Genesis 25: 1-18 nageslacht Abrahams zonen; Abraham sterft.

Na de begrafenis van Sara lezen we in Genesis 25:1 dat Abraham weer een vrouw nam en wel Ketura. Haar naam betekent “wierook”. Bijzonder dat er daarna maar liefst vijf zonen geboren werden.  In 1 Kronieken 1:32 wordt Ketura Abrahams "bijvrouw" genoemd.

In Romeinen 4 lezen we dat, toen er sprake was van de geboorte van Izak, het lichaam van Abraham al verstorven was.  

Romeinen 4:19 En niet verzwakt in het geloof, heeft hij er niet op gelet dat zijn eigen lichaam reeds verstorven was – hij was ongeveer honderd jaar oud – en dat ook de moederschoot van Sara verstorven was.

Dat wijst er op dat toen God de geboorte van Izak aankondigde, aan Abraham nieuwe levenskracht gaf.  Maar ook deze zonen moest hij wegsturen naar het oosten.  

“Het oosten” heeft in de Bijbel een speciale betekenis. De zon gaat op in het oosten. De baan van de zon is altijd en overal op aarde: van oost naar west.  Gaan we met het Licht mee, van oost naar west, dan bewandelen we in gehoorzaamheid de heilige, smalle, opgaande weg ten leven. Gaan we tegen het Licht in, van west naar oost, dan zijn we op de weg van het ongehoorzame vlees, van het eigen ik. We kunnen dat dus geestelijk toepassen:

Mattheüs 24:27 want zoals de bliksem vanuit het oosten komt en zichtbaar is tot in het westen, zo zal ook de komst van de Zoon des mensen zijn.

Spreuken 4:18 maar het pad van rechtvaardigen is als een schijnend licht, dat gaandeweg helderder gaat schijnen tot het volledig dag is geworden.

Voorbeelden:

Adam en Eva werden uit het paradijs verdreven van west naar oost.

Genesis 3:24 Hij verdreef de mens, en plaatste ten oosten van de hof van Eden de cherubs met een vlammend zwaard, dat heen en weer bewoog, om de weg naar de boom des levens te bewaken.

Kaïn trok naar het oosten. Hij ging zijn eigen weg, tegen het Licht in, steeds verder weg van de zegenende aanwezigheid van God.

Na de zondvloed ging men naar het oosten en bouwde daar de toren en de stad Babel:
Genesis 11:2 En het gebeurde, toen zij naar het oosten trokken, dat zij een vlakte in het land Sinear vonden. Daar gingen zij wonen.

Abram woonde in het oosten, in Ur der Chaldeeën, daar waar Babel zou worden gebouwd. In "tenten" ging hij op weg naar een land dat God hem beloofde. De Heer riep hem om te gaan van oost naar west, met het Licht van de Zon mee.

Lot koos voor het oosten: Genesis 13:11 Daarom koos Lot voor zichzelf heel de Jordaanvlakte en Lot trok naar het oosten; en zij werden van elkaar gescheiden.

Ezechiël 43:2 En zie, de heerlijkheid van de God van Israël kwam uit de richting van het oosten, en Zijn geluid was als het bruisen van machtige wateren, en de aarde werd verlicht vanwege Zijn heerlijkheid.

Maar de wijzen kwamen uit het oosten om Yeshua te zoeken.

Van de kinderen die Ketura aan Abraham had gebaard, kennen we Midjan als stamvader van de Midianieten het beste. Het was een handelsvolk.  Jozef werd voor 20 zilverstukken aan Midianitische handelreizigers verkocht,  Jetro de schoonvader van Mozes was een Midianitische priester en Gideon streed tegen de Midianieten.  De Druzen die tegenwoordig in het Noorden van Israël wonen stammen af van Midian en vereren Jetro als profeet.

De vijf zonen van Ketura deelden niet in de erfenis, want alles ging naar Izaäk, zoals Sara eenmaal gezegd had:  “want de zoon van deze slavin zal niet met mijn zoon, met Izak, erven”.  Genesis 21:10. De andere zonen kregen geschenken.  Izaäk was de door God beloofde erfgenaam van het heilig Zaad en daarom ook van de materiële zaken.

