English & other languages: click here!

Nehemia 13 - De zonden aangepakt


inleiding - Ezra & Nehemia - 1 - 2 - 3 - 4 - 5 - 6 - 6+ - 7 - 8 - 9 - 9& - 10 - 11 - 11+ - 12 - 13


Na zijn aankomst in Jeruzalem, in het jaar 445 v. Chr., is Nehemia 12 jaar in Jeruzalem gebleven, tot het jaar 433 voor Christus. Toen moest hij terug naar Perzië, terug naar het hof van koning Artaxerxes. Hoe lang hij daarna in Perzië is geweest is niet bekend. Als Nehemia terugkomt in Jeruzalem, schrikt hij enorm: alles waar ze samen aan gewerkt hebben, namelijk de gehoorzaamheid aan Gods geboden, alles is in de periode van Nehemia’s afwezigheid verwaarloosd en vergeten. 

Nehemia 13 beschrijft de laatste hervormingen die Nehemia doorvoerde na zijn terugkeer uit Babylon, gericht op de zuivering van het volk en de tempel. 

Het hoofdstuk kan worden onderverdeeld in drie centrale thema's:

  • Reiniging van tempel en Levieten
  • Handhaving van de Sabbat

  • Verbod op gemengde huwelijken

  • Reiniging van tempel en Levieten

Nehemia 13:1-3
1. Op die dag werd er voorgelezen uit het boek van Mozes voor de oren van het volk. Daarin werd voorgeschreven bevonden dat een Ammoniet of een Moabiet tot in eeuwigheid niet in de gemeente van God mocht komen,
2. omdat zij de Israëlieten niet met brood en water tegemoetgekomen waren, en men Bileam tegen hen had ingehuurd om hen te vervloeken; onze God had de vloek echter veranderd in zegen.
3. Het gebeurde, toen zij de wet hoorden, dat zij alle mensen van allerlei herkomst afzonderden van Israël.

Op die dag werd er voorgelezen uit het boek van Mozes voor de oren van het volk....... "op die dag" grijpt terug naar de feestelijke dag van de inwijding van de muur, die in het vorige hoofdstuk beschreven werd. Daarbij werd voorgelezen uit de Tora en wel Deut. 23:3,4,5. De volgende verzen werden o.a. voorgelezen:

Deuteronomium 23:3-5
3. Een Ammoniet of Moabiet mag niet in de gemeente van de HEERE komen; zelfs hun nakomelingen van de tiende generatie mogen tot in eeuwigheid niet in de gemeente van de HEERE komen,
4. vanwege het feit dat zij u onderweg niet met brood en water tegemoetgekomen zijn toen u uit Egypte wegtrok; en omdat hij Bileam, de zoon van Beor, uit Pethor in Mesopotamië, tegen u ingehuurd heeft om u te vervloeken.
5. De HEERE, uw God, echter wilde niet naar Bileam luisteren, maar de HEERE, uw God, heeft de vloek voor u in een zegen veranderd, omdat de HEERE, uw God, u liefhad.

  • Het horen van de Wet roept op tot gehoorzaamheid

Door alle gebeurtenissen die er ontstonden nadat begonnen werd met de bouw van de muur, waren de Judeeërs meer bewust met de Tora gaan leven en nu trof hen het Woord dat over de Ammonieten en Moabieten was geschreven. Het betekende dat deze mensen nooit geen deel zouden mogen uitmaken van Gods gemeente. Tenzij zich, zoals Ruth de Moabitische, tot de God van Israël bekeerde. Maar hier en daar had men zich al wel met deze mensen verzwagerd. De Israëlieten hoorden krachtens hun geboorte tot het Verbond dat God met hen had gesloten. Maar heidenen uit andere volken, moesten daar zelf bewust voor kiezen. 

toen zij de wet hoorden, zonderden zij alle mensen van allerlei herkomst af van Israël......... zo werd er op hetzelfde moment een scheiding aangebracht tussen de Israëlieten en de buitenlanders. 

Nehemia 13:4-5
4. Hiervóór had Eljasib, de priester die aangesteld was over de kamers van het huis van onze God, en die verwant was aan Tobia,
5. een grote kamer voor hem gemaakt; daar brachten zij vroeger steeds het graanoffer, de wierook, de voorwerpen, de tienden van het graan, van de nieuwe wijn en de olie – overeenkomstig het gebod voor de Levieten, de zangers en de poortwachters – en het hefoffer voor de priesters.

