Genesis 15 - Belofte en verbond

In het voorgaande hoofdstuk ontmoette Abram de koning van Salem die ook de priester van de Allerhoogste is: Melchizedek.  Hierna kwam Yahweh naar Abram in een visioen en sprak de volgende woorden tot hem:
"Wees niet bevreesd, Abram, Ik ben voor u een schild, uw loon zeer groot.

Abram dacht na over deze woorden en vroeg zich af wat dat grote loon kon zijn. Hij had geen gebrek aan materiële zaken en als hij zou sterven geen erfgenaam, dan degene die hem diende in zijn huis: Eliëzer, een man uit Damascus.  Maar dan zegt God: "Deze man zal uw erfgenaam niet zijn, maar iemand die uit uw eigen lichaam voortkomt, die zal uw erfgenaam zijn. Toen leidde Hij hem naar buiten en zei: Kijk  naar de hemel en tel de sterren, als u ze kunt tellen. En Hij zei tegen hem: Zo talrijk zal uw nageslacht zijn".  Gen.15:4,5

En Abram geloofde in de HEERE, en Die rekende hem dat tot gerechtigheid. (vers 6)

We zijn hier bij een heel belangrijk gedeelte in de Bijbel aangekomen: de verbondssluiting met Abraham. Het verbond dat met het fysieke nageslacht van Abraham gesloten wordt en het land dat zij in bezit zullen krijgen. Het volk dat wonderlijk zal ontstaan heeft een land nodig om in te wonen. Dat land zal niet hun eigendom zijn, maar ze mogen het wel bezitten, erven en gebruiken. Het wordt hun toegewezen door de Allerhoogste, die Eigenaar ervan is en Die daar met hen wil wonen:

want het land is van Mij, en gij zijt vreemdelingen en bijwoners bij Mij’ (Lev. 25:23)

Israël mag daar bij Adonai wonen. Maar zover is het nog niet in deze geschiedenis. Dat Abram geloofde in YAHWEH, houdt in dat hij en degenen in zijn huishouden waren, tot de weinigen (de enigen?) behoorden die geloofden dat Yahweh de Schepper van hemel en aarde was, de enige ware God, terwijl de rest van de aarde bij de torenbouw van Babel was meegegaan in de Babylonische afgodendienst. Maar Abram geloofde de Heer - hij geloofde dat de woorden van Yahweh waar zijn, ook al had Hij ze nog niet vervuld.

Abraham woonde nu bij de “eiken van Mamre”, het gebied van het tegenwoordige Hebron. En daar krijgt hij, als kinderloze man, een belofte van een zo groot nageslacht zoals de sterren aan de hemel. En aan de nachtelijke hemel in die contreien zijn nog heel veel sterren meer te zien dan wat wij hier gewend zijn te zien. Het was niet de eerste keer dat God aan Abraham nageslacht beloofde:

Bij zijn vertrek uit Haran op 75-jarige leeftijd:

Genesis 12: 2 Ik zal u tot een groot volk maken, u zegenen en uw naam groot maken; en u zult tot een zegen zijn.

Bij binnenkomst in het land Kanaän verscheen Adonai aan Abraham en beloofde hem het land voor zijn nageslacht, dat hij nog niet had:

Genesis 12: 7 Aan uw nageslacht (ZAAD!) zal Ik dit land geven. Toen bouwde hij daar een altaar voor de HEERE, Die hem verschenen was.

In de laatstgenoemde tekst staat in het Hebreeuws het woord “zera” זֶרַע  = ZAAD. Het woord “zera” zaad wordt meestal vertaald met “nageslacht”.  Het grote aantal nakomelingen dat beloofd wordt spitst zich echter toe op het heilig Zaad, het ZAAD van de vrouw vermeld in Genesis 3: 15 dat de kop van de slang zal vermorzelen. Wie het geloof van Abraham heeft behoort tot dat heilig ZAAD, dat de Messias is:

Galaten 3: 16 Welnu, zo zijn de beloften aan Abraham en aan zijn nageslacht (ZAAD) gedaan. Hij zegt niet: En aan de nageslachten (zaden), alsof er sprake zou zijn van velen; maar van één: En aan uw Nageslacht (ZAAD); dat is Christus (YESHUA HAMASHIACH).

