To translate this website in different languages click here.

Genesis 43 en 44 tm vers 17 - Voor de tweede keer naar Egypte

Er kwam echter een hongersnood over heel het land Egypte en Kanaän en grote benauwdheid; en onze vaderen vonden geen voedsel.
Maar toen Jakob hoorde dat er in Egypte koren was, stuurde hij onze vaderen er de eerste keer opuit.

Handelingen 7:11.12

Dat was een hele worsteling van Jacob. Het gebrek aan graan dwong hem maatregelen te nemen en de enige mogelijkheid was een reis naar Egypte. Maar ja, hij was al twee zonen kwijt (Jozef en Simeon) en nu moest hij zijn oogappel Benjamin meegeven…. Stel je voor dat hij die ook kwijt zou raken.
Waarom moest die vreemde koning nu juist zijn overgebleven lievelingszoon bij zich zien. Moest hij die nu ook nog in de waagschaal stellen? Maar aan de andere kant, moest hij door gebrek aan brood met zijn gezin van de honger sterven?

Twee van zijn zonen wilden hun vader helpen die beslissing te nemen. Ruben had tegen zijn vader gezegd:
U mag mijn twee zonen doden, als ik hem niet bij u terugbreng! Geef hem in mijn hand en ik zal hem bij u terugbrengen! Genesis 42:37

Dit argument was voor Jacob niet overtuigend om toe te geven. Het voorstel van Juda hielp hem wel over de streep:
Toen zei Juda tegen Israël, zijn vader: Stuur de jongen met mij mee; dan zullen wij opstaan en op weg gaan, zodat wij in leven zullen blijven en niet zullen sterven: wij niet, u niet en onze kleine kinderen niet. Ikzelf zal borg voor hem staan; van mij mag u hem opeisen – als ik hem niet bij u terugbreng en hem voor u plaats, dan sta ik alle dagen schuldig tegenover u. Genesis 43:8,9

Uit het feit dat Juda zich borg stelt voor Benjamin, kunnen we een vergelijking maken met Yeshua, die Zich borg stelde voor ons. Maar Hij moest ook daadwerkelijk gedood worden om ons het LEVEN te geven.  Bij het voorstel van Juda ging het om LEVEN en het voorstel van Ruben hield de DOOD in. We merken in deze hoofdstukken dat Juda, die na de verkoop van Jozef een heidens leven leidde onder de Kanaänieten, in deze geschiedenis zich herstelt. Hij is woordvoerder, in zekere zin leider en stelt zich borg voor Benjamin. 

Nu Juda zich borg gesteld heeft kan Jacob zijn oogappel Benjamin loslaten en in Gods handen leggen. Dat Jacob dat deed, lezen we in de centrale as van de chiastische structuur. Zijn Opa Abraham werd voor een nog groter dilemma gesteld. Maar hij hield Gods belofte voor ogen.

Jacob overwint in zijn innerlijke strijd en spreekt uit: “als ik van kinderen beroofd word, dan word ik maar van kinderen beroofd.”  Zoiets kun je alleen maar uitspreken als je je twijfels en angsten in de hand van God hebt gelegd. Het doet denken aan Esther die tegen het protocol in naar de koning ging en daarvoor gedood kon worden.  Maar ook dat was nodig om haar volk te redden en de weg naar de Messias open te houden. Zij had een dergelijke uitspraak:  “Als ik dan omkom, dan kom ik om.” (Esther 4:16) 

Jacob gaf zijn zonen de opdracht om een geschenk mee te nemen voor de koning.  Ondanks de voedselschaarste bracht het land blijkbaar nog wel  bijzondere producten voort. Het geschenk bestond uit:  balsem, honing, specerijen, mirre, pistachenoten en amandelen. Het Hebreeuwse woord wat hier voor geschenk gebruikt wordt is “mincha” מִּנְחָה d.w.z. een spijsoffer.

Als de broers dan aankomen in het paleis van Jozef, worden ze behoorlijk in verwarring gebracht.  Maar ook voor Jozef moet dat een emotioneel moment zijn geweest toen hij zijn bloedeigen broer voor het eerst weer zag en hij niets mocht laten merken. De broers worden uitgenodigd om later op de dag bij de onderkoning aan tafel te eten. Je zou zeggen, wat een eer, wat een voorrecht. Maar de broers hebben er geen vertrouwen in. Er kwamen zoveel mensen graan kopen, de koning ging heus niet met iedereen eten. Waarom wel met hen, terwijl hij zich zo wantrouwend naar hen had gedragen?

