To translate this page into different lamguages, click here!

2 Korinthe 9 - collecte voor Jeruzalem

Paulus in het huidige Griekenland

 

We hebben deze week gelezen over de vrijgevigheid van de Israëlieten waar het ging om de materialen en de arbeid om de tabernakel te bouwen. Ze gaven het vanuit hun hart. Het was dan ook hartverwarmend. Enkele hoofdstukken verder lezen we dat men zelfs meer bracht dan ze konden gebruiken.

Exodus 36:5-7 en ze zeiden tegen Mozes: Het volk brengt veel, meer dan toereikend is ten dienste van het werk dat de HEERE geboden heeft te doen. Toen gaf Mozes bevel dat men een boodschap door het kamp zou laten gaan: Laat geen man of vrouw nog werk verrichten voor het hefoffer voor het heiligdom. Zo werd het volk ervan weerhouden om nog meer te brengen. Want het materiaal was voldoende voor hen om er al het werk mee te kunnen verrichten, ja, er bleef over.

 

De geschiedenis uit 2 Korinthe 9 vindt plaats tijdens de derde zendingsreis van de apostel Paulus is in Macedonië, een Romeinse provincie met als hoofdstad Thessalonica. Vanuit Macedonië schrijft hij een brief "aan de gemeente van God die in Korinthe is, met alle heiligen die in heel Achaja zijn" (2 Kor. 1:1).

Achaje was van oorsprong de Romeinse naam voor Griekenland, het was dan ook een Romeinse provincie in Zuid-Griekenland, waarvan Korinthe de hoofdstad is. Hun gebied grensde aan het noordelijk gelegen Macedonië.

Paulus had zich ertoe verplicht om op zijn reizen aan de armen in Jeruzalem te denken:

Galaten 2:10 Alleen moesten wij wel aan de armen denken; en ik heb mij ook beijverd juist dit te doen.

De gelovigen in Achaje waren, net zo als de Israëlieten tijdens de tabernakelbouw, van harte bereid om gaven bijeen te brengen voor gelovigen in Jeruzalem, die in armoede leefden. Zij waren al eerder een inspirerend voorbeeld geweest voor de meeste gelovigen in Macedonië om de broeders in Jeruzalem financieel te helpen. Paulus had daar ook lovend gesproken over de vrijgevigheid van de Korinthiërs. Maar nu wordt er opnieuw van de Korinthiërs hulp gevraagd en met Paulus zullen enkele mensen uit Macedonië meekomen.

Paulus hoopt dat de Korinthiërs zijn vertrouwen niet zullen beschamen in het bijzijn van de Macedoniërs. Paulus dwingt niets af, maar stelt de beide gemeenten elkaar tot voorbeeld. Het zou dan ook fijn zijn als de gave al klaar zou liggen bij zijn komst.

2 Korinthe 9:2 Want ik weet van uw bereidwilligheid, waarover ik u roem bij de Macedoniërs, namelijk dat Achaje al sinds een jaar gereed is. En uw ijver heeft velen aangestoken.

Het blijkt dat Paulus de broeders uit Macedonië alvast vooruit stuurt om te kijken hoever ze gevorderd zijn met hun inzameling. Eventueel zouden ze de gemeente van Achaje daarbij kunnen helpen en zal het opnieuw waar blijken dat deze gave een zegen is “en niet als een gift in gierigheid gegeven”. (vers 5)

Het gaat hier niet om een georganiseerde “kerkelijke bijdrage” of “kerkbelasting” of, zoals ik het uit het verleden ken een “vaste vrijwillige bijdrage”. Het moest echt een gave uit het hart zijn.

    want God heeft een blijmoedige gever lief

God verleent ook Zijn zegen aan dit geven. Je wordt er niet armer van.

2 Korinthe 9:11 Zo zult u in alles rijk worden, in staat tot alle vrijgevigheid, die door middel van ons dankzegging aan God teweegbrengt.

Het mes snijdt aan twee kanten. De gever wordt in alles rijk voorzien zodat hij vrijgevig kan zijn en de ontvanger dankt God ervoor! God maakt de gever overvloedig in elk goed werk. Dat is meer dan het geven “aan goede doelen” wat aftrekbaar voor de belasting is. Het werkt juist gerechtigheid uit, want God stelt je ertoe in staat. (vers 10) Het is ook niet: precies 10% van je inkomen (tienden). De wet is in het hart van de wedergeboren wens, die weet dat alles wat je hebt van God is. Zowel in Exodus 25:2 was het al “iedereen wiens hart hem gewillig maakt”. In 2 Korinthe 9:7 Laat ieder doen zoals hij in zijn hart voorgenomen heeft, niet met tegenzin of uit dwang,

Dit zijn de werken die “in Christus” worden verricht en niet in het vuur van het oordeel verbranden.

1 Korinthe 3:12-15 Of nu iemand op dit fundament bouwt met goud, zilver, edelstenen, hout, hooi of stro, ieders werk zal openbaar worden. De dag zal het namelijk duidelijk maken, omdat die in vuur verschijnt. En hoe ieders werk is, zal het vuur beproeven. Als iemands werk dat hij op het fundament gebouwd heeft, standhoudt, zal hij loon ontvangen.  Als iemands werk verbrandt, zal hij schade lijden. Hijzelf echter zal behouden worden, maar wel zo: als door vuur heen.

Deze vrijgevigheid is allemaal tot eer van God die daarin verheerlijkt wordt:

2 Korinthe 9:11-13 Zo zult u in alles rijk worden, in staat tot alle vrijgevigheid, die door middel van ons DANKZEGGING AAN GOD teweegbrengt. Want het betonen van deze dienst vult niet alleen de tekorten van de heiligen aan, maar is ook een overvloedige bron van VELE DANKZEGGINGEN AAN GOD, want door dit bewijs van dienstbetoon VERHEERLIJKEN ZIJ GOD. Vanwege de onderdanigheid aan het Evangelie van Christus, overeenkomstig uw belijdenis, en vanwege de gulle handreiking aan hen en aan allen.

Paulus gebruikt in vers 10 een vergelijking met een boer, die zaad zaait op zijn akker. Als hij dat mondjesmaat doet zal de oogst ook niet groot worden, maar als hij met gulle hand wijduit het zaad spreidt, zal dat ook een grote oogst tot gevolg hebben.

We zien ook in het eerste testament een prachtige belofte op zo’n houding:

Maleachi 3:10 Breng al de tienden naar het voorraadhuis, zodat er voedsel in Mijn huis is. Beproef Mij toch hierin, zegt de HEERE van de legermachten, of Ik niet de vensters van de hemel voor u zal openen, en zegen over u zal uitgieten, zodat er geen schuren genoeg zullen zijn.

Nu de tijden zo veranderen weten we dat onze broeders en zusters in nood kunnen komen. In Jeruzalem, maar ook in deze wereld waar het antichristelijk rijk zich aan het ontwikkelen is. Laten we opmerkzaam zijn op de nood van onze broeders en zusters die Yeshua volgen. Zoals de weduwe van Sarfat haar laatste olie deelde met Elia. 1 Koningen 17 vanaf vers 9.

Dit hoofdstuk eindigt ermee dat dit liefdebetoon ook een diepe liefde voor elkaar teweeg brengt, want om te ontvangen werkt geestelijke zegen uit. Tenslotte een hartelijke dankzegging aan God:

 

Ja, God zij dank voor Zijn onuitsprekelijke gave!