English & other languages: click here!

Grote Verzoendag - Strijdt om in te gaan

GROTE VERZOENDAG – STRIJD OM IN TE GAAN

 

In Leviticus 16:1-28 wordt het ritueel van de GROTE VERZOENDAG beschreven, waarmee God door levende beelden heeft uitgetekend wat Zijn verzoeningsplan voor Israël, en door Israël voor heel deze wereld is.

 

God woont zelf in het HEILIGSTE….. in het hemelse Heiligdom dat éénmaal als kubus op aarde zal neerdalen. Het Heilige der Heiligen in de tabernakel en in de tempel, was ook zo’n kubus. Geen mens mag daar naar binnen gaan, alleen degenen die door God daarvoor zijn aangewezen.

 

 

Behalve de Levieten die voor het transport van de ark  moesten zorgen, mocht alleen de Hogepriester daar naar binnen gaan en dat éénmaal per jaar. Dat gebeurde op de GROTE VERZOENDAG, of, in het Hebreeuws “Jom Kippoer”.

Die dag was de plechtigste dag van het jaar als de hogepriester (die de taak van Yeshua moest uitbeelden) het “HEILIGE DER HEILIGEN” binnenging om de jaarlijkse verzoening voor de zonden van het volk te doen.

Laten we eerst het Bijbelgedeelte lezen waarin de GROTE VERZOENDAG beschreven wordt:

Grote Verzoendag

Leviticus 16:1 Na de dood van de twee zonen van Aäron, die waren gestorven toen zij voor de Here verschenen, zei de Here tegen Mozes: ‘Waarschuw uw broer Aäron dat hij niet zomaar in het Heilige der Heiligen, waar de ark en het verzoendeksel zich bevinden, mag komen. De straf daarop is de dood. Want Ik verschijn daar in de wolk die boven het verzoendeksel hangt. Alleen op de volgende wijze mag hij die plaats betreden: hij moet een jonge stier als zondoffer en een ram als brandoffer offeren. Hij moet zich baden en het heilige linnen onderkleed, de linnen broek en een linnen gordel aantrekken en een linnen tulband opzetten. Het volk Israël zal dan twee geitenbokken als zondoffer en een ram als brandoffer brengen. Aäron moet eerst de jonge stier aan de Here aanbieden als een zondoffer om verzoening te doen voor zichzelf en zijn gezin. Dan zal hij de twee geitenbokken voor de Here brengen bij de ingang van de tabernakel en het lot over hen werpen, één lot voor de bok die voor de Here wordt geofferd en één voor de bok die wordt weggezonden. De bok waarop het lot van de Here valt, moet Aäron als een zondoffer aan de Here offeren. 10 De andere bok zal in leven worden gelaten en voor de Here worden geplaatst. Hij zal als zondebok de woestijn worden ingestuurd. 11,12 Nadat Aäron de jonge stier als zondoffer voor zichzelf en zijn gezin heeft geofferd, moet hij een vuurpan met gloeiende kolen van het altaar van de Here nemen en zijn handen vullen met geurig reukwerk dat tot fijn poeder is verwerkt en dat achter het gordijn van het Heilige der Heiligen brengen. 13 Daar moet hij, voor het oog van de Here, het reukwerk op de gloeiende kolen leggen. Zo zal een wolk van reukwerk het verzoendeksel bedekken dat op de ark ligt (waarin de stenen plaquettes met de wet liggen), opdat hij niet sterft. 14 Dan moet hij een deel van het bloed van de jonge stier met zijn vinger op de voorzijde van het verzoendeksel sprenkelen en eveneens zevenmaal voor het verzoendeksel sprenkelen. 15 Vervolgens moet hij de bok, het zondoffer van het volk, slachten en het bloed achter het gordijn van het Heilige der Heiligen brengen en het op en voor het verzoendeksel sprenkelen, zoals hij met het bloed van de stier gedaan heeft. 16 Zo zal hij verzoening doen over het heiligdom, omdat het is verontreinigd door de zonden van het volk Israël en over de tabernakel, die in hun midden staat en wordt omringd door hun onreinheid. 17 Er mag niemand anders in de tabernakel komen wanneer Aäron binnen is om verzoening te doen in het Heilige der Heiligen, totdat hij weer naar buiten komt en verzoening heeft gedaan voor zichzelf, zijn gezin en het volk Israël. 18 Dan zal hij naar het altaar voor de Here gaan en er verzoening over doen. 19 Hij moet het bloed van de jonge stier en de bok aan de horens van het altaar strijken en met zijn vinger zevenmaal het bloed over het altaar sprenkelen en het reinigen van de zonden van Israël en het op die manier heiligen. 20,21 Wanneer hij verzoening heeft gedaan voor het Heilige der Heiligen, de hele tabernakel en het altaar, zal hij de levende bok nemen en zijn beide handen op zijn kop leggen en alle zonden van het volk Israël over hem belijden. Hij zal al hun zonden op de kop van de bok laden en daarna moet een man die daarvoor is aangewezen, de bok de woestijn inbrengen. 22 Zo zal de bok alle zonden van het volk naar een onbewoond land meenemen en de man zal hem in de wildernis loslaten. 23 Daarna zal Aäron de tabernakel weer binnengaan en de linnen kleding die hij droeg toen hij zich achter het gordijn van het Heilige der Heiligen begaf, uittrekken en daar in de tabernakel achterlaten. 24 Dan zal hij zich op een heilige plaats baden, zijn kleren weer aantrekken en naar buiten komen om zijn eigen brandoffer en dat van het volk te offeren, zo zal hij verzoening doen voor zichzelf en voor het gehele volk. 25 Ook het vet van het zondoffer moet hij op het altaar verbranden. 26 De man die de bok heeft meegenomen naar de wildernis, moet daarna zijn kleren wassen en zich baden en dan weer in het kamp terugkomen. 27 De jonge stier en de bok van het zondoffer (Aäron bracht hun bloed in het Heilige der Heiligen om verzoening te doen) zullen buiten het kamp worden gebracht en daar worden verbrand met hun huid en ingewanden. 28 Daarna zal de man die ze heeft verbrand zijn kleren wassen, zich baden en teruggaan naar het kamp.

