Deuteronomium 30 - Romeinen 10

PAULUS REFEREERT IN ROMEINEN 10 NAAR DEUTERNONOMIUM 30:

 

11 Want dit gebod, dat ik u heden gebied, is niet te moeilijk voor u en het is niet ver weg.

12 Het is niet in de hemel, zodat uzou kunnen zeggen: Wie zal voor ons naar de hemel opstijgen om het voor ons te halen en ons te laten horen, zodat wij het kunnen doen?

13 Het is ook niet aan de overzijde van de zee, zodat u zou kunnen zeggen: Wie zal voor ons oversteken naar de overzijde van de zee om het voor ons te halen en het ons te laten horen, zodat wij het kunnen doen?

14 Want dit woord is heel dicht bij u, in uw mond en in uw hart, om het te doen.



De originele profetie uit Deuteronomium beschrijft dat God na de ballingschap de harten van de Israëlieten zal besnijden en dat een direct gevolg daarvan is dat zij God met hart en ziel zullen liefhebben (Deut. 30:6) doordat ze in de wegen van de Tora zullen wandelen (Deut. 30:10). Die besnijdenis van het hart brengt teweeg dat het gebod van God niet moeilijk is of ver weg (Deut. 30:11). Het is niet in de hemel maar ook niet aan de overkant van de zee (Deut. 30:12-13). De originele context van Deuteronomium 30:11-14 spreekt dus over de Tora en de verinnerlijking ervan.

 Merk verder op hoe Sja’oel het woord ‘Tora’ vervangt met ‘Christus’. ‘Jesjoea’ is niet ver weg, want stijg niet op naar de hemel, dat is Jesjoea naar beneden halen of daal niet neer in de afgrond dat is Jesjoea naar boven halen (Rom. 10:6-7).

Hopelijk wordt het voor de lezer langzaam duidelijk waarom Sja’oel Jesjoea in Rom. 10:4 het einddoel van de Tora noemde: die twee zijn hetzelfde en dat wil Sja’oel laten zien door het woord “Christus’ in te vullen op de plek waar de profetie in Deuteronomium 30 over de ‘Tora’ spreekt.

Over de parafrasering van Deuteronomium is nog niet alles gezegd want verder valt nog op dat Sja’oels bewoordingen niet exact overeenkomen met de woorden van de Tora. Zo komt het stuk van ‘zeg niet in uw hart: Wie zal naar de hemel opklimmen (Rom. 10:6 HSV) wel exact overeen met Deuteronomium 30:12, want daar wordt gesproken over ‘naar de overzijde van de zee gaan’. Sja’oel verandert de tekst op deze plek om aan te tonen dat in de opstanding van de Messias, uit de afgrond, en Zijn opvaring naar de hemel, de besnijdenis heeft plaatsgevonden via de komst van de Geest. Jesjoea zei vlak voor Zijn kruisdood: ‘…….Het is nuttig voor u dat Ik wegga, want als Ik niet wegga, zal de Trooster niet naar u toe komen;  maar als Ik heenga, zal Ik Hem naar u toe zenden.’ (Joh.16:7, HSV) Via de reiniging van de mens van de zonden via de kruisdood van Jesjoea, kon de Heilige Geest intrek nemen in de gelovigen;  iets wat daarvoor niet mogelijk was (Joh. 7:39). Maar wat is nu, met al deze gegevens het argument van Sja’oel?

………….

In Deuteronomium 30 lezen we dat er juist geprofeteerd werd dat de Israëlieten de vloek over zich zouden afroepen en dat er een noodzaak zou komen voor een besnijding van hun harten. Deze besnijdenis komt van God uit en God zorgt ervoor dat Israël zal leven (zie Deut. 30:6).

…………

Door het woord “gebod” te vervangen met ‘Christus’ wijst Sja’oel erop dat Jesjoea het einddoel is van de Tora (zie Rom, 10:4); Jesjoea en Tora zijn inwisselbare termen. De Tora die via besnijdenis van het hart in de harten wordt gelegd (Deut. 30:5, 11-12) is vervuld via de besnijdenis van het hart (Deut. 30:6, 11-12), is vervuld via de inwoning van Jesjoea, de levende Tora, in het hart van de gelovige. Jesjoea legde uit dat de inwoning van God in de gelovigen en het houden van de Tora nauw verbonden zijn met elkaar.

 

(uit “Terug naar de Bron”, M.R. Doeve –gedeeltes uit de pagina’s 397 – 398)