To translate this page into different languages, click here!

Exodus 21 - 23 wetten over slaven en andere zaken

Het gedeelte dat we deze week bestuderen is Exodus 21: 1-24: 18 en heeft als Hebreeuwse titel “Mishpatiem”, hetgeen "verordeningen" betekent.
Op het eerste gezicht, lijkt de Thora lezing van deze week een beetje, saai, in vergelijking tot de voorgaande gedeelten. Er zijn geen grote wonderen, zoals de tien plagen of het pad door de zee.

Het gaat hier over instructies voor de rechtspraak binnen een samenleving die zo totaal anders is dan de onze. Het is niet verwonderlijk  dat we bepaalde zaken niet begrijpen. De instructies werden gegeven voor de rechtspraak. We kunnen ervan uitgaan dat God binnen de gegeven omstandigheden de juiste weg wees. We zouden deze voorschriften nooit één op één op onze samenleving kunnen toepassen, hoewel bepaalde basisbegrippen ook voor het hier en nu heilzaam zouden zijn. De wetgeving in onze wereld is een eigen leven gaan leiden, zonder dat men zich maar enigszins afvraagt of dat in overeenstemming is met Gods Woord. De mens meent het beter te weten dan God en vertrouwt op zijn eigen inzicht. Wat een menselijke hoogmoed is dat eigenlijk…

We moeten trachten de bedoeling van die wetten ons eigen te maken en dan zal de Heilige Geest ons leren ze toe te passen.

 

We lezen in het boek Deuteronomium dat God van Zijn geboden meerdere keren zegt: “opdat gij leeft en het goed met u gaat”. Die wetten zijn goed voor Israël, maar ook voor ons. We kunnen wel denken dat wij het beter weten, maar onze gedachten zijn anders dan Gods gedachten (Jesaja 55:8). Wij zullen moeten leren onze gedachten aan te passen aan Gods gedachten.

Het kan niet anders dat ons hele, op menselijke wijsheid gebouwde, besturingsapparaat op een gegeven moment vastloopt en in duigen valt. En dan zal er eerst een valse “redder” opstaan, die later een bedrieger blijkt te zijn, die de mensheid in een moderne, zondige en verschrikkelijke  slavernij brengt.  Dat zal “de zesde” dag (het zesde millennium) zijn, de tijd waarin wij leven. Maar het “zevende jaar” is het “sabbatsjaar”.  In het “zevende millennium” breekt het Koninkrijk van God aan. We worden bevrijd uit de slavernij, door Koning Yeshua, zoals ook de slaven, bedoeld in Exodus,  vrij kwamen in het zevende jaar.    

 

Dit Toragedeelte begint met het stellen van regels met betrekking tot het houden van slaven. Zoals uit bovenstaande chiastische structuur blijkt is de volgorde van de onderwerpen gelijk aan de volgorde van de tien geboden. 

De “Tien Geboden” zijn de fundering waarop alle andere geboden steunen. Je zou ze ook de wortel kunnen noemen van waaruit alle andere geboden ontspruiten.

Yeshua zegt in Mattheüs 22:

37 "U zult de Heere, uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met heel uw verstand.
38. Dit is het eerste en het grote gebod.
39. En het tweede, hieraan gelijk, is: U zult uw naaste liefhebben als uzelf.
40. Aan deze twee geboden HANGT heel de Wet, en de Profeten."

Yeshua brengt het aantal geboden niet terug op twee, maar legt daarin de basis voor al die geboden, waarvan volgens Zijn eigen woorden geen tittel of jota mag worden afgedaan. De geboden zijn gegeven uit liefde en hebben liefde tot de naaste tot doel.

Deze twee geboden, maar ook de tien geboden van de stenen tafels, zijn als het ware de kapstok waaraan al die andere geboden zijn opgehangen. En we zullen hier een aantal geboden behandelen. 

Israël kreeg deze geboden na hun bevrijding van het slavenbestaan uit Egypte, het houden van de wet was geen voorwaarde om bevrijd te worden. Ook wij houden Gods geboden niet om bevrijd, gered te worden, maar omdat we bevrijd zijn uit het diensthuis van de zonde, door het bloed van Yeshua.

