English, click here!

Psalm 36 - Goddeloosheid tegenover goedertierenheid

Psalm 36 komt dichter bij het beschrijven van een verleider die bijna onafhankelijk is van God dan welke andere psalm  ook. Tweemaal worden “zijn ogen” genoemd, als de ogen van een goddeloze en dat wil zeggen hoe hij zichzelf ziet. Door zijn zonden heeft hij zijn geweten uitgeschakeld. Dit alles tekent de antichrist waarbij een totale afwezigheid van het goede is.

De geopenbaarde definitie van gerechtigheid en zonde vinden we in de Torah, de eerste vijf boeken van Mozes, de basis van de Bijbel.  Het is de wijsheid die de mens zonder God niet kan ontdekken. Het is Zijn licht dat ons in staat stelt het onderscheid te zien tussen de goddeloze en het Licht der wereld. Het begin van deze psalm van David toont ons het karakter van de “goddeloze”, wat dan ook het karakter is van de bij uitstek goddeloze mens: de antichrist.

* Hij heeft geen ontzag voor God

* Hij vleit zichzelf, maar ook anderen volgens Daniël 11:21, 32 en laat zich vleien Daniël 11:34.

* Hij spreekt onrecht en bedrog

* Hij weet blijkbaar wat verstandig en wijs is, maar hij laat na om zo te handelen

* Op bed bedenkt hij zijn kwade plannen

* Hij gaat op een weg staan die niet goed is

* Hij onderkent wat kwaad is, maar dat wil hij nu juist doen

* Kortom hij heeft zijn hart op het kwade gezet, want hij vreest God niet.

David ziet het contrast tussen de “goedertierenheid” van God en de immense “verdorvenheid” van de goddeloze. Gods betrouwbaarheid en rechtvaardigheid is zo enorm groot, dat David de reikwijdte daarvan ziet vanaf de aarde tot hoge bergen, tot in de wolken, ja zelfs tot in de hemel! Een menselijke manier van uitdrukken van iets wat niet uit te drukken is, zo onvoorstelbaar! Maar hij weet ook dat Gods oordeel zich eenmaal heeft gemanifesteerd in een geweldige zondvloed waarbij Hij een overblijfsel van mens en dier redde.

Dan zegt David:

Psalm 36:8. Hoe kostbaar is Uw goedertierenheid, o God! Daarom nemen de mensenkinderen de toevlucht onder de schaduw van Uw vleugels. Zij worden verzadigd met de overvloed van Uw huis; U laat hen drinken uit Uw beek vol verrukkelijke gaven.
Wat is die beek? Het is de beek die stroomt uit het heiligdom, vanuit de troon van God (Ezechiël 47:1 Openb. 22:1). Dit slaat duidelijk op de overvloedige zegeningen van het komende Koninkrijk van God: Het Vrederijk. Heel de Bijbel wijst naar die tijd, waarin alle beloften van heil tot vervulling komen.  In het vrederijk zal duidelijk worden “hoe kostbaar” Gods “goedertierenheid” is, want alles wat dan wordt genoten, is daar het gevolg van (vers 8). Dit beginsel geldt niet alleen voor het vrederijk. Gods goedertierenheid is nu al de reden, “daarom”, voor “de mensenkinderen de toevlucht onder de schaduw van Uw vleugels” te nemen (vgl. Ruth 2:12; Ps 17:8; 57:2; 61:5; 63:8; 91:4). God biedt bescherming en veiligheid. Een voorbeeld daarvan zien we in de natuur bij kuikens die onder vleugels van de moeder kruipen als er gevaar dreigt (Mt 23:37; Lukas 13:34).

Deze beloften staan haaks op beloften van de grote boosdoener, zoals in de eerste verzen als de vorst der duisternis getekend. Horen we ook niet in onze tijd zijn leugens? "Je zult niets hebben, maar je zult gelukkig zijn".  De belofte van het Transhumanisme waarbij men probeert om de door God gestelde grenzen van het menselijke bestaan te doorbreken  met technieken als nanotechnologiegenetische manipulatie en vergaande integratie van computertechniek in het menselijk lichaam.

IN UW LICHT ZIEN WIJ HET LICHT!

 

David belijdt in vers 10 van deze psalm dat we – de gelovigen – door Gods licht het LICHT zien. En we weten Wie het LICHT is!

Johannes 8:12 Jezus dan zei: Ik ben het Licht der wereld; wie Mij volgt, zal beslist niet in de duisternis wandelen, maar zal het licht van het leven hebben.

 

In het laatste deel van de psalm bidt David om Gods bescherming, om Zijn goedertierenheid. David bidt om niet verstrikt te raken in de netten van deze hoogmoedige schurk, die alles zal doen om hem van Gods weg te doen vervreemden. Tegelijk ziet hij profetisch dat het onrecht zich uiteindelijk keert op het hoofd van degene die verdrukt.

 

Psalm 36:13 Daar zijn zij gevallen die onrecht bedrijven! Zij zijn neergestoten en kunnen niet meer opstaan.