Nehemia 2 - Volmacht van de koning


Dit hoofdstuk volgt Nehemia vanaf het koninklijk paleis van koning Arthahsasta, naar Jeruzalem. We zien hoe vier maanden van intensief gebed, zorgvuldige planning en een moedig geloof het hart van de koning openden om een ​​grootschalig herbouwproject te financieren. Achter dit alles is het "de goede hand van God" die dit alles bewerkt, die het hart koningen bestuurt als waterbeken (Spreuken 21:1). 

Nehemia 2:1-4
1. Het gebeurde in de maand Nisan, in het twintigste jaar van koning Arthahsasta, toen er wijn voor hem gereedstond, dat ik de wijn nam en aan de koning gaf. Nu was ik nooit in zijn tegenwoordigheid verdrietig geweest.
2. Toen zei de koning tegen mij: Waarom staat uw gezicht zo verdrietig, terwijl u toch niet ziek bent? Dit is niets anders dan hartenpijn. Toen werd ik heel erg bevreesd.
3. Ik zei tegen de koning: Moge de koning in eeuwigheid leven! Waarom zou mijn gezicht niet verdrietig staan, als de stad, de plaats van de graven van mijn vaderen verwoest ligt en zijn poorten door vuur verteerd zijn?
4. De koning zei tegen mij: Wat verzoekt u dan? Toen bad ik tot de God van de hemel

1. Wachttijd van vier maanden

Het gebeurde in de maand Nisan, in het twintigste jaar van koning Arthahsasta, toen er wijn voor hem gereedstond, dat ik de wijn nam en aan de koning gaf........... deze tijdsaanduiding vergeleken met die van hoofdstuk 1 geeft aan dat Nehemia vier maanden heeft moeten wachten  (van Kislev tot Nisan). Deze wachttijd is was nodig om zich geestelijk voor te bereiden: te bidden, te plannen, en te wachten op Gods timing.   

2. Koning Arthahsasta merkt iets bijzonders op

Toen zei de koning tegen mij: Waarom staat uw gezicht zo verdrietig, terwijl u toch niet ziek bent.......? Nehemia was tegenwoordigheid van de koning nog nooit in verdrietig geweest. Dat hoorde ook niet zo in zijn functie. De koning stelde vast dat Nehemia "hartenpijn" moest hebben. 

Nehemia schrok ervan, dat dit zo duidelijk zichtbaar was voor de koning. Met een voorafgaand de gebruikelijke eeuwigheidswens, antwoordde Nehemia: Waarom zou mijn gezicht niet verdrietig staan, als de stad, de plaats van de graven van mijn vaderen verwoest ligt en zijn poorten door vuur verteerd zijn.........? Het antwoord van Nehemia is eerlijk en naar waarheid. De koning had het ook goed ingeschat. De koning zei tegen mij: Wat verzoekt u dan.........? In dat korte moment waarin de koning op antwoord wachtte, riep Nehemia in een schietgebedje God te hulp. Hij wilde in alles van God afhankelijk zijn, want zonder Hem kunnen we niets doen (Joh 15:5)

3. De gunst van de koning

Nehemia 2:5-8
5. en zei tegen de koning: Als het de koning goeddunkt, en als uw dienaar u welgevallig is, dat u mij dan naar Juda stuurt, naar de stad met de graven van mijn vaderen, zodat ik die weer op kan bouwen.
6. Toen zei de koning tegen mij, terwijl de koningin naast hem zat: Hoelang zal uw reis duren en wanneer zult u terugkeren? Het was goed in de ogen van de koning. Hij liet mij gaan toen ik hem een bepaalde tijd opgegeven had.
7. Verder zei ik tegen de koning: Als het de koning goeddunkt, laat men mij dan brieven geven voor de landvoogden van het gebied aan de overzijde van de rivier, dat zij mij doorgang verlenen totdat ik in Juda ben aangekomen,
8. en een brief voor Asaf, de bewaker van het kroondomein dat de koning heeft, dat hij mij hout geeft om een zoldering te maken voor de poorten van de burcht die bij het huis van God hoort, voor de stadsmuur en voor het huis waar ik naartoe zal gaan. En de koning gaf ze mij, omdat de goede hand van mijn God over mij was.

5. en zei tegen de koning: Als het de koning goeddunkt, en als uw dienaar u welgevallig is, dat u mij dan naar Juda stuurt, naar de stad met de graven van mijn vaderen, zodat ik die weer op kan bouwen.
6. Toen zei de koning tegen mij, terwijl de koningin naast hem zat: Hoelang zal uw reis duren en wanneer zult u terugkeren? Het was goed in de ogen van de koning. Hij liet mij gaan toen ik hem een bepaalde tijd opgegeven had.
7. Verder zei ik tegen de koning: Als het de koning goeddunkt, laat men mij dan brieven geven voor de landvoogden van het gebied aan de overzijde van de rivier, dat zij mij doorgang verlenen totdat ik in Juda ben aangekomen,
8. en een brief voor Asaf, de bewaker van het kroondomein dat de koning heeft, dat hij mij hout geeft om een zoldering te maken voor de poorten van de burcht die bij het huis van God hoort, voor de stadsmuur en voor het huis waar ik naartoe zal gaan. En de koning gaf ze mij, omdat de goede hand van mijn God over mij was.