Deuteronomium 16:18-21:19 Gerechtigheid en Recht

GERECHTIGHEID & RECHT

(een eigen samenvatting naar aanleiding van de bijbelstudie Shoftiem van Tony Robinson)

Deuteronomium 16: 18 U moet binnen al uw poorten, die Jahweh, uw God, u geeft, rechters en beambten over uw stammen aanstellen. Zij moeten met een rechtvaardig oordeel rechtspreken over het volk.

19 U mag het recht niet buigen. U mag niet partijdig zijn en geen geschenk aannemen, want een geschenk verblindt de ogen van wijzen en verdraait de woorden van rechtvaardigen.

20 Gerechtigheid, gerechtigheid moet u najagen, opdat u leeft en het land dat Jahweh, uw God, u geeft, in bezit neemt.

21 U mag bij het altaar van Jahweh, uw God, dat u voor uzelf zult maken, geen gewijde paal plaatsen van wat voor geboomte dan ook.

22 Ook mag u geen gewijde steen voor uzelf oprichten, want dat haat Jahweh, uw God.

Deuteronomium 16:18 – 17:7 zijn thematisch met elkaar verbonden . Ze zijn thematisch verbonden omdat ze beide op het altaar betrekking hebben. We noemen dat een chiastische structuur.

In Deuteronomium 16:18-20, gebiedt Adonai (G’d) Am Yisra’el (het volk Israël) om rechters en opzieners aan te stellen met het doel rechtvaardige rechtspraak uit te oefenen. De nadruk ligt op het verzekeren dat de rechtspraak NIET CORRUPT is.

De thema’s van de eerste helft worden in de tweede helft van het geheel in omgekeerde volgorde herhaald.

Deuteronomium 17:4-7  is thematisch verbonden met Deuteronomium, 16:18-20  omdat het de rechters en opzieners (waarvan sprake in  Deuteronomium 16:18-20)  in actie toont terwijl gerechtigheid binnen Eretz Yisra’el (het land Israël) gewaarborgd wordt door afgodendienaars te veroordelen. Ten tweede, het principe van de noodzaak voor twee getuigen voor een doodstraf, is een maatstaf die aangelegd werd om zeker te zijn dat de aanklacht op waarheid berust. De getuigen waren dan ook de eersten die moesten beginnen met de uitvoer van het vonnis, waardoor ook hun waarheidsbevinding op de proef werd gesteld. 

 

Zowel Deut. 16:21 en Deut. 17:2-3 zijn verbonden door het thema van afgoderij! In Deut. 16:21, sprak Mozes over een afgodische praktijk . In Deut. 17:2-3, sprak Mozes van een afgodendienaar.

Maleachi 3:3 leert ons dat de Messias de zonen van Levi zal reinigen of zuiveren van ongerechtigheid OPDAT zij aanvaardbare offers kunnen offeren, d.w.z. dat deze gebracht worden in gerechtigheid. GERECHTIGHEID  is bij dit alles het sleutelwoord. Ze tonen dat GERECHTIGHEID & RECHT het doel van de TORAH zijn, niet slechts een offer verstoken van gerechtigheid en recht (een vorm van lippendienst) Dit concept is duidelijk onderwezen in Genesis 18:16-20.

Toen stonden de mannen vandaar op en keken in de richting van Sodom; en Abraham ging met hen mee om hen uitgeleide te doen. Yahweh zei: Zal Ik voor Abraham verbergen wat Ik ga doen?  Immers, Abraham zal zeker tot een groot en machtig volk worden, en alle volken van de aarde zullen in hem gezegend worden.  Want Ik heb hem uitgekozen, opdat hij aan zijn kinderen en zijn huis na hem bevel zou geven om de weg van Jahweh in acht te nemen, door GERECHTIGHEID & RECHT te doen, opdat Jahweh over Abraham zal brengen wat Hij over hem gesproken heeft.  Verder zei Yahweh: De roep van Sodom en Gomorra is groot en hun zonde heel zwaar.