Eljasib, de (hoge)priester (Neh. 3:1) was aangesteld over de kamers van het huis van God, hij was verwant aan Tobia........ ja Eljasib was in ieder geval aan Tobia verwant door vriendschap, maar een kleinzoon van hem was gehuwd met een dochter van Sanballat. Dat kon bovendien  voor de hogepriesterlijke geslachtslijn een gevaar zijn. Kortom Eljasib had uitgerekend banden met de vijanden van Nehemia. Hij had ook het beheer over de priesterkamers van de tempel en had Tobia toegelaten zich te vestigen in zo'n kamer. Behalve dat dit heiligheidschennis was, begrijpen we dat Tobia daarmee geen goede bedoelingen had. Het was ook nog een grote belangrijke kamer, waar de tienden van het graan, de wijn en de olie, de wierook en de hefoffers voor de priesters werden opgeslagen. 

Nehemia 13:6-9
6. Toen dit alles plaatsvond was ik niet in Jeruzalem, want in het tweeëndertigste jaar van Arthahsasta, de koning van Babel, moest ik bij de koning terugkomen, maar na verloop van dagen kreeg ik weer verlof van de koning.
7. Toen ik in Jeruzalem aankwam, kreeg ik inzicht in het kwaad dat Eljasib ten behoeve van Tobia gedaan had, door een kamer voor hem te maken in de voorhoven van het huis van God.
8. Dit was volstrekt kwalijk in mijn ogen; daarom wierp ik al het huisraad van Tobia uit de kamer naar buiten.
9. Ik zei dat ze de kamers moesten reinigen, en ik liet de voorwerpen van het huis van God daar terugbrengen, met het graanoffer en de wierook.

Toen dit alles plaatsvond was Nehemia niet in Jeruzalem, want in het tweeëndertigste jaar van Arthahsasta moest hij terugkomen. Zijn 12-jarige ambtstermijn als landvoogd van Samaria was voorbij (Neh. 5:14). Hij ging terug naar de koning. Na verloop van tijd gaf de koning hem verlof om weer naar Judea te gaan. Nehemia wist dat zijn taak daar nog niet voltooid was, al was hij nu officieel geen landvoogd meer. 

Toen ik in Jeruzalem aankwam, kreeg ik inzicht in het kwaad dat Eljasib ten behoeve van Tobia gedaan had........ Dat maakte Nehemia heel boos. Hij gooide al de spullen van Tobia de kamer uit en gaf opdracht die kamer grondig te reinigen, 

Dat wat in die kamer hoorde te zijn: o.a. de tienden van het graanoffer en wierook en alle voorwerpen die nodig waren in Gods Huis. werden weer op hun plaats gebracht. 

Nehemia 13:10-13
10. Verder kwam ik te weten dat de delen voor de Levieten niet werden gegeven, en dat de Levieten en de zangers, die het werk verrichtten, waren gevlucht, ieder naar zijn eigen veld.
11. Ik riep de machthebbers ter verantwoording en zei: Waarom is het huis van God verlaten? Ik bracht hen bij elkaar en ik deed hen hun plaats weer innemen.
12. Toen bracht heel Juda de tienden van het graan, de nieuwe wijn en de olie weer naar de voorraadkamers.
13. En ik gaf Selemja, de priester, en Zadok, de schrijver, en van de Levieten Pedaja, de leiding over de voorraadkamers, en naast hen Hanan, de zoon van Zakkur, de zoon van Mattanja, want zij werden betrouwbaar geacht, en het was aan hen om alles onder hun broeders te verdelen.

Verder kwam Nehemia te weten dat de delen voor de Levieten niet werden gegeven........  Het feit dat Nehemia nu geen officieel door de koning benoemde landvoogd meer was, maakte dat de lokale bevolking en religieuze leiders zich niet langer gebonden voelden aan de eerdere hervormingen. Hieruit blijkt dat die besluiten door sommigen niet echt uit gelovig plichtsbesef genomen waren. De levieten en zangers misten daardoor hun levensonderhoud en waren gevlucht naar hun verlaten akkers om zo weer de kost te verdienen. 

Nehemia riep de machthebbers ter verantwoording en zei: Waarom is het huis van God verlaten? Nehemia zorgde ervoor dat zij hun taak in de tempel weer konden hervatten.

Toen bracht heel Juda de tienden van het graan, de nieuwe wijn en de olie weer naar de voorraadkamers......... de tempeldienst kon zo weer overeenkomstig Gods voorschriften plaatsvinden.