 

Een aantal teksten in andere gedeelten van de Bijbel, die de bedoeling van deze offerdienst nader uitbeelden:

Exodus 30:10 Eenmaal per jaar moet Aäron met het bloed van het zondoffer der verzoening het altaar verzoenen, door het bloed op de horens aan te brengen. Dit moet elk jaar, van geslacht op geslacht, gebeuren, want dit is een allerheiligst altaar voor de Here.’

In het volgende deel wordt er gesproken over “het achterste deel”. Als we ons de tabernakel voorstellen begrijpen we dat dit “achterste deel” de kubus is waarmee “het HEILIGE DER HEILIGEN” bedoeld wordt.

 

Hebreeën 9:7 Maar in het achterste deel mocht alleen de hogepriester komen en dan nog maar één keer per jaar. Hij moest bloed meenemen en dat op het gouden deksel van de ark sprenkelen om daarmee zijn eigen zonden en die van het hele volk voor God te bedekken. De Heilige Geest wilde daarmee duidelijk maken dat men niet in het Allerheiligste kon komen, zolang de tent van het eerste verbond nog dienst deed. 

 

Hebreeën 10:19 Omdat Yeshua zijn leven en zijn bloed voor ons heeft gegeven, broeders en zusters, mogen wij bij God komen.

 

Het uitbeelden van Gods verzoeningsplan was geen spelletje. God wilde dat daar uiterst serieus en eerbiedig mee zou worden omgegaan. God had ook zelf voor vuur gezorgd, hemels vuur, waarmee de offers op het altaar werden aangestoken en waarmee ook de olielichtjes op de Menora in het heilige deel van de tabernakel  hun licht verspreidden. Het werd ook gebruikt om het reukofferaltaar aan te steken. Over dat speciale vuur lezen we o.a. in Leviticus 9:24, 2 Kron.7:1 en 1 Kon. 18:38.

Yeshua werd buiten de stad gekruisigd, zoals ook de rode koe buiten de legerplaats werd geslacht. Van de stier die op Grote Verzoendag werd geofferd, werd het dode lichaam, nadat zijn bloed was opgevangen om te offeren op het verzoendeksel in het Heilige der Heiigen, buiten de legerplaats (het kamp waar de Israëlieten in de woestijn woonden) gebracht om verbrand te worden.

 

Hebreeën 13:10 Wij hebben een Altaar waarvan zij die in de tabernakel dienen, niet bevoegd zijn te eten.

  1. Want van de dieren waarvan het bloed als verzoening voor de zonde door de hogepriester het heiligdom werd binnengedragen, werden de lichamen buiten de legerplaats verbrand.
  2. Daarom heeft ook Jezus, om door Zijn eigen bloed het volk te heiligen, buiten de poort geleden.