De  regels die we in deze hoofdstukken lezen waren er ter bescherming van slaven. Het bestaan van slaven in deze hoofdstukken kunnen we vergelijken met een dienstverband tussen werkgever en werknemer. Dat kunnen heel goede arbeidsverhoudingen zijn. Het Hebreeuwse woord voor slaaf is עֶבֶד “eved”, maar wordt ook vertaald als “dienaar”.  Een voorbeeld van een heel goede verhouding tussen meester en slaaf is dat van Abraham en Eliëzer. Binnen het volk van God past geen slavendienst waarbij mensen hun waardigheid wordt ontnomen en uitgebuit worden.

Het mooiste voorbeeld is dat Yeshua zich als “dienaar/slaaf” ter beschikking stelde.

Filippenzen 2: 5 Laat daarom die gezindheid in u zijn die ook in Christus Jezus was,

6 Die, terwijl Hij in de gestalte van God was, het niet als roof beschouwd heeft aan God gelijk te zijn,

7 maar Zichzelf ontledigd heeft DOOR DE GESTALTE VAN EEN SLAAF AAN TE NEMEN en aan de mensen gelijk te worden.

8 En in gedaante als een mens bevonden, heeft Hij Zichzelf vernederd en is gehoorzaam geworden, tot de dood, ja, tot de kruisdood.

9 Daarom heeft God Hem ook bovenmate verhoogd en heeft Hem een Naam geschonken boven alle naam,

10 opdat in de Naam van Jezus zich zou buigen elke knie van hen die in de hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn,

11 en elke tong zou belijden dat Jezus Christus de Heere is, tot heerlijkheid van God de Vader.

 

Een slaaf die graag bij zijn meester wilde blijven liet zich het oor met een priem doorboren aan de deurposten. We weten dat men in Israël de geboden van God symbolisch in een Mezoeza aan de deurposten aanbracht. Deuteronomium 6:8. Het gat in een oor betekent zoiets dat het oor geopend is voor de voorschriften van de meester. Zo was het ook symbolisch met Yeshua:

Psalm 40: 7 U hebt geen vreugde gevonden in slachtoffer en graanoffer, U hebt Mijn oren doorboord; brandoffer en zondoffer hebt U niet geëist.

8 Toen zei Ik: Zie, Ik kom, in de boekrol is over Mij geschreven.

9 Ik vind er vreugde in, Mijn God, om Uw welbehagen te doen; Uw wet draag Ik diep in Mijn binnenste.

 

Jesaja 50: 5 De Heere HEERE heeft Mij het oor geopend, en Zelf ben Ik niet ongehoorzaam, Ik wijk niet terug.

 

Vaak werd iemand slaaf doordat hij zijn schulden niet kon betalen waardoor hij het eigendom van zijn schuldeiser werd. Op die manier kon hij zijn schuld betalen. In ieder geval zijn de regels die God stelt bedoeld om in deze situatie de zwakke partij te beschermen. In het zevende jaar moest de slaaf weer vrijgelaten worden. Om de zeven jaar was er een sabbatjaar. Werd iemand bijvoorbeeld slaaf in het vierde jaar tussen beide sabbatsjaren, dan kon hij na drie jaar al weer vrij komen. Het was dus slechts  in enkele gevallen dat een slaaf de volle zeven jaar dienst moest doen.

De Bijbel maakt verschil tussen zonen en slaven. Enkele voorbeelden uit de Bijbel, waarbij het om slaven gaat:

Joh. 8: 33 Zij antwoordden Hem: Wij zijn Abrahams nageslacht en zijn nooit slaaf van iemand geweest; hoe kunt U dan zeggen: U zult vrij worden?

34 Jezus antwoordde hun: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ieder die de zonde doet, is een slaaf van de zonde.

35 En de slaaf blijft niet eeuwig in het huis; de zoon blijft er eeuwig.

36 Als dan de Zoon u vrijgemaakt heeft, zult u werkelijk vrij zijn.

 

1 Kor. 7: 21 Bent u als slaaf geroepen, dan moet u zich daarover niet bekommeren. Kunt u echter ook vrij worden, maak dan liever van die gelegenheid gebruik.

22 Wie namelijk als slaaf geroepen is in de Heere, is een vrijgelatene van de Heere. Evenzo is hij die als vrije geroepen is, een slaaf van Christus.

231 U bent duur gekocht; word dus geen slaven van mensen.

24 Laat ieder voor het aangezicht van God blijven, broeders, in de staat waarin hij geroepen is.

 

Romeinen 6: 16 Weet u niet dat aan wie u uzelf als slaaf ter beschikking stelt tot gehoorzaamheid, u slaaf bent van wie u gehoorzaamt: óf van de zonde, tot de dood, óf van de gehoorzaamheid, tot gerechtigheid?

