English & other languages: click here!

Hooglied 6:4-8:4 (D)

Over de lente kan je lezen in het boek Hooglied. Daar wordt het ook zo mooi poëtisch beschreven.

Hooglied 6:4-8:4

De liefde doet de naaste geen kwaad

4 Hij: "Wat ben je mooi, mijn liefste, zo mooi als de stad Tirza, zo prachtig als de stad Jeruzalem, en zo gevaarlijk als een heel leger!

5 Kijk alsjeblieft een andere kant op, want ik bezwijk onder je blik. Je haar golft als een kudde geiten die op de bergen van Gilead grazen.

6 Je tanden zijn zo mooi als een kudde pasgeschoren schapen die net in de beek gewassen zijn. Het zijn allemaal tweelingen. Er ontbreekt er niet één.

7 Je wangen tussen je lange haar zijn zo mooi als doorgesneden granaatappels.

8 Koning Salomo heeft wel zestig koninginnen, tachtig bijvrouwen en ontelbaar veel slavinnen,

9 Maar niemand is zo volmaakt als mijn duifje, de enige dochter van haar moeder. Ook haar moeder vindt haar het mooiste meisje. Als de meisjes jou zien, zullen ze je moeder vertellen dat je prachtig bent. De koninginnen en bijvrouwen zullen tegen elkaar zeggen hoe mooi ze je vinden.

10 Je bent zo mooi als een zonsopgang, zo stralend als de maan, zo schitterend als de zon, en zo gevaarlijk als een heel leger."

11 Zij: "Ik ging naar de tuin met notenbomen, om te zien of er al bloesems aanzitten. Ik ging kijken of er al blaadjes aan de wijnstruiken komen en of de granaatappelbomen al bloeien.

12 Ik wist niet wat me overkwam! Ik werd op de strijdwagen van de koning neergezet!"

13 Anderen: "Draai je eens rond, kom, draai nog eens zodat we je goed kunnen zien!" Hij: "Wat willen jullie kijken naar dit meisje uit Sulem? Ze is geen Mahanaïm danseres!"

Hooglied 7:

1 Hij: "Wat loop je sierlijk op je sandalen. Je lijkt wel een koningsdochter! Je heupen zijn zo rond als een halsketting. Ze lijken wel door een kunstenaar gemaakt.

2 Je navel lijkt op een prachtige kom waar altijd wijn in zit.

3 Je buik glanst als een hoopje tarwe tussen de lelies.

4 Je borsten zijn glanzend bruin als twee jonge gazellen. Je hals lijkt op een toren van ivoor en je ogen lijken op de vijvers van Hesbon bij de Bat-Rabbimpoort. Je neus lijkt op een wachttoren in de Libanon vanwaar je Damaskus kunt zien.

5 Je hoofd staat net zo fier als de berg Karmel. Je haar heeft een dieprode glans. Met je lange haar heb je een koning gevangen!

6 Wat is de liefde toch heerlijk. Het is het mooiste wat je verlangen kan.

7 Je bent zo slank en sierlijk als een dadelpalm. Je borsten zijn de dadeltrossen.

8 Ik dacht: ‘Ik wil in die dadelpalm klimmen en van de dadels eten.’ Je borsten zijn zo heerlijk als druiventrossen en je adem ruikt naar appeltjes.

9 Je mond is zo heerlijk als zoete wijn … " Zij: " … die regelrecht stroomt naar de lippen van mijn slapende liefste.

10 Ik ben van mijn liefste. Hij verlangt naar mij.

11 Kom, liefste, laten we naar het veld gaan, laten we daar in het gras overnachten.

12 Laten we ‘s morgens heel vroeg naar de wijngaarden gaan om te kijken of er al bloesems aan de takken komen. Laten we gaan kijken hoe de bloesems opengaan en hoe de granaatappelbomen bloeien. Daar zal ik je mijn liefde geven.

13 De liefdesappeltjes geuren heerlijk. Bij ons huis groeien heerlijke vruchten. Ik heb alle vruchten voor jou bewaard, mijn liefste."

Hooglied 8:1 "Was je mijn broer maar. Had je maar net als ik als baby bij mijn moeder op schoot gezeten. Als ik je dan buiten tegenkwam, zou ik je een kus kunnen geven zonder dat iemand dat verkeerd vond.

2 Ik zou je hand pakken en je meenemen naar het huis van mijn moeder, die mij opvoedt. Ik zou je lekkere wijn te drinken geven, wijn die van granaatappels gemaakt is.

3 Zijn ene arm ligt onder mijn hoofd, zijn andere arm omarmt mij.

4 Meisjes van Jeruzalem, ik zweer bij de gazellen en de herten: je moet de liefde niet dwingen. Je moet wachten tot de liefde vanzelf komt!"

Weer bezingt de jongen zijn vriendin (6:4-12). Daar krijgt hij nooit genoeg van. Hij raakt helemaal in verwarring als ze hem aankijkt (6:5a, b). 

Voor een deel gebruikt hij dezelfde beelden als eerder. Maar het is opmerkelijk dat hij nu ook de stad en het leven daar in zijn vergelijkingen verwerkt. De harem van de koning noemt hij zelfs. Een keur van vrouwen is daarin bijeengebracht (6:8). Maar zijn vriendin is volstrekt uniek. Zij steekt boven iedereen uit (6:9). Zij boezemt hem ook ontzag in, zoals een legermacht dat doet (6:10). 

Hij voelt schroom als hij naar haar ziet. Verheven is zij. Ze doet aan een prachtige stad denken (6:4). Aan Sion de stad van de Grote Koning.

Hooglied 6:13 vormt dan waarschijnlijk een scherp contrast. Daar worden even mannen aan het woord gelaten die een vrouw neerhalen. Gedacht is aan een danseres voor soldaten. Men vergaapt zich aan zo’n vrouw en alle achting is dan afwezig.

Maar het kan ook heel anders. Wat in 7:1-9 wordt beschreven, is juist níet laag en gemeen. Er klinkt eerbied in door.

Indrukwekkend mooi is het meisje. Door zoveel liefde omgeven valt het haar niet moeilijk zich aan haar vriend toe te vertrouwen (7:10-13).

Maar wie denkt dat zij zich nu helemaal aan elkaar geven, wordt gecorrigeerd. Hun ontmoetingen hebben toch nog iets voorlopigs. Het meisje verlangt er sterk naar dat zij openlijk haar vriend haar huis binnen zou kunnen voeren. Als hij haar broer was, zou dat mogelijk zijn. Maar nu nog niet (8:1,2). In de armen van haar vriend droomt ze van haar trouwdag (8:3).

Maar die is nog niet aangebroken. In de liefde mag niets worden geforceerd. Daar is ze te kostbaar voor (8:4).

Ware liefde kan wachten. In onze tijd wordt de verloedering van wat de HERE zo mooi heeft bedoeld, helaas al meer zichtbaar. Jongeren die de omgang met elkaar zuiver willen beleven, hebben het niet gemakkelijk. In het Hooglied wordt hun en ons geleerd om met schroom en met blijdschap elkaar te zien als een prachtig geschenk van God. Juist daarom gaan we voorzichtig met elkaar om. Nogmaals: de liefde doet de naaste geen kwaad.