Nehemia 9 - Israël belijdt zijn zonde


Nehemia 9 beschrijft een plechtige vasten- en biddag van de Israëlieten op de 24ste dag van de zevende maand, waarbij zij zich afscheiden van buitenlanders en belijdenis doen van hun eigen zonden en die van hun voorouders.  Het hoofdstuk bevat een uitgebreide historische terugblik op Gods daden, variërend van de schepping en de roeping van Abraham tot de Uittocht uit Egypte, de wandeling door de woestijn met manna en water uit de rots, en de verdeling van het land Kanaän


A. SAMENKOMST VAN EEN BEROUWVOL JUDA

1. (1) Een samenkomst van nederig berouw

Nehemia 9:1 Op de vierentwintigste dag van deze maand verzamelden de Israëlieten zich met vasten en in rouwgewaden, met aarde op hun hoofd.

Op de vierentwintigste dag van deze maand verzamelden de Israëlieten zich met vasten en in rouwgewaden, met aarde op hun hoofd.............. Het was nog maar de tweede dag na het blijde loofhuttenfeest dat de Israëlieten zich door Gods Geest gedrongen voelden om hun leefwijze aan te passen aan de roeping die God in hun hart had gelegd. Ze hadden in deze maand de liefde van God geproefd, maar waren zich door het voorlezen van de Tora ervan bewust geworden dat hun leven niet daarmee in overeenstemming was. Ze gaven daar uitdrukking aan door te vasten, zich te kleden met jute zakken als rouwgewaad en ze deden aarde op hun hoofd. Dit hield in dat ze kleine handjes aarde namen en die op hun hoofd strooiden.