 

In Hebreeën 13:13-14 lezen we dan ook de aansporing je af te scheiden van de wereld, een afscheiding die lijden met zich mee brengt. We houden het oog niet gericht op het tijdelijke maar op het eeuwige, ‘de toekomstige stad’, die door de “kubus” van de tabernakel werd uitgebeeld.

 

Hebreeën 13:13, 14 Laten wij dan naar Hem uitgaan buiten de legerplaats en Zijn smaad dragen. Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomstige.

 

In Jesaja 53 lezen we een profetie over de Messias-Knecht als zondedrager.
de verzen 1-3. De persoon van de Knecht veracht.

Jesaja 53:1-3  Jesaja zegt: Wie gelooft wat ik heb gezegd? Wie heeft werkelijk begrepen hoe machtig de Heer is? Zijn dienaar groeide bij Hem op als een buigzaam jong takje, als een wortel uit kurkdroge grond. Hij zag er niet bijzonder uit, zodat we iets van Hem verwacht zouden hebben. Als we naar Hem keken, zagen we niets bijzonders. Niemand wilde iets met Hem te maken hebben. Hij werd door iedereen in de steek gelaten. Hij kende pijn en verdriet en ziekte. De mensen draaiden hun hoofd weg als ze Hem zagen. We hebben geen enkel respect voor Hem gehad.

 

De verzen 4-6 van Jesaja 53. Het lijdensverhaal van de Knecht samengevat.

Hoewel Hij stierf voor de mensheid in het algemeen, is dit de berouwvolle betekenis van het toekomstige berouwvolle volk. (Zacharia 12:10)  Het volk zal plotseling Zijn plaatsvervangend dragen van de zonden van het volk (en van die van de wereld) begrijpen, en ook zullen ze zich schamen over hun onjuiste voorstelling, striemen en wonden. (Ezechiël 20:43)

Jesaja 53:4-6 Wij dachten dat Hem dat allemaal overkwam omdat Hij door God werd gestraft! Maar Hij heeft ónze ziekten op zich genomen en ónze pijn weggedragen. Híj werd mishandeld vanwege ónze ongehoorzaamheid aan God. Híj werd geslagen omdat wíj zoveel slechte dingen deden. Híj kreeg de straf, zodat wíj vrede met God zouden kunnen hebben. Zíjn lichaam werd stukgeslagen met de zweep, zodat wíj genezing zouden kunnen krijgen van onze ziekten. We dwaalden allemaal rond als schapen die geen herder hebben. We deden allemaal wat we zelf wilden. Maar de Heer heeft al ónze ongehoorzaamheid op Hém gelegd.

                                                                                                                                           

Jesaja 53, de verzen 7-10a. De Volharding van de Knecht.

Hij leed in stilte. Vers 7: onrechtvaardig, voor ons welzijn en in onze plaats, 8: veracht bij de mensen, 9: maar een graf in ere, als zondeloze.

Jesaja 53:7  Hij werd mishandeld, maar Hij protesteerde niet. Hij zei niets, net als een lam dat wordt weggebracht om geslacht te worden, en net als een schaap dat wordt geschoren. 8  Hij werd uit de angst en uit de veroordeling weggenomen. En wie van de mensen van zijn tijd kon het iets schelen dat Hij uit het leven werd weggerukt en gedood? Hij heeft de straf gedragen voor de ongehoorzaamheid van mijn volk. 9  De mensen dachten dat Hij bij de misdadigers begraven zou worden. Maar Hij kreeg een graf bij de rijken. Dat was omdat Hij nooit iets slechts had gedaan en nooit iets gezegd had wat niet waar was. 10  Maar de Heer had besloten Hem helemaal te verpletteren. God maakte Hem ziek. Nadat Hij zijn eigen leven heeft opgeofferd om ons te bevrijden van onze schuld, zal Hij nageslacht (zaad) hebben. En Hij zal heel lang (eeuwig) leven. Door Hem zal YAHWEH zijn plannen kunnen uitvoeren.

 

Jesaja 53:10b-12. De beloning van de Knecht wordt verwezenlijkt.

Hij wordt beloond en maakt velen rechtvaardig, 11; Hij verkrijgt alomvattende heerschappij, 12; en krijgt het ambt van Hogepriester.

