English & other languages: click here!
Nehemia 9 - Israël belijdt zijn zonde
Nehemia 9 beschrijft een plechtige vasten- en biddag van de Israëlieten op de 24ste dag van de zevende maand, waarbij zij zich afscheiden van buitenlanders en belijdenis doen van hun eigen zonden en die van hun voorouders. Het hoofdstuk bevat een uitgebreide historische terugblik op Gods daden, variërend van de schepping en de roeping van Abraham tot de Uittocht uit Egypte, de wandeling door de woestijn met manna en water uit de rots, en de verdeling van het land Kanaän.
SAMENKOMST VAN EEN BEROUWVOL JUDA
Een samenkomst van nederig berouw
Nehemia 9:1 Op de vierentwintigste dag van deze maand verzamelden de Israëlieten zich met vasten en in rouwgewaden, met aarde op hun hoofd.
Op de vierentwintigste dag van deze maand verzamelden de Israëlieten zich met vasten en in rouwgewaden, met aarde op hun hoofd.............. Het was nog maar de derde dag na het blijde loofhuttenfeest (25 Tishri) dat de Israëlieten zich door Gods Geest gedrongen voelden om hun leefwijze aan te passen aan de roeping die God in hun hart had gelegd. Ze hadden in deze maand de liefde van God geproefd, maar waren zich door het voorlezen van de Tora ervan bewust geworden dat hun leven niet daarmee in overeenstemming was. Ze gaven daar uitdrukking aan door te vasten, zich te kleden met jute zakken en andere rouwkleding en ze deden aarde op hun hoofd. Dit hield in dat ze kleine handjes aarde namen en die op hun hoofd strooiden.
Zie, dat volk woont afgezonderd, onder de heidenvolken rekent het zich niet (Numeri 23:9b).
Nehemia 9:2 En het nageslacht van Israël zonderde zich af van alle vreemdelingen. Ze gingen staan en beleden hun zonden en de ongerechtigheden van hun vaderen.
Het nageslacht van Israël zonderde zich af van alle vreemdelingen......... het nageslacht van Jacob was zich bewust geworden van hun bijzondere status, als het volk van God, waarmee God zich had verbonden op de Sinaï. Bij die Sinaï had hun voorgeslacht de belofte uitgesproken dat zij zouden doen wat God hun in de Tora opdroeg (Exodus 24:7). Ze begrepen nu dat het op hun weg lag om een andere weg in te slaan.
Ze gingen staan en beleden hun zonden en de ongerechtigheden van hun vaderen....... Er was zoveel gebeurd de laatste tijd: de bouw van de muur en de vijandschap waarmee dat gepaard ging. Het herstel van de situatie onder de arme bevolking. Toen die wonderlijke uitstorting van Gods Geest die hen in staat stelden de Bijbelse herfstfeesten in praktijk te brengen. Maar vooral het besef dat de dienst aan God zo verwaarloosd was, zowel door hun voorgeslacht als door hen zelf. Er ontstond een oprecht berouw en opnieuw bracht Gods Geest hen tot een hartelijke schuldbelijdenis. Zodat Bileam's profetie verder werd bewaarheid toen hij zei:
Numeri 23:21 Hij aanschouwt geen onrecht in Jakob;
ook ziet Hij geen kwaad in Israël aan.
De HEERE, zijn God, is met hem,
en de jubelklank van de Koning is bij hem.
Gods woord horen en Hem aanbidden.
Nehemia 9:3 Nadat zij op hun plaats waren gaan staan, lazen zij voor uit het wetboek van de HEERE, hun God, gedurende een vierde deel van de dag; en op een ander vierde deel van de dag deden zij belijdenis en bogen zich neer voor de HEERE, hun God.
De dag wordt nauwkeurig ingedeeld: een kwart van de dag wordt besteed aan het voorlezen van de Wet, en een ander kwart aan belijdenis van schuld en aanbidding. Dit benadrukt dat waar berouw gegrond moet zijn op datgene wat God in de Tora heeft geopenbaard.
Het gebed van berouw
(4-5a) Namen van hen die de gemeente leiden
1. (4-5a) Nehemia 9:4 Jesua en Bani, Kadmiël, Sebanja, Bunni, Serebja, Bani en Chenani gingen op de verhoging van de Levieten staan en riepen met luide stem tot de HEERE, hun God.
