English & other language: click here!

Nehemia 10 - Israëls Verbond met God


In Nehemia 10 draait alles om een officieel, schriftelijk akkoord dat het volk van Israël sluit met God. Nadat ze in de hoofdstukken ervoor diep in de spiegel hebben gekeken en hun zonden hebben beleden, besluiten de leiders, Levieten en priesters dat het tijd is voor concrete actie. Ze zetten letterlijk hun handtekening onder een hernieuwd verbond. Het Verbond bevatte in het kort de volgende zaken waartoe het volk zich verplichtte: geen huwelijken met heidense partners, de sabbat te houden, de tempeldienst in stand te houden en met de tienden en heffingen het onderhoud van de priesters te waarborgen. Het hoofdstuk benadrukt toewijding, gehoorzaamheid en praktische uitvoering van geloof in het dagelijks leven.


1. Nehemia en de priesters ondertekenden het verbond.

Nehemia 10:1 Onder hen die hun zegel zetten waren: Zijne Excellentie Nehemia, de zoon van Hachalja, en Zidkia, 2. Seraja, Azarja, Jeremia, 3. Pashur, Amarja, Malchia, 4. Hattus, Sebanja, Malluch, 5. Harim, Meremoth, Obadja, 6. Daniël, Ginnethon, Baruch, 7. Mesullam, Abia, Mijamin, 8. Maäzja, Bilgai, en Semaja; dat waren de priesters.

In de eerste acht verzen van dit hoofdstuk worden 23 namen genoemd, te beginnen met Nehemia de landvoogd. De andere namen waren allemaal priesters. Hier vond plaats dat waarmee hoofdstuk 9 eindigde: "Op grond van dit alles sluiten wij een vaste overeenkomst en stellen die op schrift, met het zegel van onze vorsten, Levieten en priesters".  Het sluiten van een verbond was altijd een indrukwekkende gebeurtenis. Het gebeurde vaak dat men 'op straffe des doods" aan zo'n verbond gehouden werd. Dat werd soms uitgebeeld met het slachten van vee, waarmee gezegd werd dat als je je belofte niet nakomt, zal het mes ook jou doden. 

2. De Levieten die het verbond ondertekenden

Nehemia 10:9 De Levieten: Jesua, de zoon van Azanja, Binnuï; van de zonen van Henadad, Kadmiël. 10. En hun broeders: Sebanja, Hodia, Kelita, Pelaja, Hanan, 11. Micha, Rehob, Hasabja, 12. Zakkur, Serebja, Sebanja, 13. Hodia, Bani, en Beninu.

Dit is een opsomming van de priesters die dit verbond ondertekenen. Het valt op dat de namen Ezra en Eljasib ontbreken Eljasib was in opspraak i.v.m. zijn familiebanden met Tobia (Neh.13:4-9; Neh. 13:28-29).  Ezra bekleedde geen officieel ambt en stond ook niet aan het hoofd van een geslacht. Hij hoorde tot het geslacht van Seraja of Azarja (Ezra 7:1-3). Semaja, de valse profeet die Nehemia in de val wilde laten lopen (Nehemia 6:10) wordt hier wel vermeld. 

3. De eed van het hele volk

Nehemia 10:28-29
28. De rest van het volk, de priesters, de Levieten, de poortwachters, de zangers, de tempeldienaren, en al wie zich had afgezonderd van de volken van de landen om de wet van God te houden, hun vrouwen, hun zonen en hun dochters, al wie kennis en inzicht had,
29. verbonden zich met hun broeders en hun vooraanstaanden en namen met een zelfvervloeking en een eed de verplichting op zich dat ze zouden wandelen volgens de wet van God, die gegeven was door de dienst van Mozes, de dienaar van God, en dat zij alle geboden van de HEERE, onze Heere, al Zijn bepalingen en Zijn verordeningen, in acht zouden nemen en houden:

