Leviticus 16 - Grote Verzoendag

De grote Verzoendag werd gevierd op de tiende dag van de zevende maand en was een boetedag voor heel het volk, waarop men de sabbatrust in acht moest nemen en vasten. In de tempel deed de hogepriester dienst in het Heilige der Heiligen. Gekleed in linnen onderkleed bracht hij twee bokken bij de ingang van de tempel. Door het lot te werpen wijdde hij de éne aan Jahweh, de andere aan Azazel (zondebok).

Nadat hij zijn eigen zonden had beleden, van zijn gezin en van het volk, slachtte de hogepriester een stier als zondoffer, ging in het Heilige der Heiligen en brandde reukwerk. Hij stond in een wolk, veroorzaakt door het branden van reukwerk, voor de ark van het verbond. Daarna besprenkelde hij met het bloed van een stier het verzoendeksel en de vloer, zeven maal. Vervolgens werd de bok geslacht voor de zonden van het volk en het bloed van de bok werd in het Heilige der Heiligen gesprenkeld op dezelfde manier als het bloed van de stier. Wanneer de hogepriester weer eruit ging naar het volk, besprenkelde hij ook het voorhangsel, het reukofferaltaar, en het brandofferaltaar in de voorhof. Hij legde zijn beide handen op de kop van de andere bok, beleed de zonden van het volk en legde ze op de bok, die daarna de woestijn in werd gejaagd. Tenslotte werd de plechtigheid beëindigd met een brandoffer.

Hebreeën 9: 

11 Maar toen is Christus verschenen, de Hogepriester van de toekomstige heilsgoederen. Hij is door de meerdere en meer volmaakte tabernakel gegaan, die niet met handen is gemaakt, dat is: die niet van deze schepping is.

12 Hij is niet door bloed van bokken en kalveren, maar door Zijn eigen bloed eens en voor altijd binnengegaan in het heiligdom en heeft daardoor een eeuwige verlossing teweeggebracht.

13 Want als het bloed van stieren en bokken en de as van de jonge koe, op de verontreinigden gesprenkeld, hen heiligt tot reinheid van het vlees,

14 hoeveel te meer zal  het bloed van Christus, Die door de eeuwige Geest Zichzelf smetteloos aan God geofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken om de levende God te dienen!

15 En daarom is Hij de Middelaar van het nieuwe testament, opdat, nu de dood heeft plaatsgevonden tot verzoening van de overtredingen die er onder het eerste verbond waren, de geroepenen de belofte van de eeuwige erfenis ontvangen.

Toelichting aan de hand van de structuur

A: De A-sectie gaat over gebod/verbod.  De toegang tot achter het voorhangsel van de Tabernakel was uitsluitend aan de hogepriester, hier Aäron,  voorbehouden en dat maar éénmaal per jaar.  Het Heilige der Heiligen is de plaats waar God verschijnt boven het verzoendeksel, dat een beeld is van de troon van God.  Zoals we weten wordt hier het verzoenend werk van Yeshua/Jezus uitgebeeld.  Wat in de tabernakel – en later in de tempel – plaatsvindt is een afbeelding van wat er in de hemel gebeurt.  (Hebr.9:11 zie boven)

Yeshua is nu onze Hogepriester, die met Zijn eigen bloed verzoening doet voor Gods troon.

In het tweede A-gedeelte wordt vermeld dat het offer op  de Grote Verzoendag (Jom Kippoer) een eeuwige verordening is. We zien dat dit niet meer op aarde wordt  gedaan, er is immers geen tempel   meer.  Maar het verzoeningswerk gaat wel door in het hemelse Heiligdom.

B: in dit gedeelte worden we bij beide met elkaar in verband staande teksten bepaald bij het in- en uitgaan van het heiligdom. De priester Aäron hult zich in eenvoudige witte kleding om het offer te brengen. Hiermee zien we Yeshua uitgebeeld die zich vernederde om op aarde Zijn offer voor onze zonden te brengen.  

Filippenzen 2:8 En in gedaante als een mens bevonden, heeft Hij Zichzelf vernederd en is gehoorzaam geworden, tot de dood, ja, tot de kruisdood.

Aäron vertegenwoordigt het volk voor de troon van Jahweh. Vanuit het plaatsvervangend zondebesef past een nederige houding in de aanwezigheid van Gods heiligheid.

