English & other languages: click here!
Nehemia 5 - Interne bedreigingen
Nehemia 5 verschuift de aandacht van externe vijanden naar een veel gevaarlijker tegenstander: interne onrechtvaardigheid binnen het volk zelf. Terwijl de muur van Jeruzalem wordt opgebouwd, stort de sociale structuur bijna in. De armen worden uitgebuit door hun eigen volksgenoten.
Nehemia grijpt in met geestkracht en helderheid, profetische moed en praktische oplossingen. Nehémia neemt het voor de armen op. De overheden krijgen opdracht de armen te helpen. Nehémia geeft zelf het goede voorbeeld. Het hoofdstuk toont dat ware godsdienst niet alleen muren bouwt, maar ook mensen recht doet.
-
De crisis: economische uitbuiting binnen het volk
Nehemia 5:1-5
1. Er ontstond een luid geroep van het volk en van hun vrouwen tegen hun broeders, de Joden.
2. Er waren er die zeiden: Onze zonen, onze dochters en wijzelf zijn met velen. Dus moeten we aan graan zien te komen, zodat wij kunnen eten en in leven blijven.
3. Ook waren er die zeiden: Wij staan op het punt onze velden, onze wijngaarden en onze huizen tot onderpand te geven, zodat wij aan graan kunnen komen tegen de honger.
4. Verder waren er die zeiden: Wij hebben geld geleend voor de belasting aan de koning, op onze velden en onze wijngaarden.
5. Welnu, zoals het vlees van onze broeders is ook ons vlees; zoals hun zonen zijn ook onze zonen. En zie: wij staan op het punt onze zonen en onze dochters aan de slavernij te onderwerpen en er zijn er van onze dochters die al aan de slavernij zijn onderworpen, en dat buiten onze macht, en onze velden en onze wijngaarden behoren aan anderen toe.
De bouwers klagen bij Nehemia. Er zijn drie groepen in nood:
- Grote gezinnen die honger lijden
- Boeren die hun land moeten verpanden om belasting te betalen
- Armen die hun kinderen als slaven moeten afstaan
Het vorige hoofdstuk eindigde weer hoopvol. De bedreigingen van de vijanden hadden het werk aan de muur lam gelegd. Maar tenslotte had Nehemia maatregelen genomen en de bouwvakkers bemoedigd. Ze waren weer volop aan het werk gegaan. In dit hoofdstuk komt de muur niet ter sprake. Het lijkt wel of de bouw is stil gelegd. Er komt een andere bedreiging aan het licht. Niet van de vijanden, maar van binnenuit. Van de werkers en hun familieleden. Dat moest ook aan het licht komen. Er waren maatschappelijke en financiële problemen die niet hoefden te ontstaan als het volk en hun leiders zich aan de Torah hadden gehouden. Er was grote onenigheid onder het volk en een verdeeld volk zou geen stand kunnen houden tegen de vijanden van buitenaf.
Het ging niet om geld voor de bouw van de muur, want Nehemia had toestemming van de koning om de materialen voor rekening van Perzië te halen. Het ging om schulden waardoor bezittingen, huizen, wijngaarden en akkers, in onderpand moesten worden gegeven en kinderen als slaven moesten worden verkocht. Hun akkers en wijngaarden kwamen in het bezit van rijke Judeeërs.
Oorzaak: Rijke Judeeërs vragen rente en gebruiken de nood van hun broeders om zichzelf te verrijken.
Dit is een directe overtreding van de Torah (Ex. 22:25; Lev. 25:35–37).
-
Nehemia’s reactie: heilige verontwaardiging
Nehemia 5:6-11
5. Ik ontstak in hevige woede toen ik hun geroep en deze dingen hoorde.
7. Ik ging bij mijzelf te rade en ik riep de edelen en de machthebbers ter verantwoording en zei tegen hen: U leent geld uit tegen rente, ieder aan zijn broeder! Vervolgens belegde ik een grote vergadering tegen hen.
8. Ik zei tegen hen: Wíj hebben onze broeders, de Joden, die aan de heidenvolken verkocht waren, teruggekocht zoveel als in ons vermogen lag; gaat ú nu weer uw broeders verkopen zodat ze weer aan ons zouden worden verkocht? Toen zwegen zij en vonden geen antwoord.
9. En ik zei: Wat u doet, is niet goed. Moet u niet wandelen in de vreze van onze God vanwege de smaad van de heidenvolken, onze vijanden?