Zonder de wetenschap dat ze door Adonai tot één geheel ( parsha) aan elkaar gelinkt zijn, zou men kunnen denken dat het totaal VERSCHILLENDE verhalen zijn. Doordat ze in één parsha aan de orde komen, kunnen we ervan uitgaan dat er een gemeenschappelijk thema is dat beide verenigt .

 

In beide verhalen zijn engelen aanwezig .

In het eerste verhaal kondigen ze de belofte van een zoon (Izaäk) aan. In het tweede verhaal brengen zij het oordeel over Sodom en redding voor Lot..

In Genesis 18:17, zei Adonai "Zou ik voor Abraham verbergen wat Ik ga doen?" Wat zou Hij gaan doen? Hij stond op het punt om SODOM TE VERNIETIGEN, wat één van de twee verhalen is die we thematisch aan elkaar proberen te linken.

 

In Genesis 18:18, stelt Adonai dat de reden waarom Hij niet zal verbergen wat Hij gaat doen is, dat Abraham een grote en machtige natie zal worden. Hoe zal hij een grote en machtige natie worden? Door het nageslacht van zijn beloofde zoon, wat het verhaal is dat we thematisch proberen te linken aan de vernietiging van Sodom.  Hij vertrouwt het Abraham toe omdat Hij

1) Abraham’s nakomelingen tot een grote natie gaat maken,

2) alle naties door hem en dat nageslacht zal zegenen,

3) Abraham zijn familie zal onderwijzen om werken van GERECHTIGHEID & RECHT te doen.

 

De TORAH laat ons de DUIDELIJKE VERWANTSCHAP zien van deze twee verhalen,

(1) het verhaal van de beloofde zoon die de eerste stap zal zijn tot het beginnen van de natie en

(2) de vernietiging van Sodom,

Genesis 18: 19 Want Ik heb hem uitgekozen,  opdat hij aan zijn kinderen en zijn huis na hem bevel zou geven om de weg van Yahweh in acht te nemen, door gerechtigheid en recht te doen, opdat Yahweh over Abraham zal brengen wat Hij over hem gesproken heeft.

 

Volgens bovenstaande tekst, moesten Abraham’s nakomelingen een natie van GERECHTIGHEID  & RECHT zijn VOORDAT Adonai " alles aan Abraham kon vervullen wat Hij over hem gesproken had.”  Abraham  doet voorbede ten behoeve van Sodom. Hij vraagt Adonai Sodom niet te vernietigen omwille van enkele rechtvaardigen in Sodom.

 

We krijgen vier functies van leiderschap:

  1. Rechter
  2. Koning
  3. Profeet
  4. Priester

 

Ze behoren allen tot het leiderschap en autoriteit binnen de natie. Deuteronomium 18:9-14 toont ons hoe de naties informatie verkrijgen waar men menselijkerwijs onmogelijk achter kan komen: door wichelarij, astrologie enz. Deuteronomium 18:15-22 verklaart hoe het volk Israël hun informatie verkrijgt. Ook dit is informatie die menselijkerwijze onmogelijk verkregen kan worden, namelijk: door de Profeet, en Hij is de beloofde Messias.

Hij zei dat Hij het volk Israël zou voorzien van een profeet omdat dat hun voorstel was toen de Torah gegeven werd. Exodus 20:19

 

Deut.18:15  Een Profeet uit uw midden, uit uw broeders, zoals ik, zal Yahweh, uw God, voor u doen opstaan; naar Hem moet u luisteren.

 

Yeshua (Jezus) zei in Johannes 5:46 dat Mozes over Hem sprak Psalm 40:6-8, sprekend over de Messias zei dat het boek over Hem geschreven is. Paulus zei dat alle feesten profetische schaduwen van Messias Yeshua waren.

 

 

aanvulling "EERLIJKE RECHTSPRAAK"

In dit onderwerp staan de rechters en de rechtspraak centraal. Yeshua werd veroordeeld door religie en politieke leiders van zijn tijd. Het recht was gebogen, er werden valse getuigen opgeroepen. De leugengeest heerste en de waarheid werd in ongerechtigheid ten onder gehouden.