17 Maar God zij dank: u was wel slaaf van de zonde, maar nu bent u van harte gehoorzaam geworden aan het voorbeeld van de leer waaraan u overgegeven bent.

18 En, vrijgemaakt van de zonde, bent u dienstbaar gemaakt aan de gerechtigheid.

 

Johannes 13: 13 U noemt Mij Meester en Heere, en u zegt het terecht, want Ik ben het.

14 Als Ik dan, de Heere en de Meester, uw voeten gewassen heb, moet ook u elkaars voeten wassen.

15 Want Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat ook u zult doen zoals Ik voor u heb gedaan.

16 Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Een dienaar (slaaf) is niet meer dan zijn heer, en een gezant niet meer dan hij die hem gezonden heeft.

Het gegeven dat de slaaf vrij kwam na zes jaar, bepaalt ons dus bij het zevende millennium: het Vrederijk, oftewel het Duizendjarig rijk. Dan zal de slavendrijver “satan”, die de wereld nu nog probeert te onderwerpen aan de zondige slavendienst, gebonden zijn.

Er zijn in deze hoofdstukken nog veel meer beelden die verwijzen naar Yeshua. Een oppervlakkige Bijbellezer kan daar zomaar overheen lezen. Het lijkt dan een gedeelte met vermoeiende regels zonder een bepaalde opbouw.

Maar je ontdekt dat Gods Woord prachtig in elkaar zit, als je het gaat bestuderen.

Dat blijkt uit beide bovenstaande structuren.

In dit gedeelte vinden we strafmaatregelen voor misdrijven, zoals moord, ontvoering en mishandeling. God bepaalde de doodstraf voor de rechterlijke uitspraken. Zelfs het vervloeken of het slaan van een vader of moeder verdiende de doodstraf.

"En wie zijn vader of zijn moeder vervloekt moet zeker gedood worden." (Exodus 21:17)

Er werden ook wetten gegeven voor eerherstel en schadeloosstelling bij verwondingen veroorzaakt door dieren, of schade die werd toegebracht aan het gewas. De wetten verbieden verleiding van meisjes, de praktijk van hekserij, bestialiteit, afgoderij en het mishandelen de kansarmen in de samenleving.

Overtredingen van deze wetten hebben vaak de strengste straffen tengevolge, zoals dood door steniging. 
Maar het is meer dan dat. God heeft oprechte bezorgdheid voor gerechtigheid en het welzijn van het individu. Bijvoorbeeld, als een weduwe of een kind zonder ouders wordt mishandeld of benadeeld, gaat God zelf straffen.

22 Geen enkele weduwe of wees zult gij verdrukken. 
23 Indien gij dezen toch verdrukt, voorzeker zal Ik, indien zij luide tot Mij roepen, hun geroep horen,
24 En mijn toorn zal ontbranden en Ik zal u met het zwaard doden, zodat uw vrouwen weduwen worden en uw kinderen wezen. (Exodus 22: 22-24).

Wat is het goed dat we Yeshua hebben leren kennen, waar we naar toe kunnen vluchten met onze zonden, ook de zonden die volgens Gods wet de dood verdienen. Alleen bij Hem is vrijspraak, genade. Al zullen we wel de gevolgen van onze zonden moeten dragen. Maar we moeten beseffen hoe zwaar zulke zonden wegen en dat we daar niet gemakkelijk overheen kunnen stappen. En het is al helemaal niet bedoeld om een ander erom te veroordelen.

Volgens de rechtspraak moet er “oog om oog en tand om tand plaatsvinden”, d.w.z. de schade die een ander is toegebracht moet naar redelijkheid vergoed worden. Exodus 21:23 en 24. Maar ben je de benadeelde partij dan zou je ervan af kunnen zien om vergoeding te eisen omdat je die ander wilt liefhebben. Tenminste dat lees ik in Mattheüs 5:38 en 39. Maar dat is geen rechtspraak.

Volgens de wet heb je recht op vergoeding. In hetzelfde hoofdstuk zegt Yeshua dat alles wat God in de wet heeft bepaald van kracht blijft, zolang deze wereld bestaat. Ook al maken wij mensen duizenden andere wetten. Voor Gods rechterstoel hebben die geen waarde.