Wat mooi om te lezen dat heel het volk zich achter hun leiders schaart in deze toewijding aan God. Degenen die zich van het buitenland bij hen hadden aangesloten, hadden zich verbonden Gods wet te  houden. 
Het Hebreeuwse woord wat hier voor 'eed' gebruikt wordt is 'sheboe-ah' שְׁבוּעָה dat ook 'vloek' אָלָה (alah) inhoudt. (Strong H423). Het uitspreken van een belofte, een eed voor Gods aangezicht houdt in dat je bij het niet nakomen ervan onder een vloek ligt. Verbond en vervloeking horen bij elkaar (Deuteronomium 29:12)). Dat geldt ook voor een gemeenschap of volk. Je kunt het vergelijken met de bepalingen die in Deut.27:11-26 genoemd worden, waarbij het volk steeds met de vervloeking in moet stemmen door ‘Amen’ te zeggen. Het ‘bewaren’ van de wet, betekent het houden ervan, als in Nehemia 1:5. De naam "Allah' in de islam betekent in het Hebreeuws dus 'vloek'. En die god is een vloek, het is een naam van de valse god: satan! Wie oprecht berouw heeft van een belofte of eed kan alleen vergeving krijgen door schuldbelijdenis, met een beroep op het bloed van Yeshua. Dit geldt zowel in persoonlijke zaken als voor een gemeenschap. Maar in die tijd was dat nog niet bekend. Als de islam over ons land heerst is dat ook een vloek van God.   

4. Trouw aan God bij de keuze van huwelijkspartners

Nehemia 10:30 Wij zullen onze dochters niet aan de volken van het land geven, en hun dochters zullen wij niet voor onze zonen nemen.

Ze beloven hun dochters niet uit te huwelijken aan de omringende (heidense) volken en geen buitenlandse vrouwen te trouwen voor hun zonen, om zo hun geloof zuiver te houden. Op dit gebied was er al zoveel misgegaan. Gemengde huwelijken vormden tijdens de bouw van de tempel (onder Ezra) en de bouw van de muur (onder Nehemia) obstakels in het onderlinge vertrouwen. Ook het priesterschap werd daardoor onrein! 

Een kleinzoon van (de hogepriester) Eljasib was getrouwd met een dochter van Sanballat (Neh. 13:28). Het huwelijk met een buitenlandse vrouw was bijzonder ongepast omdat priesters alleen met Joodse maagden mochten trouwen (Lev. 21:14). Omdat iedereen in de hogepriesterlijke lijn hogepriester kon worden, was dit dus een gevaarlijke situatie. In de lijst van Samaritaanse hogepriesters komt een Mannasse voor die de schoonzoon was van Sanballat en wat door Flavius Josephus wordt bevestigd. Deze situatie werd nog gevaarlijker omdat Eljasib daarnaast ook familiebanden had met Tobia (Neh.13:4) en er zelfs een kamer in de tempel was gereserveerd voor deze Tobia (Neh. 13:4-5). www.bijbelaantekeningen.nl –

Ezra gooide Tobia uit de priesterwoning bij de tempel.  Nehemia 13:8

5. De sabbat in ere hersteld

Verder de valse profeet Semaja, hij was de zoon van Delaja, de zoon van Mehetabeël. In Nehemia 7:62 wordt Delaja, onder de nakomelingen van Tobia vermeld. Hij was de vader van Semaja, de man die Nehemia in de val wilde laten lopen (Nehemia 6:10). 

In Ezra 9 lezen ook over deze vermenging en in Ezra 10 wordt beschreven dat die vrouwen worden weggezonden. De heidense  vrouwen introduceerden de goden die ze van huis uit gewend waren. Zo onderwees zij ook de kinderen van de Israëlieten. Dit was een enorme bedreiging voor het volk van God.

Nehemia 10:31 Als de volken van het land op de sabbatdag hun waren en allerlei soorten graan zullen brengen om te verkopen, dan zullen wij dat niet op de sabbat of op een andere heilige dag van hen aannemen. Wij zullen het zevende jaar het land braak laten liggen, en afzien van allerhande rente.

Als omliggende volken op de sabbat (of andere heilige dagen) goederen of graan komen verkopen, zullen de Israëlieten niets kopen. Dat is een voorbeeld voor ons, die al eeuwen, in het systeem van deze wereld, de rustdag op zondag vieren. Ik weet dat het moeilijk is om je aan te passen aan Gods geboden, maar dat was het voor deze Judeeërs ook. De zakelijke transacties kwamen hiermee onder druk te staan. Ook beloven ze het land elk zevende jaar braak te laten liggen en alle schulden kwijt te schelden (het sabbatsjaar). Wij, gelovigen uit de heidenen die het nieuwe verbond in Yeshua kennen worden opgeroepen: "Gij geheel anders, gij hebt Christus leren kennen" (Efeze 4:20).