Nehemia gaf Selemja, de priester, en Zadok, de schrijver, en van de Levieten Pedaja, de leiding over de voorraadkamers......... van hen werd verwacht dat zij de voorschriften nauwkeurig zouden handhaven, zodat dit allen ten goede zou zijn.

Hanan, de zoon van Zakkur, de zoon van Mattanja, want zij werden betrouwbaar geacht....... al deze rechtvaardige personen (Selemja, Sadok, Pedaja en Hanan) werden aangesteld als schatmeesters om de distributie van graan, wijn en olie te bewaken. Want als Nehemia weer terug ging naar Perzië, moest, dat wat bereikt was, ook standhouden. Dat kon alleen als de tienden ook eerlijk verdeeld werden onder de broeders.

Nehemia 13:14 Denk hierom aan mij, mijn God, wis mijn blijken van goedertierenheid niet uit, die ik aan het huis van mijn God en aan de eredienst daarin, heb bewezen.

In andere Bijbelverzen lezen we over een soort gedenkboek voor Gods aangezicht (Jesaja 65:6 en Maleachi 3:16). In Maleachi 3 dient dit boek als bewijslast voor Godvrezenden en wordt in verband gebracht met het onderzoek voor het oordeel. Het eveneens hemelse boek zou volgens uitleggers iets anders zijn dan het Boek des Levens. In ieder geval wil Nehemia, die "de puntjes op de i zet", dat het verslag over hem juist is en niet vergeten wordt. Wij zijn eerder geneigd om Gods weldaden te vergeten. Maar we kennen ook de Bijbeltekst uit Hebreeën en dan hoeven we ons daarover geen zorgen te maken:

Hebreeën 6:10 Want God is niet onrechtvaardig dat Hij uw werk zou vergeten en de liefdevolle inspanning die u Zijn Naam bewezen hebt, doordat u de heiligen gediend hebt en nog dient.

  • Handhaving van de sabbat

Nehemia 13:15-22
15. In die dagen zag ik in Juda mensen die op de sabbat de wijnpersen aan het treden waren en die hopen graan brachten en die op ezels laadden, en ook wijn, druiven en vijgen en allerlei andere lasten. Zij brachten die naar Jeruzalem op de sabbatdag. Op de dag dat zij dat voedsel gingen verkopen, waarschuwde ik hen.
16. Ook woonden er Tyriërs, die vis aanvoerden en allerlei koopwaar, die zij op de sabbat aan de Judeeërs en in Jeruzalem verkochten.
17. Toen riep ik de edelen van Juda ter verantwoording en zei tegen hen: Wat is dit voor een wandaad die u verricht, waardoor u de sabbatdag ontheiligt?
18. Deden uw vaderen niet evenzo? En vervolgens bracht onze God al dit kwaad over ons en over deze stad. En u voegt nog eens toe aan de brandende toorn over Israël door de sabbat te ontheiligen!
19. Het gebeurde, toen de poorten van Jeruzalem hun schaduwen afwierpen, vóór de sabbat, dat ik zei dat de deuren gesloten moesten worden, en ik zei dat zij ze niet mochten openen tot na de sabbat. Ik plaatste een aantal van mijn knechten bij de poorten, zodat er geen last zou binnenkomen op de sabbatdag.
20. Toen overnachtten de handelaars en de verkopers van allerlei koopwaar buiten Jeruzalem, een keer of twee.
21. Ik waarschuwde hen en zei tegen hen: Waarom overnacht u bij de muur? Als u dat nog eens doet, zal ik de hand aan u slaan! Vanaf die tijd kwamen ze niet meer op de sabbat.
22. Ik zei tegen de Levieten dat ze zich moesten reinigen en dat ze de poorten zouden komen bewaken om de sabbatdag te heiligen. Denk ook hierom aan mij, mijn God, en spaar mij overeenkomstig de grootheid van Uw goedertierenheid.

 

In die dagen zag Nehemia in Juda mensen die op de sabbat de wijnpersen aan het treden waren........wat een drukte op de markt in Jeruzalem. Ezels beladen met allerlei producten voor de verkoop, zoals graan, vis uit Tyrië, .wijn, druiven en vijgen. En dat allemaal op de sabbat. Nehemia wachtte op het moment dat ze deze zaken te koop aanboden om ze te waarschuwen. Vooral de bestuurders van de stad werden door Nehemia bestraft. Hij noemde het ontheiligen van de sabbat een misdaad. Hadden ze niets geleerd van de reden waarom ze in ballingschap waren gegaan? Had Mozes hen niet geleerd dat ze bij gehoorzaamheid aan de wet gezegend zouden worden?  Maar dat hun bij wetsovertreding ramspoed zou treffen?