Als Aäron naar buiten komt is hij gekleed in zijn hogepriesterlijk gewaad. Nu vertegenwoordigt Hij Jahweh die de schuld heeft weggedaan  tegenover het volk. Het volk stond ademloos te wachten op het naar buiten komen van de hogepriester. Dan wisten ze dat de verzoening een feit was en dat God het offer had geaccepteerd. Zo mogen wij ook met groot verlangen uitzien naar de dag dat onze Hogepriester Yeshua in Zijn verheerlijking naar buiten komt uit het hemelse Heiligdom en Zijn voeten zet op de Olijfberg.

C: Dit gedeelte gaat over de beide bokken, waarvan er één geslacht moest  worden op de Grote Verzoendag.  Aäron moest het lot over de twee bokken werpen: één lot voor YHWH en één lot voor de weggaande bok. God zelf koos het offerdier uit wat voor Hem bestemd was. Er zijn meerdere uitleggingen voor het feit dat er twee bokken moesten zijn. In ieder geval is het duidelijk dat er één voor God geofferd moest worden. De andere werd de woestijn in gestuurd. Dit zegt de bijbel erover:

Lev. 16: 21 Aäron moet zijn beide handen op de kop van de levende bok leggen en al de ongerechtigheden van de Israëlieten belijden, al hun overtredingen, overeenkomstig al hun zonden. Hij moet die op de kop van de bok leggen en hem door de hand van een man, die daarvoor gereedstaat, de woestijn in sturen.

 22 Zo draagt de bok al hun ongerechtigheden op zich weg naar een onbewoond gebied. Hij moet dan de bok de woestijn in sturen.

Over de betekenis van die tweede bok zijn meerdere theorieën. Het zou kunnen betekenen dat  alle zonden weer teruggelegd worden op degene die de mens verleid heeft.  Het Hebreeuwse woord kh’zarah גְּזֵרָה H1509 komt maar één keer voor in de Bijbel. Het betekent een afgezonderd, onbewoond of ontoegankelijk land, want het woord “aretz” voor land wordt hierbij gebruikt. Een woord dat verwantschap daarmee heeft is “nikhazar” נִגְזַר H1504 en dat staat in Jesaja 53:8, de lijdensprofetie over Yeshua: “Want Hij is afgesneden uit het land van de levenden.” Daar gaat het ook over “land = aretz”, maar hier is het een werkwoord dat “afsnijden” betekent.  In ieder geval hebben allebei de teksten betrekking op het buitensluiten uit de “bewoonde wereld”.

Even een vergelijking: in de Engelse Bijbelvertaling zien we een grotere overeenkomst met Jesaja 53:8
Leviticus 16:22

Zo draagt de bok al hun ongerechtigheden op zich weg naar een onbewoond gebied. Hij moet dan de bok de woestijn in sturen.

De Engelse vertaling is letterlijker:

And the goat shall bear upon him all their iniquities unto a land which is cut off; and he shall let go the goat in the wilderness.

 

In verband met dat “afsnijden” komt bij mij de gedachte op dat deze buitensluiting een soort ballingschap zou kunnen zijn. In beide gevallen komt het woord “land” ter sprake. We zien in de geschiedenis van Israël veel voorbeelden van buitensluiting of ballingschap: de melaatse, Adam en Eva werden verbannen uit het Paradijs, Kaïn moest weg uit zijn woongebied, hetzelfde gold voor Jacob. Later Israël naar Egypte en zo zijn er nog wel meer voorbeelden. Waar verontreiniging was “spuwde” het land zijn bewoners “uit”. Dat komen we verderop in ons parasha gedeelte ook nog tegen.

Leviticus 18: 25 zodat het land onrein geworden is. Ik zal het zijn ongerechtigheid vergelden, zodat het land zijn bewoners zal uitspuwen.

Leviticus 18:28 Laat het land u niet uitspuwen, omdat u het verontreinigt, zoals het het heidenvolk dat er vóór u was, uitgespuwd heeft.

Dat het land verontreinigd kan worden en verzoening nodig heeft, blijkt bijvoorbeeld uit:   

Numeri 35: 33 U mag het land waarin u woont niet ontheiligen, want het bloed ontheiligt het land. Voor het land kan geen verzoening gedaan worden over het bloed dat erin vergoten wordt, dan door het bloed van degene die dat vergoten heeft.

34 Verontreinig dus het land niet waarin u woont, in het midden waarvan Ik woon; immers Ik, de HEERE, woon in het midden van de Israëlieten.

 

Dit betekent dat er met Jom Kippur ook verzoening gedaan moest worden voor het land dat door de zonde verontreinigd is.

 

D: Hier zien de verzoening in het Bloed uitgebeeld op het altaar, waarvan God zei:

Lev. 17: 11, Want het leven van het vlees is in het Bloed, en Ik heb dat Zelf voor u op het altaar gegeven om voor uw leven verzoening te doen. Want het is het Bloed dat door middel van het leven verzoening bewerkt.

