Deuteronomium 3 - na Sihon nu de koning van Og verslagen

Oude ruïnes van het bolwerk van koning Og in Edrei.

De verslaggeving van Mozes beschrijft nu het meest noordelijk gelegen gebied in het Overjordaanse: Basan, de tegenwoordige Golan hoogte. Het grootste deel van Ogs koninkrijk was gelegen in het huidige Syrië en Libanon. 

We hebben al eens iets geschreven over de strijd tegen de koningen van Sihon en Og, want deze geschiedenis kwam ook aan de orde in Numeri 20. Zie deze pagina.

De koning van Og was niet ingegaan op de vredesvoorwaarden die Israël had voorgesteld om door hun gebied te trekken. 

Dat kon ook niet, want JAHWEH had dit gebied voor Israël bestemd en had het hart van de koning verhard. In plaats van in vrede doorgang te verlenen trok de koning van Og met zijn leger Israël tegemoet, klaar voor een oorlog. Mozes schildert ook de bereidheid van Israël om deze strijd aan te gaan, in tegenstelling tot hun ouders, 38 jaar geleden. Het was immers vechten tegen reuzen. Dat durfden hun ouders niet aan.

Koning Og van Basan was de laatste van de Refaïeten. Zijn bed, dat wordt bewaard in Rabba, een Ammonitische stad, was van ijzer en was ruim vier meter lang en bijna twee meter breed. Deuteronomium 3:11

Maar nu had Israël ervaren dat God voor hen streed bij de koning van Sihon en daardoor durfde men ook in vertrouwen deze strijd aan.  Deze reuzen worden Nefilim genoemd en zijn satanische uitwassen in het geslacht van Noach's zoon Kanaän, bedoeld om het heilig Zaad onvruchtbaar te maken. Het doet me denken aan de gelijkenis "Het onkruid tussen de tarwe" als één van de methodes die satan gebruikt om Gods koninkrijk te vermengen en te verontreinigen, zoals Yeshua onderwees.  (Mattheüs 13:24-30).  Hoewel hier het verschil qua afmeting wel duidelijk is.  ☺ 

In de Bijbel wordt vaak teruggekeken op deze strijd, want het was een grandioze overwinning op een zich onoverwinnelijk achtende tegenstander. Reken maar dat het de toenmalige wereld heeft geschokt. Dan kan alleen maar God de eer daarvan krijgen. 

Amos 2:9 herinnert ook aan dit gebeuren en geeft een indicatie van de grootte van de reuzen:

Maar Ík heb de Amorieten voor hun ogen weggevaagd, die hoog waren als ceders (9 tot 30 meter hoog) en sterk waren als eiken. Ik heb zijn vrucht vanboven weggevaagd en zijn wortels vanonder.

Psalm 135 zingt ervan:

10 Hij versloeg vele volken en doodde machtige koningen:

11 Sihon, de koning van de Amorieten, en Og, de koning van Basan,

en al de koninkrijken van Kanaän.

12 Hun land gaf Hij als erfelijk bezi

als erfelijk bezit aan Zijn volk Israël.

Nehemia noemt het in zijn gebed:

Nehemia 9: 21 Veertig jaar hebt U hen onderhouden in de woestijn. Zij hebben geen gebrek geleden, hun kleren zijn niet versleten en hun voeten zijn niet opgezwollen. 22 U hebt hun koninkrijken en volken gegeven en U hebt die hun toebedeeld als randgebied: zij hebben het land van Sihon, te weten het land van de koning van Hesbon, en het land van Og, de koning van Basan, in bezit gekregen.

De woongebieden genoemd in Deuteronomium 12 tm 16 heb ik bij benadering met rood ingetekend op de kaart hiernaast. Uit alles blijkt duidelijk dat het gebied ten oosten van de Jordaan tot het Beloofde Land behoort. De gebieden zijn met bovennatuurlijke kracht ingenomen en aan Israël gegeven. Het behoorde geheel tot Gods plan. 

De stammen Ruben en Gad zijn met de andere stammen de Jordaan overgestoken om daar het woongebied voor hun broeders vrij te zetten en de bewoners weg te vagen. Ook hier was het God die voor hen streed.  Daarna keerden zij terug naar hun woongebied, waar hun gezinnen waarschijnlijk de zorg voor het talrijke vee hebben waargenomen. 

De oorlogen van Israël om het land Kanaän in bezit te nemen was geen gewone strijd, maar was in feite een geestelijke strijd. Gods volk (uit het zaad van Abraham) moest het opnemen tegen het volk van satan (uit het zaad van de demonen). Een strijd die niet alleen aan Israël voorbehouden is. In dit licht valt ook beter te begrijpen 

waarom God de opdracht geeft om alle inwoners vanKanaän te doden, óók vrouwen en kinderen. De strijd die eerst onder Mozes werd gevoerd werd in het westelijk gebied van Israël onder leiding van Jozua voortgezet, die alle Enakieten in Kanaän gedood heeft. Maar er bleven reuzen bestaan: in Gaza, Gath en Asdod (Jozua11:22). De bekendste reus in later tijd, een Refaïet, was Goliath. (1 Sam. 17:4). Het zou me niet verbazen als in de eindtijd zich opnieuw reuzen manifesteren. Satan zal alles inzetten om ons van God af te trekken.  Maar uit deze geschiedenis weten we dat, als we verbonden zijn aan JAHWEH die in Yeshua naar ons toegekomen is, Hij voor de overwinning zal zorgen. 

Tenslotte bemoedigt Mozes Jozua en het volk door te zeggen: 

21 Uw ogen hebben alles gezien wat de HEERE, uw God, met deze twee koningen gedaan heeft; zo zal de HEERE doen met alle koninkrijken waar u naartoe trekt. 22 Wees niet bevreesd voor hen, want de HEERE, uw God, Hij is het die voor u strijdt.

En dan komt ook het verdriet naar boven, dat Mozes zelf niet het Beloofde Land aan de overzijde van de Jordaan binnen kan gaan. Hij heeft opnieuw gebeden of YAHWEH hem toch zou toelaten om daar te zijn. Het was al die 40 jaren het doel geweest van zijn missie. Mozes voegt er wel aan toe dat het kwam door de rebellie van het volk, dat hij zo reageerde. Wie dat wil nalezen kan dat in Numeri 20:2-20 en het commentaar op deze pagina.

Maar God wil niet dat Mozes nog op deze zaak terugkomt. Mozes mocht nog wel de Pisga beklimmen, waarvan de Nebo een top is, om Israël vanuit de verte te zien.

Het hoofdstuk eindigt met deze tekst:

Geef Jozua bevelen, rust hem toe en bemoedig hem; want híj zal voor dit volk uit de Jordaan oversteken en hij zal hun het land dat u zien zult, in erfbezit laten nemen. Zo bleven wij in dit dal tegenover Beth-Peor.