Jesaja 53:11  En nadat Hij zo vreselijk heeft geleden, zal Hij ervan genieten dat Gods plan werkelijkheid is geworden. De Heer zegt: "Zo zal mijn dienaar, die zelf nooit iets verkeerds gedaan heeft, heel veel mensen bevrijden van hun schuld. Want Hij zal hun ongehoorzaamheid op Zich nemen. 12  Daarom zal Ik Hem een belangrijke plaats geven, bij de machtigen. Hij zal met hen de buit verdelen. Want Hij heeft vrijwillig zijn leven gegeven. Hij heeft Zich laten behandelen als een misdadiger. Zo droeg Hij de straf voor de ongehoorzaamheid van heel veel mensen. En Hij heeft gebeden voor de schuldige mensen."

Zacharia 12 Israëls verlossing en nationale bekering

1-9. Toekomstige belegering van Jeruzalem

Zacharia 12 Dit is het lot van Israël, zoals is aangekondigd door de Here, die de hemel heeft uitgespannen en de fundamenten van de aarde heeft gelegd en de geest van de mens in hem heeft gelegd: ‘Ik zal Jeruzalem en Juda als een beker wijn laten zijn waarvan de volken rondom beneveld zullen raken. Zij zullen Jeruzalem belegeren en ook de overige steden van Juda. Jeruzalem zal een zware steen zijn die als een last op de wereld ligt. Al zullen alle volken ter wereld zich verenigen in een poging haar te verwijderen, toch zullen zij allemaal door haar worden verpletterd. Op die dag,’ zegt de Here, ‘zal Ik hun paarden in verwarring brengen en hun ruiters krankzinnig maken. Want Ik zal waken over Juda, maar al haar vijanden blind maken. Dan zullen de leiders van Juda bij zichzelf zeggen: “De bevolking van Jeruzalem heeft kracht ontvangen van de Here van de hemelse legers, hun God.” Die dag zal Ik de leiders van Juda laten zijn als een klein vuurtje dat een bosbrand veroorzaakt, als een fakkel bij een hooiberg. Alle aangrenzende naties links en rechts zullen zij verteren, terwijl Jeruzalem niet van haar plaats zal wijken. De Here zal eerst de rest van Juda de overwinning schenken en Jeruzalem pas daarna. Want Hij wil voorkomen dat de bevolking van Jeruzalem en Davids vorstenhuis zichzelf op de voorgrond zullen plaatsen. Die dag zal Ik Jeruzalems inwoners beschermen. De zwaksten onder hen zullen zo sterk als koning David zijn! En Davids vorstenhuis zal zijn als God, als de engel van de Here die voor hen uit gaat. Want Ik ben van plan alle volken die tegen Jeruzalem oprukken, te vernietigen.

 

Zacharia 12:10-14. Visioen van de gekruisigde Messias en het gevolg.

De verschijning van ‘die zij doorstoken hebben’ zal een groteuitstrting van de Geest teweegbrengen, 10 (vgl. Joël 2:28-32; Ezechiël 39:29)

Zacharia 12:10 Dan zal Ik de Geest van genade en van gebeden uitstorten over Davids vorstenhuis en de bevolking van Jeruzalem. En zij zullen kijken naar Hem die zij hebben doorstoken, en over Hem rouwen als over een enig kind. Zij zullen bitter bedroefd zijn en over Hem rouwen als over hun oudste zoon. 11 Jeruzalem zal nog zwaarder in de rouw zijn dan na de dood van de gelovige koning Josia, die sneuvelde in het dal van Megiddo. 12-14 Heel Israël zal in diepe rouw gedompeld zijn. Het hele volk zal gebukt gaan onder verdriet. Koning, profeet, priester en de gewone man zullen hetzelfde lijden delen. Elk gezin zal zijn verdriet alleen verwerken, mannen en vrouwen apart.’



Joël 2: 28 En daarna zal Ik mijn Geest over alle mensen uitstorten. Uw zonen en dochters zullen Gods woorden spreken. Oudere mannen zullen betekenisvolle dromen hebben en uw jonge mannen zullen visioenen zien. 29 Ik zal mijn Geest óók uitstorten op uw slaven, mannen zowel als vrouwen, 30 en Ik zal wonderlijke dingen laten gebeuren in de hemel en op de aarde: bloed, vuur en rookwolken. 31 De zon zal veranderen in duisternis en de maan in bloed, voordat die grote en ontzagwekkende dag van de Here aanbreekt. 32 Ieder die dan de naam van de Here aanroept, zal gered worden, want de berg Sion en Jeruzalem zullen een toevluchtsoord zijn, zoals de Here heeft beloofd. Want ieder die Hij, de Here, roept, zal worden gered.’

 

Ezechiël 39:29  Ik zal niet langer boos op hen zijn. En Ik zal mijn Geest over het volk Israël uitstorten, zegt de Heer."