Uit het fysieke zaad, de erfgenamen van Abram wordt het Éne Zaad geboren. Alles draait om Hem als DE WEG TOT GOD, DE WAARHEID EN HET LEVEN. De voorwaarde om te delen in de verbondsbelofte aan Abraham gedaan is voor ons, gelovigen uit de heidenen, om van Christus te zijn:

Galaten 3:29 En als u van Christus bent, DAN bent u Abrahams nageslacht (zaad) en overeenkomstig de belofte erfgenamen.

De farizeeën gingen er prat op om zich kinderen van Abraham te noemen maar Yeshua zei tegen hen:

Johannes 8: 39b Als u Abrahams kinderen was, zou u de werken van Abraham doen.

Wat waren de werken van Abraham? Dat staat in vers 6 van ons Bijbelgedeelte:

Genesis 15: 6 En hij geloofde in YHWH, en Die rekende hem dat tot gerechtigheid.

Het geloof in God en het handelen vanuit dat geloof is de gerechtigheid die voorwaarde is om Abrahams zaad te zijn en te delen in het verbond dat God met hem gesloten heeft en te delen in het éne HEILIG ZAAD van Abraham. We zien hieruit dus dat Abraham niet Gods kind werd op grond van het houden van geboden (hoewel hij dat zeker deed! Genesis 26:5), maar op grond van zijn geloof en vertrouwen. Dat was zijn gerechtigheid in Gods ogen. In Romeinen 4 besteedt Paulus veel aandacht aan die gerechtigheid.

De verbondssluiting waarvan in dit hoofdstuk sprake is vindt plaats op een indrukwekkende wijze. Abraham vroeg om een teken, zodat hij kon vasthouden wat God had beloofd. Hij moest een aantal dieren halen: een driejarige jonge koe, een driejarige geit, een driejarige ram, een tortelduif en een jonge duif. Deze dieren, behalve de duiven,  werden doormidden gesneden. Daar komt de uitdrukking vandaan “een verbond snijden”.  Uit buitenbijbelse geschriften blijkt dat dit in het midden-oosten een gebruikelijke manier was om een verbond te sluiten. Zo'n ritueel duidt dan op een tweezijdig verbond dat een belofte inhoudt op voorwaarde dat de andere partij een vooraf bepaalde tegenprestatie moet leveren. Maar hier gaat het anders. In de hun omringende wereld van die tijd gingen de beide partijen tussen de stukken door, maar bij Abraham ging God alleen tussen de dieren door, terwijl Abram in een diepe slaap gevallen was. Bij Abram is dus sprake van een onvoorwaardelijk verbond dat ondanks Israëls ontrouw uiteindelijk vervuld wordt. Abram kreeg het teken waarom hij gevraagd had.

Er kwamen roofvogels af op deze gedode dieren. Dit zou geestelijk heel goed  kunnen wijzen op de tegenstand van de volken die de dienst aan God willen verontreinigen en hinderen.  Vogels  verbeelden soms geestelijke machten, zoals bijvoorbeeld in Openbaring 18:2.  Maar Abraham joeg die vogels weg.  Bij deze verbondssluiting speelde zich strijd af in de hemelse gewesten. Toen het donker werd viel  Abraham in een diepe slaap, waarin hij een angstwekkende duisternis zag en waarin God hem duidelijk maakte wat er zou gebeuren met zijn zaad. Er ging een brandende fakkel tussen de dierdelen door. Die brandende fakkel heeft te maken met oordeel.  Er zou een oordeel komen over de Amorieten, als de maat van hun zonden vol zou zijn. (15:16) In de nabije toekomst  zal er eveneens een oordeel komen over de wereld als de maat van de zonde vol is. Er kwam ook een oordeel over de Farao, die een beeld van de komende antichrist is en zijn oordeel tegemoet gaat. Het verbond met Abraham gesloten, was een éénzijdig, onvoorwaardelijk verbond. God bepaalde de beloften, de gang van zaken en er stond geen verplichting voor Abraham tegenover. 