5a. De Levieten Jesua, Kadmiël, Bani, Hasabneja, Serebja, Hodia, Sebanja en Petahja zeiden:
Er worden hier twee groepen bedoeld. De eerste groep, waarvan we voor een deel de namen zien uit Neh. 8:5,8, die op de verhoging van de Levieten ging staan waren waarschijnlijk familiehoofden en zij riepen met luide stem hun nood uit voor de HEERE. Ook hier zien we, net zoals in het vorige hoofdstuk een duidelijke werking van de Heilige Geest. De tweede groep bestaat uit Levieten die de leiding van deze samenkomst op zich namen. Volgens de Septuagint zou Ezra hierbij aanwezig zijn geweest, wat ook aannemelijk lijkt.
(5b-6) Lof aan de God van de hele schepping
Nehemia 9:5b-6
5b. Sta op, loof de HEERE, uw God, van eeuwigheid tot eeuwigheid, en laat men Uw heerlijke Naam loven, die boven alle lof en prijs verheven is.
6. U bent het, HEERE, U alleen. U hebt de hemel gemaakt, de allerhoogste hemel en heel het leger erin, de aarde en al wat daarop is, de zeeën en al wat daarin is, en U doet dat alles leven, en de menigte aan de hemel buigt zich voor U neer.
In de verzen 5 en 6 wordt God geprezen om Zijn Schepping. De hoogste hemel is Gods woonplaats. God doet alles leven. Hem zij de eer! Met het leger worden de engelen en de geestelijke machten in de hemelse gewesten bedoeld.
In de verzen 7 en 8 wordt teruggegaan naar de verkiezing van Abram. De belofte dat het land van de Kanaänieten zijn nageslacht zou toebehoren. En God heeft die belofte waar gemaakt! Daaruit blijkt Zijn rechtvaardigheid. Israël heeft een betrouwbare God!
Nehemia 9:9-15
9. U hebt de ellende van onze vaderen in Egypte gezien, en U hebt hun geroep bij de Schelfzee gehoord.
10. U hebt tekenen en wonderen gedaan bij de farao, bij al zijn dienaren en bij heel de bevolking van zijn land, want U wist dat zij overmoedig tegen hen handelden, en U hebt voor Uzelf een Naam gemaakt, zoals die op deze dag is.
11. De zee hebt U vóór hen doormidden gespleten, en zij zijn in het midden van de zee over het droge overgestoken. Hun achtervolgers hebt U in de diepten geworpen als een steen in machtige wateren.
12. Met een wolkkolom hebt U hen overdag geleid en met een vuurkolom 's nachts, om de weg waarop zij zouden gaan voor hen te verlichten.
13. Op de berg Sinaï bent U neergedaald en hebt U vanuit de hemel met hen gesproken, en U hebt hun rechtmatige bepalingen, betrouwbare wetten en goede verordeningen en geboden gegeven.
14. Uw heilige sabbat hebt U hun doen kennen, en geboden, verordeningen en een wet hebt U voor hen uitgevaardigd door de dienst van Mozes, Uw dienaar.
15. Brood uit de hemel hebt U hun gegeven tegen hun honger, en U hebt voor hen water uit een rots doen komen tegen hun dorst. U hebt hun gezegd het land binnen te gaan en in bezit te nemen waarvoor U Uw hand opgeheven had om het hun te geven.
Nehemia 9:7-8
7. U bent de HEERE, de God Die Abram heeft uitgekozen en hem heeft uitgeleid uit Ur van de Chaldeeën, en U hebt zijn naam veranderd in Abraham.
8. U hebt zijn hart trouw bevonden voor Uw aangezicht en U hebt een verbond met hem gesloten om hem het land te geven van de Kanaänieten, de Hethieten, de Amorieten, de Ferezieten, de Jebusieten en de Girgasieten, om het te geven aan zijn nageslacht; en U hebt Uw woorden gestand gedaan, want U bent rechtvaardig.