Heb. 9:1-10. De voorbeeldfunctie van het oude verbond
1-5 De bepalingen voor het heiligdom onder het oude verbond. De bediening van de priesters onder de Mozaïsche wet wordt beschreven in relatie tot de meubelstukken in de tabernakel. Het Heilige wordt in 2 beschreven, het Heilige der Heiligen in 3-5.

Hebreeën 9:1 Ook het eerste verbond had regels voor de aanbidding van God. En er hoorde een heiligdom op aarde bij. 2 Want er was een tent opgezet, waarvan het voorste gedeelte de ‘heilige kamer’ werd genoemd. Daarin stonden de kandelaar en de tafel met de heilige broden. 3  En er hing een gordijn met daarachter nóg een ruimte. Die ruimte werd de ‘allerheiligste kamer’ genoemd. :4  Daar stonden een gouden altaar voor de wierook-offers, en de kist van het verbond die helemaal met goud bedekt was. In die kist lagen een gouden kruik met manna, de staf van Aäron die had gebloeid, en de platte stenen van het verbond. 5  Op de kist stonden de gouden engelen die hun vleugels uitspreidden over het verzoenideksel. Zij verborgen Gods aanwezigheid. Maar over deze dingen wil ik het nu niet hebben.

 

Hebreeën 9:6-10. De offers van het oude verbond.

De dagelijkse herhaalde handelingen met betrekking tot offers en eredienst, die door de priesters in het Heilige werden uitgevoerd vs 6, en de offers op Grote Verzoendag, die eenmaal per jaar door de hogepriester in het Heilige der Heiligen werden geofferd,vs 7, lieten zien dat de weg tot God nog niet open lag. vs 8.

Hebreeën 9:6  Zo was de tent dus ingericht. De priesters kwamen steeds in het voorste deel van de tent om God te dienen. 7  Maar in het tweede deel van de tent kwam alleen de hogepriester, één keer per jaar. En hij mocht daar alleen binnengaan om bloed te offeren. Hij moest dat bloed offeren voor de dingen waarin hij en het volk ongehoorzaam aan God waren geweest. 8  Daarmee wilde de Heilige Geest laten zien, dat de toegang naar het hemelse heiligdom niet vrij was, zolang dit eerste heiligdom, de tent, nog bestond. 9  Het was voor deze tijd een afbeelding van het hemelse heiligdom. Er werden offers gebracht om van God verzoening te krijgen. Maar die offers konden het innerlijk van de mensen die deze offers brachten, niet volmaakt maken. 10  Want het ging daarbij alleen over godsdienstige regels: wat de mensen mochten eten en drinken, en wanneer ze zich moesten wassen om rein te worden.  Het waren alleen uiterlijke regels, voor het lichaam. Daaraan moesten de mensen zich houden, totdat er iets beters zou komen.

Hebreeën 9:11-14 De realiteit onder het verieuwde verbond.

11-12. De essentie van de realiteit. Christus’ verschijning als Hogepriester vervulde zowel de typen van Melchizedek als die van de Aäronitische priesterschappen, door ‘de goederen die gekomen zijn’ te brengen, 11a) Hij bracht het type van de hogepriester tot vervulling die het Heilige der Heiligen eenmaal per jaar binnenging (Lev. 16) door ‘met Zijn eigen 

bloed, eens voor altijd’ binnen te gaan in het echte heiligdom in de hemelse tabernakel, 12.
Hebreeën 9:11  En dat betere is er nu. Nu is Christus gekomen als Hogepriester van alle goede dingen die zouden komen. Het heiligdom waarin Hij dient, is belangrijker en volmaakter. Dat heiligdom is niet door mensen gemaakt. Het staat ook niet hier op aarde, maar in de hemel. 12  En Hij bracht er geen bloed van geiten en stieren binnen, maar zijn eigen bloed. Daarmee is Hij één keer, voor altijd, binnen gegaan in het hemelse heiligdom. Daarmee zorgde Hij ervoor dat we voor eeuwig gered zouden zijn.

 

Hebreeën 9:13-14. De betekenis van de realiteit.