Toen Abraham honderdvijfenzeventig jaar was stierf hij. “Hij was van het leven verzadigd” zegt de  Schrift. Hij had genoeg meegemaakt en het was nu zijn tijd.  In die tijd stierf iemand nog niet in Christus, omdat het offer aan het kruis nog niet had plaatsgevonden. Hij werd tot Zijn voorgeslacht vergaderd tot het moment dat Yeshua  de banden van de dood verbrak en hij meegevoerd werd met de hemelvaart van Yeshua. Zie ook Efeze 4:8 en 9.  Zijn zoons Izaäk en Ismaël begroeven hem in de grot van Machpela bij zijn vrouw Sara. 
Yeshua spreekt later, in een gelijkenis, over Abraham in het dodenrijk in Lucas 16:19-31. De arme Lazarus wordt daar voorgesteld als zittend in "Abrahams schoot", (Lukas 16: 22). Daaruit blijkt dat Lazarus een kind van Abraham is en dat is hem tot troost.  Ook wij kunnen door Yeshua HaMashiach kinderen van Abraham zijn: 
Galaten 3:29 En als u van Christus bent, DAN bent u Abrahams nageslacht en overeenkomstig de belofte erfgenamen. 
In die gelijkenis laat Yeshua Abraham iets zeggen wat juist voor onze tijd zo heel belangrijk is:
Lukas 16:29 Abraham zei tegen hem: Zij hebben Mozes en de profeten. Laten zij naar hen luisteren.
31. Maar Abraham zei tegen hem: Als zij niet naar Mozes en de profeten luisteren, zullen zij zich ook niet laten overtuigen, als iemand uit de doden zou opstaan.
Hoe belangrijk is het dan niet dat wij in deze eindtijd luisteren naar Mozes en de profeten!

DE GROT VAN MACHPELA

Dit gebouw staat op de grond  waarvoor Abraham de volle prijs heeft betaald.

Herodes de Grote bouwde er de zogenaamde Tombe van de Patriarchen overheen – bijna 3 meter dikke muren, 18 meter hoog. Het Oosterse christendom (ten tijde van het Byzantijnse Rijk) bouwde daar een basiliek aan vast. Die werd door de Perzen in 614 verwoest. Toen de Islam opkwam in de 7e eeuw bouwden zij daar een moskee. 

De  moslims noemen die plek “Al-Khalil”, hetgeen betekent: ‘vriend van God’, de erenaam van Abraham. Want zij noemen, bijna 2500 jaar nadat het volk Israël dat al deed, Abraham nu ook opeens hun vader en willen hem vereren.

Genesis 25 vermeldt verder het nageslacht van Ismaël. Hij is honderdzevenendertig jaar oud geworden.

De Midianieten worden soms ook Ismaëlieten genoemd. Midian en Ismaël waren halfbroers van Izaäk. Het gaat hier om drie verschillende moeders: Ketura, Hagar en Sara.
In  Genesis 37:28 worden de Midianitische kooplieden, die Jozef voor twintig zilverstukken kochten, Ismaëlieten genoemd. Hetzelfde vinden we in Richteren 8:22-24 waar beide namen door elkaar worden gebruikt. In Genesis 28:8-9 lezen we dat Esau (de broer van Jakob) Machalat, een dochter van Ismaël, tot vrouw neemt. Hierdoor is er een vermenging ontstaan tussen de Edomieten (nageslacht van Esau) en de Ismaëlieten (nageslacht van Ismaël).

Onder deze volken zijn veel moslims en er is grote vijandschap tegen Israël, zoals ook blijkt uit Psalm 83:

Psalm 83:6 Want samen hebben zij in hun hart beraadslaagd;  dezen hebben een verbond tegen U gesloten: 7. de tenten van Edom en de Ismaëlieten, Moab en de Hagrieten.