De verzen 9-15 gaan terug naar de tijd dat Israël in Egypte was en ze beseffen weer hoe God zich over hen ontfermd had, omdat Hij hun ellende zag. Door de tekenen en wonderen die God toen gedaan had, en de wonderlijke tocht dwars door de zee, waarbij de vijanden verdronken, door al deze tekenen heeft de God van Israël ontzag ingeboezemd bij de volken. God heeft hen verder door de woestijn geleid door de wolkkolom die des nachts een lamp voor hun voet was.
En dan dat hoogtepunt: de verbondssluiting op de Sinaï! God heeft hen rechtmatige bepalingen, betrouwbare wetten en goede verordeningen en geboden gegeven. U gaf hen de sabbat, het manna, en water uit de rots. God zorgde voor hen als een Vader voor zijn kinderen. In vers 15 verwijst het opheffen van Gods hand naar de onvoorwaardelijke belofte (eed!) die Hij al veel eerder aan de aartsvaders (Abraham, Izak en Jakob) had gedaan om hen het land Kanaän te geven.
Nehemia 9:16-17a
16. Maar zij en onze vaderen hebben overmoedig gehandeld. Zij zijn halsstarrig geweest en hebben niet naar Uw geboden geluisterd.
17. Zij hebben geweigerd te luisteren en zij hebben niet gedacht aan Uw wonderen die U bij hen had gedaan. Zij zijn halsstarrig geweest en in hun opstandigheid hebben zij een hoofd aangesteld om terug te keren naar hun slavernij.
16-17a Een zondige reactie op Gods goedheid.
"Onze vaderen hebben overmoedig gehandeld"...... datzelfde werd in vers 10 van de Egyptenaren gezegd. Ze deden dus niet onder voor de Egyptenaren. Ze hebben een 'hoofd' aangesteld om terug te keren naar Egypte (Numeri 14:4).
17b-21 - God’s genadige antwoord op een opstandig Israel.
Nehemia 9:17b-21
17b. Maar U bent een God Die menigvuldig vergeeft, genadig, barmhartig, geduldig, rijk aan goedertierenheid, en U hebt hen niet verlaten.
18. Zelfs toen ze voor zichzelf een gegoten kalf gemaakt hadden en zeiden: Dit is uw God Die u heeft doen optrekken uit Egypte, en grote godslasteringen hadden gepleegd,
19. hebt U hen in Uw grote barmhartigheid toch niet verlaten in de woestijn. De wolkkolom week overdag niet van boven hen om hen te leiden op de weg, en ook de vuurkolom 's nachts niet om voor hen de weg te verlichten waarop zij zouden gaan.
20. Uw goede Geest hebt U gegeven om hen te onderwijzen. Uw manna hebt U hun mond niet onthouden en water hebt U hun gegeven tegen hun dorst.
21. Veertig jaar hebt U hen onderhouden in de woestijn. Zij hebben geen gebrek geleden, hun kleren zijn niet versleten en hun voeten zijn niet opgezwollen.
In deze verzen wordt de woestijnreis van Israël beschreven vanuit de liefde van God voor Zijn volk dat vaak in ongehoorzaamheid verkeerde. Paulus voegde daar later nog aan toe: "Zij dronken namelijk uit een geestelijke rots, die hen volgde; en die rots was Christus." (1 Korinthe 10:4). Israël verliet de slavendienst van Egypte en Juda is als het ware op reis naar herstel nadat het teruggekomen is uit de Babylonische ballingschap. de uit deze verklaring blijkt de volharding van God. Ondanks het falen van het volk, blijft God trouw aan Zijn beloften.
Ook na de zonden met het gouden kalf. Tot het einde toe van de reis heeft God voor hun kleding en onderhoud gezorgd (Neh. 9:21).Dit is een belangrijk bewijs van de constante liefde en genade van God, die juist in deze tijd zo in twijfel getrokken wordt. Het herinnert ons er bovendien aan dat, ongeacht onze zonden, er altijd ruimte is voor vergeving en een vernieuwde relatie met God. Niettemin blijft staan dat God aan het merendeel van het volk in de woestijn geen welgevallen had (1 Korinthe 10:5). Maar Hij gaat altijd verder met een rest die Hem trouw blijft. Voor de gelovigen van vandaag, is de waarschuwing tegen afgoderij en de noodzaak om trouw te blijven aan God net zo relevant.
