Deuteronomium 30 Bekering met het hart

Deuteronomium 30:19 Ik roep heden de hemel en de aarde tot getuigen tegen u: het leven en de dood heb ik u voorgehouden, de zegen en de vloek! Kies dan het leven, opdat u leeft, u en uw nageslacht,

Deuteronomium 30 wordt altijd gelezen in de week voordat de Bijbelse feesten een aanvang nemen. En tussen die Bijbelse feesten is er ook de Grote Verzoendag (Jom Kippur). Ter voorbereiding wordt stil gestaan bij datgene waarin we de Tora, het Woord van onze God niet gehoorzaam zijn geweest.

We weten in onze tijd dat die zonden in het Offerlam Yeshua aan het kruis zijn gebracht en dat mag ons met diepe dankbaarheid vervullen. Nu is het goed om ons dat iedere dag te realiseren, maar zo éénmaal per jaar heeft God het zo geboden om daar met elkaar bij stil te staan. We vragen ons af "waarin zijn we ook als gelovige gemeenschap zijn afgeweken van Zijn geboden. Hebben we ons vertrouwen altijd volledig op onze God gesteld? Hebben we afgoden gediend in de vorm van menselijke verlangens en leringen vermengd met de zuivere dienst aan God?"  Zijn we afgeweken of in gebreke gebleven? .... Dan is er berouw en bekering nodig.

 Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart, beproef mij en ken mijn gedachten. 

Zie of er bij mij een schadelijke weg is en leid mij op de eeuwige weg.

Psalm 139:23

In dit hoofdstuk staat een opmerkelijke tekst:

Deut. 30 :4 Al bevonden uw verdrevenen zich aan het einde van de hemel, toch zal de HEERE, uw God, u vandaar bijeenbrengen en u vandaar weghalen. 5 En de HEERE, uw God, zal u naar het land brengen dat uw vaderen in bezit hadden, en u zult het weer in bezit nemen; en Hij zal u goeddoen en u talrijker maken dan uw vaderen.

Mozes profeteerde hier al over de tweede komst van de Messias en in één adem over de wederopstanding.  De uitverkorenen worden zowel uit de hemel als van de aarde bijeengebracht en naar het land van de vaderen gebracht.
Dit is dezelfde boodschap als die we lezen in het Nieuwe Testament:

Mattheüs 24: 30 En dan zal aan de hemel het teken van de Zoon des mensen verschijnen; en dan zullen al de stammen van de aarde rouw bedrijven en zij zullen de Zoon des mensen zien, als Hij op de wolken van de hemel komt met grote kracht en heerlijkheid.31 En Hij zal Zijn engelen uitzenden onder luid bazuingeschal, en zij zullen Zijn uitverkorenen bijeenbrengen uit de vier windstreken, van het ene uiterste van de hemelen tot het andere uiterste ervan.

Het is dezelfde boodschap! Beide teksten gebruiken het woord “bijeenbrengen” en beide passages gebruiken dezelfde bijvoeglijke bepaling die betekent “van het ene uiterste van de hemelen tot het andere”!  De uitverkorenen worden bijeengebracht, zowel degenen die in geloof gestorven zijn vanuit de hemel, als de uitverkorenen die op aarde zijn. Dat zal het moment zijn waarin de gelovigen klaar gemaakt worden voor het Koninkrijk van God: het Vrederijk en het verheerlijkte lichaam ontvangen (Fil. 3:21 - 1 Joh.3:2)

 

We zien in de centrale as van bovenstaande chiastische structuur, dat BEKERING het middelpunt is. Dat betekent: de wil van God, de Tora met je hele hart en ziel gehoorzamen. Het moet een zaak van het hart zijn! En dan zie je dat er een vloek komt over de vijanden van Gods volk, maar dat het resulteert in een zegen over Gods eigen volk.

 

Het woord bekering in vers 8 is in het Hebreeuws “teshuva” of “tashuv” תָשׁוּב . En in dat woord vinden we het woord “shuv” שֻׁב dat “terugkeren”, “herstellen” of “opnieuw” betekent. Het bijzondere is dat dit kleine woordje zeven maal in één of andere vorm voorkomt in Deuteronomium 30. Ook het woordje hart lev לב komt zeven maal in dit hoofdstuk voor.

 

We kunnen dus zeggen dat dit hoofdstuk heel duidelijk gaat over “BEKERING MET HET HART”, met hart en ziel.

 

In vers 8 staat dat YHWH zich dan weer zal verblijden over Zijn volk. In Jesaja 60 wat we vorige week lazen staat geschreven:

 

"IN MIJN GROTE TOORN HEB IK U GESLAGEN, MAAR IN MIJN WELBEHAGEN HEB IK MIJ OVER U ONTFERMD"

.

Dit zijn toch echt prachtige woorden כִּי בְקִצְפִּי הִכִּיתִיךְ, וּבִרְצוֹנִי רִחַמְתִּיךְ ki b’qitzpi hakitik oe’virtzoeni rachemtik (“rachemtik” betekent: ik heb Mij ontfermd, u barmhartigheid gegeven) in Mijn grote toorn heb Ik u geslagen, maar in Mijn welbehagen heb Ik Mij over u ontfermd.

 

God had hen barmhartigheid gegeven. “Rachem”, dat ook baarmoeder betekent, is iets dat komt vanuit je ingewanden, je wilt je met alles wat in je is over iets ontfermen. Het is een heel diep medelijden en meegevoel, dat als het ware in je buik zit: je “rechem”. “Rachem” is dus ook barmhartigheid.

Deuteronomium 30:
11 Want dit gebod, dat ik u heden gebied, is niet te moeilijk voor u en het is niet ver weg.

12 Het is niet in de hemel, zodat uzou kunnen zeggen: Wie zal voor ons naar de hemel opstijgen om het voor ons te halen en ons te laten horen, zodat wij het kunnen doen?

13 Het is ook niet aan de overzijde van de zee, zodat u zou kunnen zeggen: Wie zal voor ons oversteken naar de overzijde van de zee om het voor ons te halen en het ons te laten horen, zodat wij het kunnen doen?

14 Want dit woord is heel dicht bij u, in uw mond en in uw hart, om het te doen.


Vers 6 beschrijft dat God  de harten van de Israëlieten zal besnijden en dat een direct gevolg daarvan is dat zij God met hart en ziel zullen liefhebben (Deut. 30:6) doordat ze in de wegen van de Tora zullen wandelen (Deut. 30:10). Die besnijdenis van het hart brengt teweeg dat het gebod van God niet moeilijk is of ver weg (Deut. 30:11). Het is niet in de hemel maar ook niet aan de overkant van de zee (Deut. 30:12-13). De originele context van Deuteronomium 30:11-14 spreekt dus over de Tora en de verinnerlijking ervan. Dit vinden we ook weer terug in het Nieuwe Testament. Zie hiervoor deze pagina.

 

Als wij, als Nieuw Testamentische gelovigen,  geheiligd en gereinigd zijn in het bloed van Yeshua,  kunnen we ons van harte verblijden in de najaarsfeesten die komen, omdat God Zich in ons verblijdt met Abraham, Izaäk en Jacob, zoals God zich verblijdde over de vaderen. (Deut. 30:9)