Nehemia gebood dat vóór de sabbat, als het 's avonds begon te schemeren, dat dat de deuren van de poorten gesloten moesten worden,.......... zs mochten pas na de sabbat weer open! De kooplieden gingen toen buiten de muren van Jeruzalem overnachten. Nehemia verbood hen dat en zei dat hij als hij weer zou merken dat ze aan de buitenkant van de muur zouden overnachten, hij geweld zou gebruiken. De kooplui zochten daarna een onderkomen buiten de stad Jeruzalem. Deze maatregelen hadden effect. Zo kon men in Jeruzalem rustig de sabbat vieren. 

Nehemia zei tegen de Levieten dat ze zich moesten reinigen........ hier wordt niet beschreven hoe dat in zijn werk ging. Bij de inwijding van de tabernakel was er wel een beschrijving van reiniging van Levieten (Lev. 8:12-16). Dat was nodig om aan de HEERE geheiligd te zijn. Zij werden hier verantwoordelijk gesteld voor het loslaten van Gods geboden. Ze hadden vergeving van zonden nodig en daarom zouden er volgens de Tora, onder belijdenis van zonden, zondoffers moeten worden gebracht. Verder moesten ze voortaan de poorten bewaken om de sabbatdag te heiligen. Een opdracht die ook voor ons, in de eindtijd wel eens heel belangrijk kon zijn. Onder de Noachitische wetten zal de zondag voor de volken verplicht zijn en de sabbat alleen geldig voor Israël.

Denk ook hierom aan mij, mijn God, en spaar mij overeenkomstig de grootheid van Uw goedetierenheid....... Slaat dat "hierom" om het houden van de sabbat? Nehemia kon in Perzië waarschijnlijk ook geen sabbat houden. Daarom vraagt hij God om gespaard te worden in het oordeel in de wetenschap dat God groot in genade is. Uit zijn daden in Jeruzalem moge blijken dat hij van harte Gods gebod wenst te houden.

  • Verbod op gemengde huwelijken

Nehemia 13:23-31
23. Ook zag ik in die dagen Joden die Asdoditische, Ammonitische en Moabitische vrouwen bij zich hadden doen wonen.
24. Hun kinderen spraken voor de helft Asdoditisch, en ze konden geen Judees spreken, maar spraken overeenkomstig de taal van elk volk.
25. Ik had onenigheid met hen en ik vervloekte hen. En ik sloeg sommige mannen van hen en trok hun de haren uit. Ik liet hen zweren bij God: U zult uw dochters niet aan hun zonen geven en van hun dochters niemand voor uw zonen of voor uzelf nemen!
26. Is het niet met betrekking tot deze dingen dat Salomo, de koning van Israël, gezondigd heeft? Terwijl er onder veel heidenvolken geen koning was zoals hij, en hij zijn God lief was en God hem tot koning gesteld had over heel Israël? Ook hem deden de uitheemse vrouwen zondigen.
27. Zullen wij dan naar u luisteren door al dit grote kwaad te doen door onze God ontrouw te zijn door uitheemse vrouwen bij u te doen wonen?
28. Een van de zonen van Jojada, de zoon van Eljasib, de hogepriester, was een schoonzoon van Sanballat, de Horoniet. Daarom joeg ik hem bij mij weg.
29. Denk aan hen, mijn God, vanwege de ontwijding van het priesterschap, namelijk het verbond van het priesterschap en van de Levieten.
30. Zo reinigde ik hen van al het vreemde en ik stelde diensten vast voor de priesters en de Levieten, ieder voor zijn werk,
31. en ook voor het offer van het hout op de vastgestelde tijden en voor de eerstelingen. Denk aan mij, mijn God, ten goede.