22-31 - Het terugkerend patroon van Israëls relatie met God
Nehemia 9:22-31
22. U hebt hun koninkrijken en volken gegeven en U hebt die hun toebedeeld als randgebied: zij hebben het land van Sihon, te weten het land van de koning van Hesbon, en het land van Og, de koning van Basan, in bezit gekregen.
23. Hun kinderen hebt U talrijk gemaakt als de sterren aan de hemel. U hebt hen naar het land gebracht waarvan U tegen hun vaderen had gezegd dat zij het binnen zouden gaan om het in bezit te nemen.
24. Hun kinderen zijn het binnengegaan en hebben het land in bezit genomen. En U hebt de bewoners van het land, de Kanaänieten, vóór hen onderworpen en U hebt die in hun hand gegeven, samen met hun koningen en de volken van het land, om met hen te doen naar hun goeddunken.
25. Zij hebben versterkte steden en vruchtbare grond ingenomen en hebben huizen in bezit genomen die vol zijn van alle goeds, uitgehakte waterputten, wijngaarden, olijfbomen en vruchtbomen in overvloed. Zij hebben gegeten en zijn verzadigd en welvarend geworden en hebben als in een lusthof geleefd door Uw grote goedheid.
26. Zij zijn echter ongehoorzaam geworden en zijn tegen U in opstand gekomen, en zij hebben Uw wet verworpen en Uw profeten gedood, die bij hen hebben getuigd om hen tot U te doen terugkeren. Zo hebben zij grote godslasteringen gepleegd.
27. U hebt hen overgegeven in de hand van hun tegenstanders en die hebben hen benauwd. Maar als zij ten tijde van hun benauwdheid tot U riepen, hoorde U hen vanuit de hemel en gaf U hun, overeenkomstig Uw grote barmhartigheid, verlossers, die hen uit de hand van hun tegenstanders verlosten.
28. Maar als zij rust gekregen hadden, deden zij opnieuw wat kwaad is voor Uw aangezicht. Dan gaf U hen weer over in de hand van hun vijanden en die heersten dan weer over hen. Als zij zich dan bekeerden en tot U riepen, hoorde U vanuit de hemel en redde hen vele malen, overeenkomstig Uw barmhartigheid.
29. U hebt hen gewaarschuwd om hen te doen terugkeren naar Uw wet, maar zíj hebben overmoedig gehandeld. Ze hebben niet naar Uw geboden geluisterd, maar hebben gezondigd tegen Uw bepalingen, waardoor een mens die ze houdt, leven zal. Zij zetten hun schouder er dwars tegenin, zij waren halsstarrig en luisterden niet.
30. Vele jaren bent U geduldig geweest ten opzichte van hen, en hebt U hen door Uw Geest gewaarschuwd, door de dienst van Uw profeten, maar zij namen het niet ter ore. Toen hebt U hen in de hand van de volken van de landen overgegeven.
31. Door Uw grote barmhartigheid hebt U hen niet vernietigd en hebt U hen niet verlaten, want U bent een genadig en barmhartig God.
In dit gedeelte lezen we hoe de nieuwe generatie van Israël onder de legeraanvoerder Jozua, overwinnend op weg ging naar het Beloofde land. De landen die Israël geen doorgang wilden verlenen werden overwonnen en aan het Beloofde land toegevoegd. Vooral de overwinning op Sihon, te weten het land van de koning van Hesbon, en het land van Og, de koning van Basan, maakte veel indruk op de landen in die regio. De jongere generatie liet zich niet afschrikken door de reuzen in die landen, zoals hun ouders daar wel bang voor waren en geen vertrouwen hadden in Gods leiding. Zo kregen ze versterkte steden van Kanaän in bezit. Steden die bestand waren tegen vijandelijke aanvallen, boomgaarden vol prachtige vruchten, vruchtbare grond om voedsel te verbouwen en kant en klare huizen die ze konden betrekken. Zolang Israël gehoorzaam de weg van God ging hebben ze ook Zijn zegeningen ervaren. Ze hebben in het begin in het Beloofde land als het ware in een lusthof geleefd, zoals in vers 25 is vermeld.