Het was Gods liefdevolle gave. Het offer op Golgotha moest nog plaatsvinden, maar God ziet altijd vooruit. Hij weet hoe de dingen gaan lopen en Hij komt tot Zijn doel. Het leven was in het smetteloze Bloed van Yeshua en dat werd al bij voorbaat toegerekend. Zo kon de mens weer naderen tot de heilige God. Door middel van het Bloed van Yeshua  kan er een relatie zijn met God.  Yeshua zegt:

Joh. 14:6b Niemand komt tot de Vader dan door Mij.

Die gave van het Bloed heeft de hele geschiedenis door Zijn waarde gehad en zal ook in deze eindtijd van onschatbare waarde zijn. God liet dat toekomstbeeld aan Johannes op Patmos zien in een visioen:  Toen bleek dat niemand de boekrol kon openen zongen de vier dieren en de vierentwintig oudsten in de hemel om Hem te eren die de ontknoping van Gods heilsplan tot stand kon brengen:

Openbaring 5: 9 En zij zongen een nieuw lied en zeiden: U bent het waard om de boekrol te nemen en zijn zegels te openen, want U bent geslacht en hebt ons voor God  gekocht met Uw Bloed, uit elke stam, taal, volk en natie.

E: de CENTRALE AS:  het Heilige der Heiligen was voor de mens afgesloten, de weg tot God was afgesloten. Maar God creëerde een manier om dat te herstellen. Wij, van onszelf onreine mensen, mogen gereinigd door het Bloed van Yeshua weer naderen. Door dat Bloed vond er VERZOENING plaats. Ja, zoals het er  staat: voor Aäron en zijn gezin en voor geheel Israël. 

Is de verzoening  dan niet voor ons? Jazeker! God heeft Israël uitgekozen om Zijn verzoeningswerk tot stand te brengen. En wij mogen in die verzoening delen door Yeshua. Wie in Hem opnieuw geboren is zal Hij enten op het verbond en de beloften aan Israël gedaan. Lees Romeinen 11.

God heeft de hele wereld lief, maar bewerkt dat door Zijn volk Israël, vertegenwoordigd in de Jood Yeshua, de Mensenzoon, de Zoon van God.

Joh. 3: 16 Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft,  opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.

Tenslotte werd ik er eens bij een radio uitzending van Leerhuis, Radio Israël,  erbij bepaald dat in Leviticus 16:32 staat dat “men” de hogepriester zalfde. Dat vermelden vrijwel alle Nederlandse Bijbelvertalingen. Maar in het Hebreeuws staat er יִמְשַׁח = imshag = “Hij heeft gezalfd”. Het moet dus zijn:

 32          En de priester die (men) Hij  gezalfd en gewijd heeft  om in de plaats van zijn vader als priester te dienen, moet de verzoening doen, als hij de linnen kleren, de heilige kleren, heeft aangetrokken.

In het Engels is het zorgvuldiger vertaald:

And the priest, whom He (it’s Jahweh) shall anoint, and whom He shall consecrate to minister in the priest's office in his father's stead, shall make the atonement, and shall put on the linen clothes, even the holy garments:  KJV

Ook van David wordt in de Bijbel gezegd dat Jahweh hem gezalfd heeft, terwijl we weten dat Hij dat door Zijn dienaar de profeet  Samuël  deed:   

Psalm 89:21 Ik heb David, Mijn dienaar, gevonden; met  Mijn heilige olie heb Ik hem gezalfd.

Psalm 45:9  U hebt gerechtigheid lief en haat goddeloosheid;  daarom heeft Uw God U gezalfd, o God,  met vreugdeolie, boven Uw metgezellen.

Psalm 110: 1  De HEERE heeft tot mijn Heere gesproken: Zit aan Mijn rechterhand,

 

Alles  verwijst dan ook naar de Gezalfde: Yeshua HaMahiach. Bij psalm 110 gaat het niet over zalven. Maar Yeshua werd met de Heilige Geest gezalfd toen Hij door Johannes gedoopt was.

Lukas 3: 21 En het geschiedde, toen al het volk gedoopt was, en Jezus ook gedoopt was en aan het bidden was, dat de hemel geopend werd,

22 en dat de Heilige Geest op Hem neerdaalde in lichamelijke gedaante als een duif. En er kwam een stem uit de hemel die zei:

 

                                   U bent Mijn geliefde Zoon, in U heb Ik Mijn welbehagen!