Hoe lang was Israël in Egypte?

Zijn nageslacht zou 400 jaar onderdrukt worden staat er in de centrale as van de chiastische structuur.   

In Exodus 12: 40 en 41 en in Galaten 3: 17 is er sprake van 430 jaar. Dat verschil zit in het verblijf van Jacob in Egypte, dat er bij gerekend wordt. Maar dit hoort niet bij de slavernij van het volk Israël. Zie het overzicht links.

Ook in Genesis 17 is er sprake van een verbondssluiting. Hier gaat het om een tweezijdig, voorwaardelijk verbond, dat te maken heeft met het land. De voorwaarde is hier de besnijdenis.  Dit verbond spitst zich dus toe op het fysieke nageslacht van Abraham, met het oog op de geboorte van Yeshua HaMashiach die uit hen geboren werd en op het land dat voor dit volk bestemd is.

In de Romeinenbrief gaat Paulus in op het verbond met Abram in Genesis 15.

Romeinen 4:2 Immers, als Abraham uit werken gerechtvaardigd is, heeft hij iets om zich op te beroemen, maar niet bij God.
3. Want wat zegt de Schrift? En Abraham geloofde God, en het is hem tot gerechtigheid gerekend.
4. Aan hem nu die werkt, wordt het loon niet toegerekend naar genade, maar naar wat men hem verschuldigd is.
5. Bij hem echter die niet werkt, maar gelooft in Hem Die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot gerechtigheid.

Zowel in Genesis 15 als in Romeinen 4 is er sprake van dat de gerechtigheid wordt toegerekend! Dat wil dus zeggen dat de eigen gerechtigheid geen voorwaarde is voor Gods zegeningen, maar de gerechtigheid die door Yeshua is bewerkt.  
En hij (Abram) heeft aan de belofte van God niet getwijfeld door ongeloof

 

Romeinen 4:20,21 En hij heeft aan de belofte van God niet getwijfeld door ongeloof, maar werd gesterkt in het geloof, terwijl hij God de eer gaf. Hij was er ten volle van overtuigd dat God ook machtig was te doen wat beloofd was.

 

GOD geloven (dus niet alleen aan of in Hem geloven) is genoeg om gerechtvaardigd te worden:

En Abraham geloofde God, en het is hem tot gerechtigheid gerekend.  

Romeinen 4:3

Datzelfde geloof is ook voor ons nodig! In het Nieuwe Testament wordt meerdere malen gerefereerd naar deze waarheid.

Romeinen 4:3 Want wat zegt de Schrift? ‘En Abraham geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid gerekend’.

Galaten 3:6 Zoals Abraham God geloofde en het werd hem tot gerechtigheid gerekend.

Jakobus 2:23 En de Schrift werd vervuld die zegt: ‘En Abraham geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid gerekend’, en hij werd een vriend van God genoemd.

Ook met het oog op deze eindtijd is er de belofte dat God komt met het oordeel. Het wordt een zware tijd. Maar ook dan is onze redding de gerechtigheid door het geloof dat ons door Yeshua wordt toegerekend. 

Habakuk 2:3,4 Voorzeker, het visioen wacht nog op de vastgestelde tijd, aan het einde zal Hij het werkelijkheid maken. Hij liegt niet. Als Hij uitblijft, verwacht Hem, want Hij komt zeker, Hij zal niet wegblijven. Zie, zijn ziel is hoogmoedig, niet oprecht in hem, MAAR DE RECHTVAARDIGE ZAL DOOR ZIJN GELOOF LEVEN.

Habakuk 2:20a Maar de HEERE is in Zijn heilige tempel.......