Maar helaas, zoals steeds weer, viel Israël terug in zonden. Men hield zich niet meer aan Gods wetten, men ging de goden van die heidense landen vereren. In vers 26 lezen we dat er profeten waren die hen opriepen om terug te keren van hun zonden, naar de levende God, Die profeten hebben ze zelfs gedood. Zo erg werd het. Om welke profeten dat gaat staat niet vermeld. We kennen wel de namen van twee profeten die vermoord werden en in de Bijbel worden genoemd: Zacharja (de zoon van Jojada) (2 Kronieken 24:20-22) en Uria (de zoon van Semaja) (Jeremia 26:20-23). Verder liet koningin Izebel (de vrouw van koning Achab) stelselmatig de profeten van de Heer uitroeien (1 Koningen 18:4 en 19:10). De Joodse traditie noemt ook nog Jesaja en Jeremia, maar daarvan geeft de Bijbel geen melding. Nehemia 9:26 functioneert min of meer als een verzamelbericht voor al deze tragische momenten uit de geschiedenis van Israël.
Het terugkerend patroon van Israël was dat ze vanwege hun zonden door God overgegeven werden in de handen van hun vijanden, Kwamen ze daardoor tot inkeer en vroegen ze God om vergeving dan braken er weer betere tijden aan. Het ging precies zo als op de berg van zegen en vloek werd uitgesproken en wat in Leviticus 26 en Deuteronomium 28 is verwoord. Een principe dat nog altijd in werking is en wat uiteindelijk de norm is bij het goddelijk oordeel.
Het laatste vers van dit schriftdeel spreekt weer van Gods barmhartigheid. Deze Joden die schuld beleden, stellen met dankbaarheid vast dat God hen om hun vele zonden niet heeft vernietigd. Dit is ook een belofte van God die Hij via Jeremia 4:27 en Jeremia 5:18 aan Israël heeft gegeven. Er blijft altijd een getrouwe rest over waarmee God Zijn heilsplan tot uitvoer brengt.
32-37 - Een smeekbede tot God om in te grijpen
Nehemia 9:32-37
32. Welnu, onze God, o grote, geweldige en ontzagwekkende God, Die het verbond en de goedertierenheid in acht neemt, laat al de moeite die ons heeft getroffen niet gering zijn voor Uw aangezicht: onze koningen, onze vorsten, onze priesters, onze profeten, en onze vaderen, heel Uw volk, vanaf de dagen van de koningen van Assyrië tot op deze dag.
33. U bent echter rechtvaardig geweest in alles wat ons overkomen is. Want U hebt getrouw gehandeld, maar wij hebben goddeloos gehandeld.
34. Onze koningen, onze vorsten, onze priesters en onze vaderen hebben Uw wet niet gehouden en zij hebben geen acht geslagen op Uw geboden en op Uw getuigenissen, die U hun gegeven hebt.
35. Zij hebben U in hun koninkrijk niet gediend, ondanks Uw vele kostbaarheden, die U hun had gegeven, en ondanks het uitgestrekte en vruchtbare land dat U aan hen overgegeven had, en zij hebben zich niet bekeerd van hun slechte daden.
36. Zie, vandaag zijn wij slaven, en het land dat U aan onze vaderen hebt gegeven om de vrucht en het goede daarvan te eten, zie, wij zijn slaven daarin.
37. De opbrengst ervan verschaft veel rijkdom aan de koningen die U over ons aangesteld hebt vanwege onze zonden. Zij heersen over onze lichamen en over onze dieren naar hun goeddunken, en wij zijn in grote benauwdheid.
onze God, o grote, geweldige en ontzagwekkende God, Die het verbond en de goedertierenheid in acht neemt.......... Door deze formulering komt naar voren het grote verschil van het zondige volk en de rechtvaardigheid en betrouwbaarheid van de God van Israël. Zij en hun koningen hadden het verbond verlaten, maar God blijft zich eraan houden, hen tot zegen. Toch willen zij nog een gunst van God vragen en dat durven ze te doen omdat God barmhartig is en loyaal vergeeft: hen die in schuldbesef tot Hem komen.
Laat God niet te gering denken over de moeite en ellende die ze hebben ervaren. Dat trof alle lagen van de bevolking, hoog geplaatst of arm en veracht. Dat is al zo sinds de wrede koningen van Assyrië over hen geheerst hebben. Assyrië werd inderdaad door God gebruikt om Israël te straffen en hen zo tot bekering te brengen. Jesaja 10:5 Wee Assyrië, de roede van Mijn toorn; en Mijn gramschap is een stok in hun hand. Maar die volken gingen hun boekje vaak te buiten en dat zal hen zeker aangerekend worden!