10. Lenen ook ik, mijn broers en mijn knechten geld en graan aan hen tegen rente? Laten we toch deze rente achterwege laten.
11. Geef hun toch vandaag nog hun velden, hun wijngaarden, hun olijfbomen en hun huizen terug, en ook het honderdste deel van het geld en het graan, de nieuwe wijn en olie, die u hun leent.
Nehemia werd vervuld van heilige verontwaardiging toen hij deze klachten van de arme bewoners hoorde. Er staat dat hij bij zichzelf te rade ging, maar dat hield ook in dat hij bij God te rade ging. Geld uitlenen tegen rente en dat van je arme broeders..... !!! de God van Israël heeft Zijn volk iets anders geleerd in de Torah.
Leviticus 25:36-37
36. U mag geen rente of winst van hem nemen, maar u moet uw God vrezen, zodat uw broeder bij u in leven blijft.
37. U mag uw geld niet met rente aan hem lenen en u mag uw voedsel niet tegen winst geven.
Nehemia riep een vergadering bijeen en met duidelijke taal confronteerde hij de rijken met hun schuldig gedrag.
Nehemia vertelt dat de Joden van de heidenen zijn teruggekocht (Lev. 25:47-49). Dan hebben de onderdrukkers toch het recht niet om ze zwaar te belasten? De rijken hebben geen weerwoord op deze vraag. Ze beseffen dat ze zondigen tegen Gods gebod met betrekking tot het omgaan van de rijken met de armen (Exz. 22:21-27).
Nehemia zei duidelijk: Wat u doet, is niet goed ! Hun houding werpt een smaad op de dienst aan God en zo zijn ze geen licht ten opzichte van de heidenen. De heidenen zouden dit alleen maar kunnen gebruiken om te spotten met hun schijnheiligheid. Wij, zegt Nehemia, met mijn broers en knechten, lenen ook geen geld en graan aan hen tegen rente. Die rente moet verdwijnen! Ze moesten ook vandaag nog hun velden, akkers, wijngaarden, olijfbomen, olie en huizen teruggeven. Het staat er niet, maar het lijkt me voor de hand te liggen dat de kindslaven weer naar hun ouderlijk huis teruggebracht moesten worden.
ook het honderdste deel van het geld en het graan, de nieuwe wijn en olie, die u hun leent....... (het honderdste deel ), vermoedelijk is deze uitdrukking zoiets als wat Yeshua gebruikt "de zevende mijl gaan". Dat zou betekenen dat ze moeten teruggeven wat ze opgeëist hebben inclusief het percentage (honderste deel) aan rente van het bedrag dat ze de armen onthouden hebben. Dus rente op rente.
-
De ommekeer: de leiders geven toe
Nehemia 5:12 -13
12. Toen zeiden ze: Wij zullen het teruggeven en wij zullen niets meer van hen eisen. Zo zullen we doen, zoals u het zegt. Toen riep ik de priesters en ik liet hen zweren om dienovereenkomstig te handelen.
13. Ook schudde ik de plooi van mijn mantel uit en ik zei: Zo moge God elke man die dit woord niet gestand zal doen, uitschudden uit zijn huis en uit zijn arbeid, en zo moge hij uitgeschud en leeg zijn. En de hele gemeente zei: Amen! En zij prezen de HEERE en het volk handelde dienovereenkomstig.
Toen zeiden ze: Wij zullen het teruggeven en wij zullen niets meer van hen eisen........
Dit was een verblijdende ontwikkeling na een indrukwekkende les. Ze voegen er nog aan toe dat ze alles dienovereenkomstig zullen doen. Nehemia laat deze mensen een eed afleggen om hun belofte voor Gods aangezicht te bekrachtigen.
Ook schudde ik de plooi van mijn mantel uit....... de plooi van de mantel, werd gebruikt om geld op zak te hebben. Dit was een teken waarmee Nehemia zeggen wilde: Zo moge God elke man die dit woord niet gestand zal doen, uitschudden uit zijn huis en uit zijn arbeid. Hij zal niets bezitten. De hele gemeente 'beaamde' dit met "Amen".
YAHWEH de God van Israël werd de eer gegeven en de Judeeërs gingen in blijdschap Gods koninklijke weg.