Voor hen die het verstaan is de uitnodiging om in alle eenvoud ‘amen’ te zeggen. Om ons als een kind toe te vertrouwen aan de ruimte die God ons biedt binnen het Koninkrijk van Yeshua. Weg met het compromis-leven en gewoon instappen! Laat de gevolgen maar aan God over.

De verplichting om geen rente te vragen, gold ook voor leningen aan mede-Israëlieten, zoals eerder bepleit door Nehemia in hoofdstuk 5:7  tegen de achtergrond van sociaal onrecht en uitbuiting. Het doel was het naleven van de wet van Mozes, waaronder de sabbatsrust en de vrijlating van schulden, om Gods zegen te ontvangen en schande onder de omliggende volken te voorkomen. Het was dus al in de Tora geregeld (Exodus 22:25;  Lev. 25:36-37).

Dit is de waarheid in Jezus, dat gij, wat uw vroegere wandel betreft, de oude mens aflegt, die ten verderve gaat, naar zijn misleidende begeerten, dat gij verjongd wordt door de geest van uw denken, en de nieuwe mens aandoet, die naar de wil van God geschapen is in waarachtige gerechtigheid en heiligheid (Efeziërs 4:21-24).

Geen praten meer óver, maar: afleggen en aandoen!

Reken maar dat de Judeeërs ook barrières moesten doorbreken. Toen ze terugkwamen uit Babel of Perzië moest er geld verdiend worden en dan kom je in contact met degenen die daar al een bestaan hadden opgebouwd en die je daar wel in kunnen gebruiken. Maar God zal onze beslissingen, in geloof genomen, zegenen. 

Het houden van de sabbat houdt ook in: het land de sabbat gunnen. Het dan ook het zevende jaar braak te laten liggen. Het nalaten daarvan was één van de redenen dat men in ballingschap ging.

  • Volgens de Bijbelse profetie was de 70-jarige ballingschap in Babylon een goddelijke straf waarbij het land van Juda gedwongen rust kreeg om de Sabbatjaren in te halen die het volk in de voorgaande eeuwen had verwaarloosd.
  • Verwaarlozing: Het volk heeft dit gebod gedurende ongeveer 490 jaar (70 x 7 jaar) niet nageleefd, waardoor het land de voorgeschreven rust ontbeerde.
  • Vervulling: Om de nagelaten rustjaren te compenseren, bleef het land tijdens de ballingschap 70 jaar woest en onbewoond, zoals geprofeteerd door Jeremia (Jer. 25:11) en vervuld volgens 2 Kronieken 36:21.

6. Zorg voor de tempel

Nehemia 10:32-34
32. Wij leggen onszelf de geboden op dat wij een derde sikkel per jaar zullen geven voor de dienst van het huis van onze God;
33. voor het uitgestalde brood en het voortdurende graanoffer, voor het voortdurende brandoffer, de sabbatten, de nieuwe maanden, voor de feestdagen, voor de geheiligde gaven, voor de zondoffers om verzoening te doen voor Israël, en voor heel de dienst van het huis van onze God.
34. Wij, de priesters, de Levieten en het volk, hebben het lot geworpen over het offer van het hout, om dat naar het huis van onze God te brengen, ingedeeld naar onze families, op vastgestelde tijden, jaar op jaar, om dat te verbranden op het altaar van de HEERE onze God, overeenkomstig wat in de wet beschreven staat.

een derde sikkel per jaar zullen geven voor de dienst van het huis van onze God....... oude geboden worden, bij hernieuwde toewijding aan God, nieuw leven ingeblazen, en door veranderde omstandigheden "in een nieuw jasje". Deze Judese gemeente beloofde slechts een derde van een sikkel. Mogelijk verlaagde Nehemia het bedrag omdat de teruggekeerde ballingen nu arm waren (Nehemia 5:1-5). Ook waren de munteenheden veranderd, onder de overheersing van het Perzische rijk. Dit geld was nodig om de toonbroden, het dagelijkse graanoffer en de brandoffers en de kosten van de feestdagen te financieren. De Tora (Exodus 30:11-16) verplichtte Israëlieten van twintig jaar en ouder om de helft van een sikkel als tempelbelasting te betalen. De halve sikkel uit Exodus diende strikt als losgeld voor een volkstelling, de leiders en het volk in Nehemia maakten er een vaste, jaarlijkse bijdrage van voor de kosten van de tempel. 

de priesters, de Levieten en het volk, hebben het lot geworpen over het offer van het hout, om dat naar het huis van onze God te brengen.......... Er wordt geloot door wie en wanneer er hout geleverd moet worden voor het vuur op het altaar.

