Amos 9 Beloften voor Israël

Amos 9: 7-15 Beloften voor Israël

 

Amos 9:7-10 Bent U niet als de Cusjieten voor Mij, Israëlieten? spreekt de HEERE. Heb Ik Israël niet weggeleid uit het land Egypte, de Filistijnen uit Kaftor en de Syriërs uit Kir? Zie, de ogen van de Heere HEERE zijn gericht op dit zondige koninkrijk. Ik zal het wegvagen van de aardbodem.Evenwel zal Ik het huis van Jakob niet geheel wegvagen, spreekt de HEERE. 9ant, zie, Ik geef opdracht, en Ik zal het huis van Israël onder alle volken schudden, zoals met een zeef geschud wordt; geen steentje zal op de grond vallen. Door het zwaard zullen sterven alle zondaars van Mijn volk, die zeggen: Het kwaad zal niet naderen en ons niet tegemoet treden.

 

HERSTEL:


Amos 9:11-15 Op die dag zal Ik oprichten de vervallen hut van David. Zijn scheuren zal Ik dichtmaken, en wat aan hem is afgebroken, zal Ik oprichten, Ik zal hem opbouwen als in de dagen van oude tijden af; zodat zij de rest van Edom in bezit zullen nemen, en alle heidenvolken waarover Mijn Naam is uitgeroepen, spreekt de HEERE, Die dit doet. Zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat de ploeger de maaier zal ontmoeten en de druiventreder de zaaier, en dat de bergen zullen druipen van jonge wijn en al de heuvels doordrenkt zullen worden. Ik zal een omkeer brengen in de gevangenschap van Mijn volk Israël. Zij zullen de verwoeste steden herbouwen en bewonen, zij zullen wijngaarden planten en de wijn ervan drinken, zij zullen tuinen aanleggen en de vrucht ervan eten. Ik zal hen in hun land planten, en zij zullen nooit meer weggerukt worden uit hun land, dat Ik aan hen gegeven heb, zegt de HEERE, uw God.

 

 “Dwaalt niet; GOD laat Zich niet bespotten; want wat de mens zaait, dat zal hij ook maaien”(Galaten 6:7)

 

De voorgaande hoofdstukken hebben ons laten zien wat Israël gezaaid heeft. Daarom hoeft het erge wat ze hier oogsten, ons ook niet te verrassen. Het laatste gezicht van Amos is veruit het ergste wat hij te zien kreeg. Hij ziet de Heere Zelf bij het altaar staan en hoort Hem het bevel tot de definitieve vernietiging geven. Niemand zal ontkomen. De vertwijfelde vlucht van de schuldigen doet ons denken aan Psalm 139.  (zie vers 8)

 

Amos 9:2 Al drongen zij door tot in de hel, Mijn hand zou hen vandaar weghalen; en al stegen zij naar de hemel op, Ik zou hen vandaar doen neerdalen..

Psalm 139:8 Al steeg ik op naar de hemel, U bent daar; of legde ik mij neer in de hel, zie, U bent daar.

 

Deze Psalm vertelt echter vooral over een gelovige die aan het licht probeert te ontkomen. Hier gaat het daarentegen om zondaren die opgejaagd worden door de vreselijke angst voor het oordeel.

Toch is dat oordeel niet het einde van dit Boek. Vanaf vers 8 verschijnt de genade. Alle kaf is uit de zeef waar het volk overheen is gegaan, verwijderd, maar toch is er geen enkele korreltje verloren gegaan. (vers 9)

 

Amos 9:9 Want, zie, Ik geef opdracht, en Ik zal het huis van Israël onder alle volken schudden, zoals met een zeef geschud wordt; geen steentje zal op de grond vallen.

 

Op het moment dat GOD heeft bepaald, zal Hij laten zien dat Hij Zijn uitverkorenen heeft bewaard. De verzen 11-15 geven een beschrijving van het definitieve herstel en zegen. Dan zullen alle dingen aan Yeshua haMashiach onderworpen zijn.

 

Amos 9:11-15 Op die dag zal Ik oprichten de vervallen hut van David. Zijn scheuren zal Ik dichtmaken, en wat aan hem is afgebroken, zal Ik oprichten, Ik zal hem opbouwen als in de dagen van oude tijden af; zodat zij de rest van Edom in bezit zullen nemen, en alle heidenvolken waarover Mijn Naam is uitgeroepen, spreekt de HEERE, Die dit doet. Zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat de ploeger de maaier zal ontmoeten en de druiventreder de zaaier, en dat de bergen zullen druipen van jonge wijn en al de heuvels doordrenkt zullen worden. Ik zal een omkeer brengen in de gevangenschap van Mijn volk Israël. Zij zullen de verwoeste steden herbouwen en bewonen, zij zullen wijngaarden planten en de wijn ervan drinken, zij zullen tuinen aanleggen en de vrucht ervan eten. Ik zal hen in hun land planten, en zij zullen nooit meer weggerukt worden uit hun land, dat Ik aan hen gegeven heb, zegt de HEERE, uw God.

 

YESHUA met heerlijkheid en eer gekroond

 

Als verlosten van de Heere zullen wij Hem niet als Voorvechter voor de gerechtigheid – Die bij het altaar staat, en zoals Amos Hem zag – ontmoeten. Nee, wij zullen Hem zien zitten aan de rechterhand van GOD, met eer en heerlijkheid gekroond (Heb. 2:8 en 9). Ja, door het geloof mogen we Hem daar nu ook al zien!

 

Hebreeën 2:8 alle dingen hebt U onder zijn voeten onderworpen. Want bij het onderwerpen van alle dingen aan Hem heeft Hij niets uitgezonderd wat Hem niet onderworpen is. Nu zien wij echter nog niet dat Hem alle dingen onderworpen zijn, 9 maar wij zien Yeshua met heerlijkheid en eer gekroond, Die voor korte tijd minder dan de engelen geworden was, vanwege het lijden van de dood, opdat Hij door de genade van God voor allen de dood zou proeven.