Als het besprenkelen van ritueel onreine mensen met dierenbloed en de as van een rode koe tot op zekere hoogte uitwendig kon reinigen, hoeveel te meer zal dan het bloed van Christus innerlijke reiniging teweeg brengen en eeuwige, volledige verlossing, 14.
Hebreeën 9:13  Vroeger konden schuldige mensen vrijgesproken worden van hun schuld door het offeren van bloed van geiten en stieren, of door de as van een verbrande koe. Daardoor werd het líchaam van de mensen weer rein. 14  Nu heeft Christus door de eeuwige Geest zijn eigen bloed aan God geofferd. Omdat Hij God nooit ongehoorzaam was geweest, was zijn offer volmaakt. Het is dus duidelijk, dat zijn volmaakte offer ons nog veel méér zal vrijspreken van schuld. Want zijn bloed reinigt ons geweten van alle dingen waar God niets aan heeft. Daardoor kunnen we nu de levende God werkelijk dienen.

Hebreeën 9:15-22
. Het vernieuwde verbond verzegeld met Christus’ bloed.
15-17. Christus bloed is noodzakelijk. Zonder Christus’ dood zou er geen ‘testament’of verbond geweest kunnen zijn; uit vers 15 blijkt ook duidelijk dat Yeshua geleden heeft voor de zonden onder het eerste verbond 16,  en had Hij geen Middelaar kunnen worden, die optreedt tussen een heilige God en schuldige zondaars, opdat ze verzoend zouden worden, 15a.

Hebreeën 9:15 Zó heeft Hij een nieuw verbond voor ons gesloten. De mensen die door God zijn geroepen, kunnen door Jezus’ dood krijgen wat God al zo lang geleden had beloofd: de eeuwige erfenis. Ze worden bevrijd van de straf voor de verkeerde dingen die ze hadden gedaan in de tijd van het eerste verbond.

16  Als ergens een testament is, moet er ook iemand sterven. Namelijk de persoon die het testament heeft gemaakt. 17 Want wat er in het testament staat, gaat pas gebeuren als de persoon die dat testament heeft geschreven, is gestorven. Zolang hij nog leeft, gebeurt er niets mee.

Hebreeën 9:18-22 De noodzaak van ‘Christus’ dood voorafschaduwd door de wet.

Het eerste of wetsverbond werd ingewijd met bloed, 18, en ging pas in toen Mozes het wetboek en het volk zelf met bloed had besprenkeld, 21.
(Ex. 29:12, Exodus 29:36) waarmee ze de noodzaak van Christus’ dood voorafschaduwden.

Hebreeën 9:18  Daarom is het eerste verbond ook met bloed gesloten. 19  Eerst las Mozes de hele wet aan het volk voor. Daarna nam hij bloed van stieren en geiten, samen met water, rode wol en een bosje van de hysop-plant. Daarmee besprenkelde hij het wetboek en het hele volk. 20  Daarbij zei hij: "Dit bloed is het teken dat God Zich zal houden aan het verbond dat Hij met ons heeft gesloten." 21  Ook de tent en alle voorwerpen voor de aanbidding van God besprenkelde hij met bloed. 22  En bijna alles wordt onder de wet van Mozes met bloed gereinigd. Zonder bloed is er geen vergeving.

Hebreeën 9:23-24. Het betere heiligdom van het vernieuwde verbond.
Onze Here is zowel als priester en als offer ‘de hemel zelf’ binnengegaan, om Zichzelf ten behoeve van ons in de onmiddellijke aanwezigheid van God te stellen, 24. Waardoor Hij de eeuwige verlossing bewerkstelligde.

Hebreeën 9:23  De afbeeldingen van de hemelse dingen moesten dus met bloed worden gereinigd. Maar de hemelse dingen zélf moesten met een beter offer worden gereinigd, namelijk met het bloed van Christus. 24  Want Christus is niet binnen gegaan in het heiligdom dat door mensen is gemaakt. Hij ging niet het heiligdom binnen dat een afbeelding is van het echte, hemelse heiligdom. Nee, Hij is in de hemel zelf binnen gegaan om God te dienen. Dat deed Hij om ons te redden.

Hebreeën 9:25-10:4 Het betere offer van het nieuwe verbond.
9:25-28 Christus’ offer is definitief. Dit definitieve karakter wordt aangegeven door Christus’ volledige en onherhaalbare offer van Zichzelf, in tegenstelling tot de hogepriester die het Heilige der Heiligen elk jaar binnenging met ‘andere bloed dan de zijne’ , 25.

Het offer van Christus is definitief omdat:

1. Het bloed van Zijn eigen verheerlijkte Persoon ermee gemoeid was, en zo alle eisen van een oneindig heilige God aan zondaars kon inwilligen;
2. Het ultieme offer voorziet in de noden van de zondaar, 27;
3. Het ultieme offer voorziet in de noden van de gelovige, 28a.

