Romeinen 11 - de Olijfboom

Dit artikel is indertijd overgenomen van Jacques van der Bijl. Het wordt hier heel duidelijk uitgelegd. Wij gelovigen uit de volken worden door het geloof in Yeshua op die Olijfboom geënt.

WAT STELT DE OLIJFBOOM VOOR IN ROMEINEN 11 ?
Een zeer vaak gehoord kort antwoord op die vraag is: de olijfboom is Israël.

Persoonlijk denk ik dit antwoord op zijn zachtst gezegd “onnauwkeurig” is. Want wat bedoelen we als we zeggen “Israël” ? Het “volk Israël” ? en zo ja, bedoelen we dan het etnische volk Israël als geheel of alleen het gelovige deel van het volk, zoals iemand vroeg ? Dat laatste kan overigens moeilijk het geval zijn aangezien in Romeinen 11:20 staat dat er juist takken van die boom werden “afgebroken” door ongeloof.

Maar als de olijfboom Israël voorstelt, hoe moeten we dat afbreken van ongelovige takken dan begrijpen ? 

Behoren zij dan door hun ongeloof “niet meer” tot het etnische volk Israël ? Dat zou in strijd zijn met wat Paulus even daarvoor in de Rom 9:4,31 en elders schrijft. Ook een ongelovige Israëliet blijft toch een Israëliet. Dat de “natuurlijke takken” in Romeinen 11:16-24 het volk Israël voorstellen is duidelijk. Maar als de boom zelf OOK Israël voorstelt, hoe kan dan Israël “van Israël” afgesneden worden ? En als zowel de takken als de boom zelf Israël voorstellen wat voor zin hebben dan de woorden “hun eigen” in vers 24 waar staat dat de natuurlijke takken weer op hun eigen olijfboom geënt zullen worden. Kortom, het korte antwoord “de olijfboom is Israël” levert een heleboel moeilijke vragen op. Maar wat kan deze olijfboom in Rom 11 dan wel voorstellen ?
Ik denk dat het veel nauwkeuriger is te stellen: de olijfboom stelt voor:

HET GEHEEL VAN DE BELOFTES EN ZEGENINGEN beloofd AAN Israël, nauwkeuriger gezegd: beloofd aan Abraham en zijn nakomelingen.

Als we het zo zien wordt de hele gelijkenis van de olijfboom m.i. veel duidelijker. De wortel stelt dan Abraham voor, aan wie deze beloftes gedaan werden. Zijn nakomelingen zijn de “natuurlijke takken”. Aan hen zijn deze zegeningen namelijk beloofd, die in vers 17 zo mooi worden vergeleken met “de vettigheid van de olijfboom”. Wij “de volken” (een wilde olijfboom) hadden daar geen enkel recht op maar werden door de goedertierenheid van God WEL op die olijfboom geënt.

De ongelovige natuurlijke takken van Israël werden evenwel afgebroken. Dat betekent niet dat zij ophielden “Israëlieten” te zijn maar wel dat ze geen deel hadden aan de zegenbeloftes.

Maar het prachtige slot van dit gedeelte laat zien dat aan deze situatie een einde komt. God zelf zal namelijk bekering en geloof bewerken zodat deze natuurlijke takken weer op “hun eigen” olijfboom geënt zullen worden. Dat is wat Paulus in vers 25 noemt: zo zal heel Israël behouden worden. De woorden “hun eigen” krijgen zo ook hun volle betekenis want de zegenbeloftes waren oorspronkelijk voor Israël bedoeld, ook al krijgen (de gelovigen uit) de volken er mee deel aan
.
Als we de olijfboom van Romeinen 11 zo uitleggen wordt het enten van de “wilde takken” op de edele olijfboom ook veel gemakkelijker uit te leggen. Vragen als: worden de gelovigen uit de volken dan ook Joden (zij zijn immer op Israël geënt), moeten zij leven als Joden, moeten zij zich laten besnijden, moeten zij er alles aan doen om aliyah te maken enz worden dan veel eenvoudiger te beantwoorden? M.i. is het antwoord daarop, m.n. door Paulus gegeven in de Galaten brief, duidelijk “nee”. Anderzijds begrijpen we wel dat we, als gelovigen uit de volken, ons ten nauwste verbonden weten met Israël. We zijn per slot geënt op HUN olijfboom van beloftes en zegeningen en weten dat God ook met de natuurlijke takken nog een wonderbaar plan heeft, want de genadegaven en de roeping van God zijn onberouwelijk (Rom 11:29) !
Als Paulus hieraan denkt eindigt hij dit gedeelte met een prachtige lofprijzing die hij afsluit met de woorden:
 

HEM ZIJ DE HEERLIJKHEID TOT IN EEUWIGHEID ! AMEN