Zacharia 1:15 Maar Ik ben zeer toornig op die zorgeloze heidenvolken. Ik was een weinig toornig, maar zíj hebben geholpen het erger te maken.
God is ook nu nog niet klaar met Assyrië. Er zijn meerdere profetieën die erop wijzen dat God bij het aanbreken van het Koninkrijk hun arrogantie zal oordelen. Lees Jesaja 10:8-14 maar eens. In vers 12 wordt duidelijk gesteld dat dit gebeurt wanneer Gods Koninkrijk zal worden geopenbaard. En wat betekent die overstromende vloed uit Jesaja 8:7-9? Heeft dit te maken met de Gog en Magog van Ezechiël 39?
Zij hebben U in hun koninkrijk niet gediend........ Degenen die het voortouw hadden moeten nemen: onze koningen, onze vorsten, onze priesters en onze vaderen hebben zich niet gestoord aan Gods wetten en getuigenissen. Hun wijze van regeren had een afgeleide vorm van Gods trouw en rechtvaardigheid moeten zijn. Maar ze gingen hun eigen wereldse wegen en vergaten de HEERE te dienen. God zorgde voor vruchtbaar land en kostbare schatten ten gunste van het volk. Maar wat ten zegen was bedoeld werd door straffen van droogte en ballingschap tot een vloek.
vandaag zijn wij slaven, en het land dat U aan onze vaderen hebt gegeven om de vrucht en het goede daarvan te eten,...... die opbrengst ging naar Assyrië, naar Babel, naar Perzië. En dat allemaal omdat ze YAHWEH hun God en Zijn geboden verlieten. De vruchten van hun arbeid, die oorspronkelijk voor henzelf bedoeld waren, moeten ze afgeven aan hun overheersers, die er rijk van worden. Ja, en we weten: het was om onze zonden. Zij zijn de baas over onze lichamen, over ons vee en we zijn in benauwde omstandigheden.
Vers 38: Dit alles mondt uit in een vast verbond
Nehemia 9:38 Op grond van dit alles sluiten wij een vaste overeenkomst en stellen die op schrift, met het zegel van onze vorsten, Levieten en priesters.
Nadat alles is beleden en uitgesproken naar YAHW|EH de God van Israël, onder vele getuigen, dringt de Heilige Geest erop aan om een vast besluit te nemen. Een 'vast verbond' houdt in dat men niet alleen belijdt wat er misging. maar dat er gekozen wordt voor een concreet herstel, een veranderde levenshouding in gehoorzaamheid aan God. Zo mondt Nehemia 9:38 uit in een vast verbond en wordt op schrift gesteld. Daarmee kiezen ze, zoals Jozua het verwoordde: ‘Ik en mijn huis, wij zullen YAHWEH dienen’ (Jozua 24:15c). Hier betreft het het 'huis van Juda' .
Deze gebeurtenis is een voorvervulling van wat die andere, plm. 80 jaar eerder teruggekeerde balling, Profeet Zacharia profeteerde:
Zacharia 12:9-14 – BELOFTE VAN DE GEEST VAN GENADE EN GEBEDEN
9. Op die dag zal het gebeuren dat Ik alle heidenvolken die tegen Jeruzalem oprukken, zal willen wegvagen.
10. Maar over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem zal Ik de Geest van de genade en van de gebeden uitstorten. Zij zullen Mij aanschouwen, Die zij doorstoken hebben. Zij zullen over Hem rouw bedrijven, als met de rouwklacht over een enig kind; en zij zullen over Hem bitter klagen, zoals men bitter klaagt over een eerstgeborene.
11. Op die dag zal in Jeruzalem de rouwklacht groot zijn, zoals de rouwklacht van Hadad-Rimmon in het dal van Megiddo.
12. Het land zal rouw bedrijven, elk geslacht afzonderlijk: het geslacht van het huis van David afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk, het geslacht van het huis van Nathan afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk,
13. het geslacht van het huis van Levi afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk, het geslacht van Simeï afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk,
14. al de overige geslachten: elk geslacht afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk.
En dan breekt Gods Koninkrijk aan!
Ida