Toen werden de mannen bevreesd, omdat ze naar het huis van Jozef gebracht werden. Ze zeiden: Wij worden hier binnengebracht vanwege het geld dat de eerste keer in onze zakken teruggelegd is, zodat hij ons kan overrompelen, ons kan overvallen en ons tot slaven kan nemen, en ook onze ezels. Genesis 43:18

De angst om slaaf te worden had Jozef natuurlijk zelf ook gekend toen de broers hem gingen verkopen. De broers gaan in gesprek met iemand van de hofhouding, die ze proberen te overtuigen van hun onschuld. De man antwoordt hen heel welwillend. Hij zegt dat God het geld in de zakken heeft gedaan en dat hij gewoon de prijs voor het graan van hen ontvangen heeft.  Ze hoeven zich dus geen zorgen te maken. Vervolgens brengt hij Simeon  vanuit de gevangenis bij hen terug en ze mogen zich wassen en opfrissen.  Dan worden ze verwacht voor de koninklijke maaltijd waarvoor speciaal dieren van de veestapel waren geslacht. Maar er is weer iets wat de broers in verwarring brengt. Hoe kan het dat ze precies op volgorde van leeftijd aan de tafel van Zafnath Paäneah geplaatst worden? Het is mogelijk dat deze tafelschikking de betreffende dienaar van de koning zou duidelijk maken wie de jongste was, in wiens zak de beker van Jozef verstopt moest worden.

Als Jozef binnenkomt zijn er de gebruikelijke buigingen die de jongensdroom van Jozef bevestigden.  Het geschenk wordt overhandigd. Jozef vraagt met belangstelling hoe het met hun en zijn vader is en vraagt voor de vorm of Benjamin nu die jongste broer is waar ze het de vorige keer over hadden. Maar dan krijgt Jozef het te kwaad. Hij gaat naar een ander vertrek om te huilen.  Hij herstelde zich weer, waste zijn gezicht en ging bij zijn familie aan tafel.  Maar toen merkten de broers weer zoiets bijzonders. Waarom kreeg Benjamin vijf keer meer op zijn bordje dan zij?

De volgende dag zouden de broers met het gekochte graan weer afreizen naar huis. Een moment van ontspanning en opluchting. Ze konden met z’n elven weer naar huis afreizen. Maar intussen had Jozef wel weer iets bedacht wat hen in grote verwarring zou brengen.  Ze waren nog niet zo lang op weg toen ze merkten dat ze achtervolgd werden.  De dienaar van de koning haalde hen in en zei, volgens afspraak met de koning:  “Waarom hebt u kwaad voor goed vergolden? U heeft  de beker meegenomen waaruit mijn heer drinkt en waarmee hij dingen met zekerheid kan waarnemen? U hebt slecht gehandeld met wat u gedaan hebt.” Genesis 44:5

Opnieuw betuigen de broers hun onschuld en geven aan dat ze eerlijke mensen zijn. Maar dan zeggen ze: “Degene van uw dienaren bij wie de beker gevonden wordt, moet sterven; bovendien zullen wij dan zelf slaven van mijn heer worden.” Genesis 44:9

Oei….. want de knecht vindt de beker …….. in de zak van Benjamin. Ook was het geld voor de tweede keer weer in de zakken gestopt. De hele karavaan ging weer terug naar de koning en ze wierpen zich op de grond voor hem, volledig “aan het eind van hun latijn”.  De Koning zei boos: “wat hebben jullie gedaan? Dacht je dat ik daar niet achter zou komen?”. Wat konden ze nu nog zeggen.  Dan neemt Juda het woord en zegt:

Wat zullen wij tegen mijn heer zeggen? Wat zullen wij spreken? Waarmee kunnen wij ons rechtvaardigen? God heeft de misdaad van uw dienaren aan het licht gebracht. Zie, wij zullen slaven van mijn heer zijn, zowel wij als hij bij wie de beker gevonden is. (vers 16)

Maar Jozef heeft een ander voorstel waarmee hij het hele door hem bedachte draaiboek brengt op het punt waarom het gaat. Hij zegt:  “Geen sprake van! De man bij wie de beker gevonden is, zal mijn slaaf zijn, maar u, trek in vrede naar uw vader.”

Jozef had dit alles zo in werking gezet , zodat zijn broers gedwongen zouden worden een keuze te maken tussen ofwel een andere zoon van moeder Rachel "in de put" achter te laten of hem te redden.  Zijn plan lijkt wreed, maar was goed doordacht en werkte uit dat de weg tot verzoening open was.  Maar dat horen we later.