Nehemia zag in die dagen Joden die Asdoditische, Ammonitische en Moabitische vrouwen bij zich hadden doen wonen......... Nehemia was zich er pijnlijk bewust van dat Gods volk zich niet afgezonderd tot God voelde. Het beloofde Nageslacht dat de slang de kop zou vermorzelen (Gen. 3:15) kon niet geboren worden uit een verontreinigd afgodisch geslacht dat niet leefde uit de vergeving van zonde. Kinderen uit die huwelijken spraken niet Aramees of Hebreeuws, maar kenden alleen een vermenging van de taal van hun ouders. De vaders waren geboren in Babel en vertrouwd met de Babylonische taal. De vorming van het kind was voornamelijk de taak van hun heidense moeder  (Spr. 1:8) . Dat zou alleen maar heidense afgoderij in het Judese volk tot gevolg hebben. Asdoditisch is de taal die wordt gesproken in Asdod, een Filistijnse stad, die onder Gods oordeel ligt (Jer 25:20). Dat geldt niet minder voor het Ammonitische en Moabitische volk. Nehemia nam deze zaak hoog op. Hij sprak de Joden uit zulke huwelijken erop aan en dat waren geen respectvolle gesprekken, integendeel! Nehemia vervloekte de vaders, sloeg hen en trok hen zelfs aan de haren. Hij maakte hen heel duidelijk dat Joodse mannen met Joodse vrouwen moesten trouwen en andersom. Geen gemengde huwelijken!

Was dat niet de oorzaak dat Salomo, de koning van Israël, gezondigd Dheeft? Koning Salomo had God lief en was een wijze koning en God had hem als koning bestemd over Israël, als een beeld van de Vredevorst in een rijk waarin geen oorlog was. Maar satan kent de zwakke plekken van ieder mens en probeert hen daarmee ten val te brengen. De vreemde vrouwen eisten hun eigen godsdienst en tempeltje op. Menige vrouw had wel haar maniertjes om de man over stag te doen gaan (1 Kon 11:1-8). Maar dat ontslaat de man niet van zijn verantwoordelijkheid.
En dan de kleinzoon van de hogepriester Eljasib....... deze man was bevriend met de heidense landvoogd van Samaria: Sanballat. De hoger geplaatsten in een samenleving zoeken elkaar meestal op. Zijn kleinzoon trouwde met een dochter van Sanballat de Horoniet,  afkomstig uit Horonaim (een streek in Moab). een Moabiet (en een Ammmoniet mocht niet in de gemeente van de HEERE komen. Deuteronomium 23:3-5). In Nehemia 13:1-3 wordt naar deze zelfde wet uit het boek Mozes verwezen. Toen dit gedeelte hardop werd voorgelezen aan het volk, scheidden zij onmiddellijk alle mensen van gemengde afkomst (inclusief Moabieten) af van de gemeente van Israël. En dan zou de kleinzoon in aanmerking kunnen komen voor het hogepriesterschap! Dit zou door zo'n huwelijk ontwijd worden. Dit was ontoelaatbaar en daarom werd deze jongeman weggejaagd door Nehemia. 
Denk aan hen, mijn God, vanwege de ontwijding van het priesterschap....... Nehemia eindigde wel vaker met een gebed of God om hem wil  denken, maar nu vraagt hij om een straf voor het zondige priesterschap, dat schade aan Gods heiligheid zou kunnen veroorzaken. Het "verbond van het priesterschap en van de Levieten" is het Verbond van God met de stam Levi. Zo wordt het ook genoemd in Maleachi 2:4-8. In vers 30 deelt Nehemia aan God mee dat hij het volk gereinigd heeft van 'het vreemde', namelijk de invloed van de omringende heidenen en dat hij de priesterdiensten en de afdracht van de tienden opnieuw heeft ingesteld.  Het offer van het hout heeft te maken met een afspraak in Nehemia 10:37-39, wat ook met de eerstelingen te maken heeft. 

Nadat Nehemia alles goed geregeld had en weer teruggegaan was naar Perzië, raakte alles, wat zo vol overgave en zekerheid werd beloofd, toch in verval. Zo gaat het steeds in Israël, maar ook in de hele wereldgeschiedenis. Dit hoofdstuk drukt ons met de neus op de feiten: het lukt ons niet het zelf te doen. Het lukt ons niet het kwaad uit te drijven – zelfs niet uit het eigen hart. Want daar zit het probleem: Als mijn hart, mijn denken niet verandert, als ik zelf niet verander, dan houden radikale beslissingen geen stand. Dat leert  Nehemia 13 ons: Israël faalt – ik faal – en dat maakt dat wij verlangen, naar Degene die niet faalt: Yeshua, die ons hart en ons denken wèl verandert. Dat is de echte bekering die we nodig hebben: Zijn karakter waaraan we in en door Hem deel hebben. Want zonder Hem kunnen we niets doen (Joh. 15:5c). 

Ida