Hebreeën 9:25  Elk jaar opnieuw gaat de hogepriester het heiligdom binnen met dierenbloed. Maar Jezus kwam niet om Zichzelf vaak te offeren. 26  Want dan zou Hij heel vaak hebben moeten lijden sinds de aarde is gemaakt. Maar nu, aan het eind van de tijd, is Hij éénmaal gekomen om door zijn offer alle ongehoorzaamheid van ons weg te nemen. 27  De mensen sterven éénmaal, en worden dan geoordeeld. 28  Zo is ook Christus éénmaal gestorven. Hij heeft Zichzelf éénmaal geofferd om de straf voor de ongehoorzaamheid van de mensen op Zich te nemen. Als Hij voor de tweede keer komt, komt Hij niet meer om Zichzelf voor onze ongehoorzaamheid te offeren. Dan komt Hij om de mensen die op Hem vertrouwen voor hun redding, helemaal te bevrijden.

Hebreeën 10:1-4. Levitische offers waren onvolmaakt en herhaalbaar.

Deze symbolische offers reinigden degenen die de dienst verrichten nooit van zonde, 2. Integendeel, ze deden de herinnering aan de zonden die verzoend moesten worden weer herleven, vs. 3, omdat dierenbloed totaal niet in staat was om zonde en schuld weg te nemen vs 4.
Hebreeën 10:1  Want alle dingen in de wet van Mozes waren een afbeelding en een schaduw van de goede dingen die nog moesten komen. Ze waren niet die dingen zelf. Daarom kunnen de offers die jaar in jaar uit worden gebracht, de mensen nooit volmaakt maken. 2  Als de mensen door de offers wél volmaakt werden, zouden die offers vanzelf zijn gestopt. Want dan zouden de mensen die hun offer hadden gebracht en vergeving gekregen hadden, daarna nooit meer ongehoorzaam zijn geweest aan God. 3  Maar juist door de offers worden de mensen er elk jaar aan herinnerd dat ze ongehoorzaam zijn. 4 Want het bloed van stieren en geiten kan nu eenmaal niet de ongehoorzaamheid zelf wegnemen.

 

Hebreeën 10:5-10. Het vernieuwde verbond gefundeerd op Christus’ volmaakte offer
5-7.Christus’ volmaakte offer voorzegd. Vers 7 laat de voorzegging van Christus’ verlossingswerk zien: God de Zoon die als mens naar de wereld komt, ‘zie hier ben Ik” (vgl. Lukas 1:35), en Zijn absolute gehoorzaamheid aan de wil van Zijn Vader, zelfs tot de dood, ‘om Uw wil, o God, te doen’(vgl. Luk. 22:42; Fil. 2:8)

Hebreeën 10:5  Daarom zegt Jezus bij zijn komst in de wereld: "U wilde eigenlijk geen dier-offers, meel-offers en wijn-offers. Maar U heeft Mij een lichaam gegeven om te offeren. 6 Het gaat U niet om brand-offers en verzoenings-offers. 7   Daarom zei Ik: ‘Kijk God, hier ben Ik om te doen wat U wil, zoals in de Boeken al over Mij staat geschreven.’ "

Hebreeën 8-10. Christus’ volmaakte offer heft de oude ordening op.

De ontevredenheid van de Vader met de Levitisch rite, 8, wordt tegenover Zijn wil voor de Zoon gezet, 9.
Hebreeën 10:8  Eerst zegt Hij dus: "U wilde geen vlees-offers, brand-offers en vergevings-offers. Het gaat U daar niet om." Toch werden die gebracht, omdat dat moest van de wet van Mozes. 9  Maar daarna zegt Hij: "Kijk, Ik ben gekomen om te doen wat U wil." Hij doet het eerste weg en vervangt het door het tweede. 10  En door het offer van het lichaam van Jezus Christus zijn wij voor altijd volmaakt gemaakt.

Hebreeën 10:11-14 Het vernieuwde verbond is beter vanwege Christus ’huidige positie'

  1. de positie en bediening van de Levitische priesters. Het herhaaldelijk brengen van dezelfde offers kon nooit ‘zonden’ wegnemen’.

Hebreeën 10:11  Verder moest elke priester elke dag dienen en vaak dezelfde offers brengen. Dat was omdat die offers nooit de ongehoorzaamheid van de mensen konden wegdoen.

Hebreeën 10: 12-14 Christus’positie en werk overtroffen.

De volledigheid van Zijn werk werd aangeduid door het feit dat hij ‘gezeten is aan de rechterhand van God, 12, en daarmee een verheven positie van gezag en priesterlijke dienst heeft ingenomen.

