Exodus 27:20 - 30:10 "Tetzaveh"

 

Een globaal overzicht van de hoofdstukken die we bestuderen bij de Parasha Tetsaveh. De naam Tetsaveh תְּצַוֶּה   betekent:”u moet gebieden”. Het staat in Exodus 27 :20 waar God tot Mozes zegt: “Ú MOET de Israëlieten gebieden dat zij zuivere olie, uit gestoten olijven, voor u meenemen voor het licht, om voortdurend een lamp te laten branden.”.  Met deze opdracht begint het Bijbelgedeelte. De menora, uit één stuk goud gehamerd, moet voortdurend branden met zuivere olie en het vuur dat door God werd aangestoken. Het wijst heen naar onze Messias die in Johannes 1: 9 het waarachtige Llicht genoemd wordt, dat in de wereld komt en ieder mens verlicht.

De tabernakel en alles wat daartoe behoort moet geheel volgens Gods instructies gemaakt worden. In Romeinen 11: 36 lezen we:

Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid.

Het begint bij God, Hij maakt mensen bekwaam om het uit te voeren en het is tot Zijn eer. Zijn eer is vervat in de centrale tekst van deze chiastische structuur:

Exodus 29: 46 Ik zal dan te midden van de Israëlieten wonen, en Ik zal hun tot een God zijn.

God betrekt de verloste mens volledig in Zijn plan. Hij verlangt ernaar met ons om te gaan. Maar omdat Hij zo zeer HEILIG is en wij van nature zo zeer zondig zijn, moet het op Zijn voorwaarden gebeuren. Wie zelf de regels wil bepalen zal sterven.

God wil een volk van priesters vormen:

Exodus 19:6 U dan, u zult voor Mij een koninkrijk van priesters en een heilig volk zijn.

1 Petrus 2: 5 dan wordt u ook zelf, als levende stenen, gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterschap, om geestelijke offers te brengen, die God welgevallig zijn door Jezus Christus.

1 Petrus 2: 9 Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilig volk, een volk dat God Zich tot Zijn eigendom maakte; opdat u de deugden zou verkondigen van Hem Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht.

Openbaring 1:6 en Die ons gemaakt heeft tot koningen en priesters voor God en Zijn Vader, Hem zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen.

Openbaring 5: 10 En U hebt ons voor onze God gemaakt tot koningen en priesters, en wij zullen als koningen regeren over de aarde.

 

Maar zover is het nog niet. Eerst zijn het Mozes, Aäron en de eerstgeborenen die de priesterfunctie moeten vervullen. Later, na de zonde met het gouden kalf, werd  de stam Levi daarvoor aangewezen, tot welke stam ook Mozes en Aäron behoorden. En nog later werd het geslacht Zadok vanuit de stam Levi hiervoor aangewezen. Zij vormden de aardse weergave van de hemelse priesterdienst, die in de orde van Melchizedek uitmondde in onze Hogepriester Yeshua. Deze Hogepriester offerde Zijn eigen bloed waarmee de zonden worden weggenomen. Hij is degene die in Gods Heiligdom voor de genadetroon van YHWH verzoening doet.

Wat houdt dat priesterschap voor ons nu dan in?

Petrus omschrijft het zo:

  1. het brengen van geestelijke offers, die God welgevallig zijn door Jezus Christus.
  2. de deugden verkondigen van Hem Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht.

 

Hebreeën 13, vers 15

Laten wij dan altijd door Hem een lofoffer brengen aan God, namelijk de vrucht van lippen die Zijn Naam belijden.

 

En David zegt in psalm 141: 2 Laat mijn gebed als reukwerk voor Uw aangezicht staan, laat mijn opgeheven handen als het avondoffer zijn.

 

Het is de voortdurende omgang met God, het getuige van Hem zijn in deze wereld. Dat kan alleen als Hij bij ons woning gemaakt heeft en Zijn Woord in rijke mate in ons woont.

 

Kol. 3: 16 Laat het woord van Christus in rijke mate in u wonen, in alle wijsheid; onderwijs elkaar en wijs elkaar terecht, met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen. Zing voor de Heere met dank in uw hart.

 

Om deze gaven mogen we bidden. Dat is een gebed dat God graag verhoort. De vervulling zal pas compleet zijn als we opstaan uit de dood of veranderd worden in een ondeelbaar ogenblik. (1 Kor. 15: 52)  Want Hij, onze God, wil bij Israël wonen en bij ieder die zich door Yeshua de Messias op het verbond met Israël heeft laten enten.