de goden van de Filistijnen. Zij verlieten de HEERE en dienden Hem niet. 7 Toen ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Israël en Hij leverde hen over in de hand van de Filistijnen en in de hand van de Ammonieten. 8 En in datzelfde jaar begonnen dezen de Israëlieten te verdrukken en te vertrappen. Achttien jaar [onderdrukten zij] al de Israëlieten die aan de overzijde van de Jordaan woonden, in het land van de Amorieten, dat in Gilead lag. 9 Bovendien staken de Ammonieten de Jordaan over om ook tegen Juda te strijden en tegen Benjamin en het huis van Efraïm, zodat Israël zeer in het nauw zat. 

God laat Israël nu aan zichzelf over, opdat ze het juk zullen voelen dat zij vrijwillig op zich hebben genomen door het dienen van de afgoden. Als het gevoel van Gods gezag over het leven verloren gaat en dat gezag aan andere dingen, afgoden, wordt gegeven, is God genoodzaakt het gezag van die andere dingen te laten voelen. Om het volk tot het besef te brengen waarmee ze bezig zijn en aan wie ze zich hebben toevertrouwd, geeft Hij hen over in de macht van de Filistijnen en Ammonieten.

Richteren 10:10 Toen riepen de Israëlieten tot de HEERE en zeiden: Wij hebben tegen U gezondigd, zowel omdat wij onze God hebben verlaten, alsook omdat wij de Baäls hebben gediend. 11 Maar de HEERE zei tegen de Israëlieten: Heb Ik u niet van de Egyptenaars [verlost], en van de Amorieten, de Ammonieten en de Filistijnen, 12 en van de Sidoniërs, de Amalekieten en de Maonieten, toen zij u onderdrukten en u tot Mij riep en Ik u uit hun hand verloste? 13 En toch hebt u Mij verlaten en andere goden gediend. Daarom zal Ik u niet meer verlossen. 14 Ga weg en roep tot de goden die u verkozen hebt. Laten die u verlossen ten tijde dat u in nood verkeert! 15 Maar de Israëlieten zeiden tegen de HEERE: Wij hebben gezondigd. Doet u [maar] met ons naar alles wat goed is in Uw ogen; alleen, red ons toch op deze dag! 16 En zij deden de vreemde goden uit hun midden weg en dienden de HEERE. Toen kon Zijn ziel de moeite van Israël niet langer verdragen

De geschiedenis van Simson (Richteren 13) is er een van merkwaardige contrasten. We zien bij hem aan de ene kant de genade en het voornemen van God, het plan dat God met hem heeft. Aan de andere kant zien we hoe weinig daarvan in zijn leven terechtkomt. Wat God met Simson bedoelt en wie Simson in de praktijk is, zijn twee verschillende dingen. Simson is telkens een gevangene van de vijand waarvan hij zich ook steeds weer bevrijdt. Hij sterft zelfs in de handen van zijn vijanden, de Filistijnen. Hij is ook een type van Israël dat God voor Zichzelf als volk heeft afgezonderd, maar dat zich niet als Zijn volk heeft gedragen. Simson was dus geen willoos werktuig, maar wel een krachteloos werktuig die kracht van God kreeg waarmee hij instemde. Hier zie je dan ook in het Eerste Testament al de contouren van de uitstorting van de Heilige Geest: niet door (menselijke) kracht noch door geweld, maar door Mijn Geest zal het geschieden. Zoals ook van Yeshua gezegd werd dat Hij door de Geest werd geleid.

Maar de Israëlieten deden opnieuw wat slecht was in de ogen van de HEERE. Daarom gaf de HEERE hen over in de hand van de Filistijnen, veertig jaar [lang]. Voor de zevende keer lezen we het: “De Israëlieten deden opnieuw wat slecht was in de ogen van de HEERE.” De tuchtroede die God nu gebruikt, zijn de Filistijnen. De Filistijnen worden niet genoemd onder de zeven zondige naties van Kanaän. (Deut. 7:1) Ze zijn al eerder betrokken geweest bij een tuchtiging (Richteren 10:7). Daar zijn ze echter niet de hoofdvijand en dat is nu wel zo. Zij leggen beslag op het land.

De Filistijnen zijn immers geen vijanden van buiten het land, maar ze wonen er in. Hoewel zij geen recht op het land hebben, want God heeft dat aan Zijn volk toebedeeld (Deut. 32:8-9), verbinden zij toch hun naam eraan. De naam Palestina is afgeleid van de naam Filistijn. Van al Israëls vijanden staat in het Oude Testament het meest over de Filistijnen vermeld. Zij hebben Israël langer in slavernij gehouden dan welk ander volk ook. David heeft hen pas definitief verslagen.

Richteren 14

Simson wilde trouwen met een Filistijnse vrouw, zeer tot ongenoegen van zijn ouders. Zij konden Gods bedoeling daarvan niet zien.

Richteren 14:4 Nu wisten zijn vader en zijn moeder niet dat dit van de HEERE was, dat hij een aanleiding zocht tegen de Filistijnen. Want de Filistijnen heersten in die tijd over Israël.

Simson gaf een raadsel op waaraan een weddenschap was verbonden. 

Toen Simsons schoonfamilie zijn opgegeven raadsel niet kon oplossen, dreigden zij Simsons bruid te zullen verbranden als zij de oplossing niet aan Simson zou ontfutselen.

De vrouw laat blijken dat zij, ondanks een verbinding met Simson, in wezen een Filistijnse is gebleven. Haar omgang met hem heeft geen invloed gehad op haar hart. Ze voelt zich nog steeds één met de Filistijnen en spreekt in 14:16 over “mijn volksgenoten”. Zij chanteert hem met één van de sterkste wapens die een vrouw bezit: haar emoties. Daartegen blijkt de sterke Simson niet bestand. Hij wordt een arme, zwakke Simson die geen geheimen kan bewaren. Dit zal later nog eens gebeuren en dan wordt het hem fataal..

Toen ze van haar hoorden dat het ging om honing uit de leeuw die door Simson was doodgeslagen, hadden ze recht op de beloofde beloning van dertig stel kleren. Om die te krijgen moest Simson 30 Filistijnen doden en dat gebeurde doordat Gods Geest hem daartoe aandreef.  

Dit was de reden waarom Simson wraak nam op de Filistijnen. Een reden die door God gebruikt werd om Simson geschikt te maken om de strijd met de bezetter: de Filistijnen, aan de binden.