Hebreeën 10:12  Maar Jezus heeft één offer gebracht voor alle ongehoorzaamheid van alle mensen. Daarna is Hij voor altijd naast God gaan zitten. 13  Daar wacht Hij tot het moment dat al zijn vijanden overwonnen zullen zijn. 14  Want door één offer heeft Hij de mensen die door Hem bij God mogen horen, ook volmaakt gemaakt.

Hebreeën 10:15-18 Het vernieuwde verbond is beter vanwege het definitieve karakter van Christus’ offer.

15-17. Het getuigenis van de Geest.  Christus heeft met Zijn verzoenende offerdood vergeving van zonden en vernieuwing van het leven bewerkstelligt voor allen die in Hem geloven,
16-17 Hiervan getuigde de Geest.

Hebreeën 10:15  Ook de Heilige Geest heeft daarover gesproken. Want vroeger heeft Hij gezegd: 16  "De Heer zegt: Dit is het verbond dat Ik later met hen zal sluiten: Ik zal mijn wet in hun binnenste schrijven, in hun hart en in hun verstand. 17  En Ik zal niet meer denken aan alles waarin ze Mij ongehoorzaam zijn geweest."

 

Hebreeën 10:18. Een samenvattende uitspraak. Waar zonden volledig vergeven zijn, bestaat de noodzaak van een ‘zondoffer’niet meer.
Hebreeën 10:18  Als dan nu alles helemaal vergeven is, is er verder geen offer voor de ongehoorzaamheid meer nodig.

 

Hebreeën 10:19-25. Oproep tot een leven uit geloof
19-22. De basis voor de oproep. De Hebreeuwse gelovigen worden aangemoedigd om “in Christus” vrijmoedig tot het hemelse heiligdom te naderen, omdat het bloed van Christus die toegang mogelijk heeft gemaakt, 19; omdat Jezus een nieuwe weg ‘door het voorhangsel’ tot in de onmiddellijke nabijheid van God heeft ingewijd om in het Heilige der Heiligen voor ons te pleiten, 20; en omdat we een Hogepriester in het echte hemelse heiligdom hebben, 21.
Hebreeën 10:19  Broeders en zusters, door het geofferde bloed van Jezus kunnen we nu dus zonder vrees en vol geloof het hemelse heiligdom binnengaan. 20  Jezus is de nieuwe en levende weg naar God. Over die nieuwe weg kunnen we naar God gaan, achter het gordijn dat voor de hemelse allerheiligste kamer hangt. Jezus Zelf, zijn lichaam, is als het ware dat gordijn. Alleen door Hem kunnen we binnengaan. 21  We hebben een machtige Hogepriester over het huis van God. 22  Daarom kunnen we nu naar God toe komen met een eerlijk hart en vol vertrouwen dat Hij ons zal ontvangen. Want ons hart is schoongewassen door het bloed van Jezus. Daardoor hebben we nu een goed geweten. En ons lichaam is gewassen met zuiver water.


Hebreeën 10: 23-25 Het vervolg van de oproep. 

De schrijver dringt aan op:

  1. Standvastigheid in de hoop die Christus ons gegeven heeft, 23,
  2. Aandacht voor elkaar, 24,en
  3. Regelmaat in het deelnemen aan de erediensten op sabbat 25

De Sabbat is de eerste van de Bijbelse feesten die door God geboden zijn. Wie de Sabbat niet viert zal ook niet geïnteresseerd zijn in de andere feesten van JHWH en dus ook niet in de Grote Verzoendag. Dit is de reden dat velen de Bijbelse strijd om in te gaan niet ervaren.

Hebreeën 10:23 Laten we blijven geloven in wat Hij heeft beloofd, zonder eraan te twijfelen. Want Hij die de beloften heeft gedaan, is trouw. Hij zal doen wat Hij heeft beloofd. 24  En we moeten ook zorgzaam op elkaar letten. We moeten elkaar aanmoedigen tot liefde en tot het doen van goede dingen. 25  En laten we niet wegblijven uit onze bijeenkomst, zoals sommigen van jullie gewend zijn te doen. Maar we moeten elkaar blijven aanmoedigen om te leven zoals God het wil. Want de laatste dag komt eraan.

Openbaring 14:12 Hier zien we de volharding van de heiligen. Hier komen openbaar die de geboden van God en het geloof in Jezus in acht nemen.

Openbaring 22:14 Zalig zijn zij die Zijn geboden doen, zodat zij recht mogen hebben op de Boom des levens, en opdat zij door de poorten de stad mogen binnengaan.