U mag het recht van de arme onder u niet buigen bij zijn rechtszaak. 7 Houd u ver van bedrieglijke zaken. Een onschuldige en een rechtvaardige mag u niet doden, want Ik zal de schuldige niet rechtvaardig verklaren. 8 U mag geen geschenk aannemen, want het geschenk maakt zienden blind en verdraait de woorden van de rechtvaardigen. (Exodus 23 verzen 6-8)

Exodus 23:1 U mag geen vals gerucht verspreiden, en u mag een schuldige niet uw hand reiken door een misdadige getuige te zijn. 2 U mag de meerderheid niet volgen in het kwaad, en u mag in een rechtszaak niet zo antwoorden dat u zich schikt naar de meerderheid om [zo het recht] te buigen. 3 U mag een arme bij zijn rechtszaak niet voortrekken.

In deze verzen hebben we een uitwerking van het negende gebod. Woorden uitspreken is geen onschuldige bezigheid. Naar wat we zeggen, zullen we geoordeeld worden (Mt 12:36-37).

Onzin spreken is al erg, een kwaad gerucht verbreiden is nog erger. De leugen wordt gebruikt om de waarheid te verdoezelen. Hierdoor kan het kwaad blijven bestaan en zijn boos werk blijven doen.

Voor de gelovige nu geldt Efeziërs 4:25.
Leg daarom de leugen af en spreek de waarheid, ieder tegen zijn naaste; wij zijn immers leden van elkaar.

De meerderheid van de mensen om ons heen wordt gedreven door het kwade en is op zoek naar het kwade, wil het kwade en sluit God buiten. Wat de meerderheid wil, wordt tot norm gemaakt (democratie). God wil niet dat de leden van Zijn volk daaraan meedoen. Het recht mag niet gebogen worden, zoals ook nu veelvuldig gebeurt. Het recht wordt aangepast naar wat de meerderheid voor juist houdt. Omdat de meerderheid geen rekening houdt met God, wordt het recht gebogen (denk aan zaken als abortus, euthanasie, ongehuwd samenwonen en homohuwelijk). Het recht moet zijn loop hebben. Aanpassen van de strafmaat uit medelijden met een onbeduidend iemand is net zo verkeerd als het geven van een voorkeursbehandeling aan iemand die in aanzien is.

De waarschuwing om eerlijk recht te spreken komt steeds weer terug. De mens die zaken moet beoordelen (in feite heeft ieder mens daarmee te maken, niet alleen daartoe aangestelde rechters), loopt altijd gevaar zich te laten beïnvloeden of zich iets voor te laten spiegelen. Wie zich laat beïnvloeden stelt zich open voor aanzien des persoons of aanneming van geschenken. Persoonlijk gewin mag geen rol spelen in de rechtspraak of in de algemene afweging van wat recht is.
Draagt elkaars lasten, en zo zult u de wet van Christus vervullen. (Galaten 6:2) ...; laat ieder niet alleen op zijn eigen belangen, maar ieder ook op die van anderen zien. (Fp 2:4)

Wie zich iets laat voorspiegelen en meegetrokken wordt in een bedrieglijke zaak, is te meegaand in het verhaal dat wordt opgehangen. In beide gevallen komt men tot een verkeerde beoordeling, terwijl God de schuldige niet rechtvaardig verklaart, maar veroordeelt. Het ‘‘Ik zal de schuldige niet rechtvaardig verklaren’’ heeft door het kruis van Christus een ongedachte en ongekende wending gekregen.

Ieder die erkent schuldig te staan tegenover een heilig en rechtvaardig God, zijn zonden belijdt en Christus als Heiland aanneemt en gelooft dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, is gerechtvaardigd (Rm 4:24b-25). ‘‘Maar hem die niet werkt, maar gelooft in Hem die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot gerechtigheid’’(Rm 4:5).