     

    7. De eerste opbrengsten zijn voor God

    Nehemia 10:35-37a
    35. Wij nemen de verplichting op ons om de eerstelingen van onze grond en de eerstelingen van elke vrucht van elke boom jaar op jaar naar het huis van de HEERE te brengen,
    36. en de eerstgeborenen van onze zonen en van onze dieren, overeenkomstig wat beschreven staat in de wet; en om de eerstgeborenen van onze runderen en van ons kleinvee naar het huis van onze God te brengen, naar de priesters die dienstdoen in het huis van onze God.
    37. En de eerstelingen van ons deeg, onze hefoffers, de vrucht van elke boom, nieuwe wijn en olie zullen wij brengen naar de priesters, naar de voorraadkamers van het huis van onze God.

    om de eerstelingen van onze grond en van elke vrucht  jaar op jaar naar het huis van YAHWEH te brengen......... Het volk belooft om de eerstelingen (de allereerste oogst) van hun land en fruitbomen naar de tempel te brengen, net als hun eerstgeboren zonen en het eerstgeboren vee. 

    Ze beloven ook hun deeg, hun hefoffers, de vrucht van elke boom, nieuwe wijn en olie te brengen naar de priesters, naar de voorraadkamers van het huis van onze God. 

    God heeft zijn zegen beloofd op het afstaan van de eerstelingen:

    Spreuken 3:9-10
    9. Vereer de HEERE met je bezit, met de eerstelingen van heel je opbrengst,
    10. dan zullen je schuren gevuld worden met overvloed en je perskuipen overlopen van nieuwe wijn.

    8. De tienden

    Nehemia 10:37b-39
    37b. De tienden van onze grond brengen wij naar de Levieten; de Levieten krijgen de tienden in alle steden waar wij werken.
    38. Ook zal er een priester, een zoon van Aäron, bij de Levieten zijn, als de Levieten de tienden ontvangen. En de Levieten zullen een tiende van de tienden naar het huis van onze God brengen, naar de kamers van het voorraadhuis,
    39. want de Israëlieten en de Levieten moeten het hefoffer van graan, nieuwe wijn en olie naar de voorraadkamers brengen; daar zijn immers de voorwerpen van het heiligdom, de priesters die dienstdoen, de poortwachters en de zangers. Wij zullen het huis van onze God niet verwaarlozen.

    De tienden van onze grond brengen wij naar de Levieten....... Het volk belooft een tiende van hun hele oogst aan de Levieten te geven. De Levieten brengen op hun beurt weer een tiende daarvan naar de voorraadkamers van de tempel. Ieder moet zijn tiende afdragen in het gebied waar men woont of werkt.
    Ook zal er een priester, een zoon van Aäron, bij de Levieten zijn, als de Levieten de tienden ontvangen........ het afdragen van de tienden moet gebeuren in het bijzijn van een Aäronitische priester, zodat een betrouwbare afhandeling verzekerd is. Dat deel moet naar de voorraadkamers waar het voorhanden moet zijn voor degenen die een taak hebben in het Huis van God.  

     

    Wij zullen het huis van onze God niet verwaarlozen....... Deze laatste uitspaak van dit hoofdstuk is een samenvatting van dit hele hoofdstuk. We kunnen ervan leren hoe goed het is om onze dienst aan God onder ogen te zien en te vernieuwen, zodat het beantwoordt aan Gods doel met ons leven. Nu zal dat binnen een kerk of organisatie vrijwel niet mogelijk zijn, omdat buitenbijbelse religieuze systemen dit verhinderen. Maar het is persoonlijk, of in kleinere groepen zeer wel mogelijk. Als we ons daarmee maar uitsluitend houden aan Woord & Geest, dan zal God door Zijn Heilige Geest de weg wijzen.

    Juda moest vrijkomen van Babel, waarin zuivere godsdienst niet mogelijk was. 

    Wij moeten vrijkomen van ons Babel dat het geloof in systemen heeft georganiseerd. Hierdoor wordt de Heilige Geest als het ware vastgebonden. Nu laat Gods Geest zich niet binden en zal hen leiden: die Babel durven te verlaten, om standvastig te zijn tijdens de komende periode van de antichrist en om verlangend te zijn naar het komende Koninkrijk. Zij vormen het geestelijke Huis van God, waarvan Yeshua de Hoeksteen is.

    Laten we dat geestelijke Huis niet verwaarlozen!

    Ida