-
Nehemia’s voorbeeld: leiderschap zonder zelfverrijking
Nehemia 5:14-18
14. Overigens, vanaf de dag waarop de koning mij de opdracht heeft gegeven om landvoogd te zijn in het land Juda, vanaf het twintigste jaar tot het tweeëndertigste jaar van koning Arthahsasta, twaalf jaar, hebben ik en mijn broers het brood, bestemd voor de landvoogd, niet gegeten.
15. Maar de eerdere landvoogden, die er vóór mij waren, hadden het zwaar gemaakt voor het volk en zij hadden brood en wijn van hen genomen, en daarna nog veertig sikkel zilver. Ook heersten hun knechten over het volk. Maar ík heb zo niet gehandeld, omdat ik God vreesde.
16. Ook voor het werk aan deze muur heb ik mij sterk gemaakt en wij hebben geen grondbezit verworven en al mijn knechten waren daar bij elkaar voor het werk.
17. De Joden en de machthebbers, honderdvijftig man, en zij die naar ons toe waren gekomen uit de heidenvolken die zich rondom ons bevinden, aten aan mijn tafel.
18. Wat klaargemaakt werd voor één dag: Voor mij werden klaargemaakt één rund, zes uitgelezen stuks kleinvee en vogels en, met een tussenpoos van tien dagen, zeer veel van allerlei soorten wijn. En bovendien eiste ik niet het brood, bestemd voor de landvoogd, want de dienstbaarheid drukte zwaar op dit volk.
19. Denk toch aan mij, mijn God, ten goede, om alles wat ik heb gedaan voor dit volk.
vanaf de dag waarop de koning mij opdracht gaf om landvoogd te zijn in Juda heb ik geen speciaal landvoogdmenu gegeten...... Nehemia was gouverneur over Judea, dat in die tijd een provincie van Perzië was. In die twaalf jaar die voor dit karwei was vastgesteld heeft Nehemia zich niet boven de anderen willen verheffen en heeft hij gewoon samen met de Judeeërs en leiders gegeten aan een rijk voorziene tafel die hij zelf voor allen had laten klaarmaken (zoals in vers 18 vermeld).
de eerdere landvoogden, die er vóór mij waren, hadden het zwaar gemaakt voor het volk en zij hadden brood en wijn van hen genomen en moesten ook nog zilver hebben....... Zij en hun personeel heersten over het volk. Nehemia vertoonde hiermee het beeld van Yeshua. Hij heeft geen bijdragen van zijn tafelgenoten gevraagd.
voor het werk aan deze muur heb ik mij sterk gemaakt en wij hebben geen grondbezit verworven....... Zijn aandacht was helemaal op God gericht in de wetenschap dat dit Gods land is dat Hij voor Israël bestemd heeft. Hij heeft daar geen rijkdommen, bezittingen of voordelen voor zichzelf gezocht. Ook daarin was hij, zonder het te beseffen, een beeld van Yeshua. Zijn gemeenschap was het werkvolk dat zich ook in dienst van God had gesteld.
De Joden en de machthebbers, en zij die naar ons toe waren gekomen uit de heidenvolken die zich rondom ons bevinden, aten aan mijn tafel...........Nehemia beschrijft dat 150 Joden en machthebbers, samen met gasten uit de omliggende heidenvolken, dagelijks aan zijn tafel aten. Nehemia vermeldt dit als bewijs van zijn integriteit; hij onthaalde deze grote groep met rijke voeding (waaronder één rund, zes schapen en veel wijn) zonder de belasting voor het landvoogdschap van het volk te eisen, omdat de last die het volk al droeg, zwaar was.
Denk toch aan mij, mijn God, ten goede, om alles wat ik heb gedaan voor dit volk......... met dit gebed wordt hoofdstuk vijf afgesloten.
.
Tegenstand vs. Geloofsreacties in Nehemia 5
Misbruik van armoede en nood.
Confrontatie met onrecht in Israël.
Geen rente van broeders.
Verpanding land,
akkers en huizen.
Herstel van eigendom.
Land behoort de HEERE toe;
lossing verplicht.
Financiële uitbuiting van broeders.
Direct einde aan woekerpraktijken
Geen rente of winst van broeders.
Schulden leiden tot slavernij.
Broeders worden vrijgekocht.
Broeders niet als slaven behandelen.
Macht concentreert bij enkelen.
Herstel van recht en solidariteit.
Open hand voor de arme broeder.
Positie gebruikt voor eigen voordeel.
Nehemia zonder voedselbelasting, vrijgevig.
Leiders mogen zich niet verheffen.
Ida