Markus 7:24-31 de Syro-Fenicische vrouw

Yeshua was met zijn discipelen in het gebied van Tyrus en Sidon, ten Noorden van Israël, het huidige Libanon. Dat is de enige keer dat we lezen dat Yeshua, tijdens zijn bediening, het land Israël uit ging. Dezelfde geschiedenis wordt beschreven in Mattheüs 15. Daar zegt Yeshua (vs. 24) duidelijk: “Ik ben alleen maar gezonden naar de verloren schapen van het huis van Israël.”

Uit deze Bijbelgedeelten zien we dan ook dat het God in eerste instantie om Zijn volk Israël gaat. Ook uit wat Yeshua zegt als de 12 discipelen worden uitgezonden blijkt dit duidelijk:

Mattheüs 10: 5 Deze twaalf zond Jezus uit en Hij gebood hun: U zult u niet op weg begeven naar de heidenen en u zult geen enkele stad van de Samaritanen binnengaan, 46 maar ga liever naar de verloren schapen van het huis van Israël.

De apostelen die na de Pinksterdag het evangelie brachten benadrukten dat het evangelie in de eerste plaats gebracht werd aan het fysieke nageslacht van Abraham:

Het heilig Zaad:
Hand. 3: 25 U bent kinderen van de profeten en van het verbond dat God met onze vaderen sloot, toen Hij tegen Abraham zei: En in uw Zaad zullen alle geslachten van de aarde gezegend worden. 26 God, Die Zijn Kind Jezus heeft doen opstaan, heeft Hem eerst naar u gezonden om u hierin te zegenen dat Hij ieder van u zou afbrengen van zijn slechte daden.

Uit alles blijkt dat God een volk op aarde voor Zijn naam wilde vergaderen, om vandaar uit de wereld het goede nieuws te brengen. Iets wat ten dele gebeurd is, maar zijn volle vervulling nog zal krijgen.

Wie nu uit de heidenvolken gelooft in Yeshua als Verlosser en Gids voor het leven, behoort in principe tot Gods volk Israël. Maar in de geschiedenis van Markus 7 en Mattheüs 15 is daarvan nog geen sprake. In de beschrijving van dit gebeuren komt dit ook duidelijk naar voren. Yeshua wijst de hulpvraag van deze Syro-Fenicische vrouw af met als reden, dat zij bij de hondjes hoort en niet tot de kinderen behoort waarvoor het brood bestemd is.

Nu werden de heidenen in Israël gewoonlijk als honden bestempeld. Om tot de hondjes te behoren is bepaald geen compliment, hoe lief hondjes ook kunnen zijn.

Het bijzondere is dat deze vrouw niet verontwaardigd reageert, maar dit argument accepteert. Zij weet haar plaats: eerst Gods volk. Ze trekt die vergelijking door en zegt dat de hondjes wel mee profiteren van de kruimels die de kinderen op de grond laten vallen.

Een nederige houding:

Na deze erkenning komt Yeshua haar tegemoet en geneest haar dochter die een demonische ziekte had.Hiervan kunnen wij leren dat wij alleen via Israël en dan wel via het ultieme Nageslacht van Abraham, deel kunnen hebben aan het heil. Yeshua is, om het zo te zeggen, “niet los verkrijgbaar”, want “het heil is uit de Joden”, zegt Yeshua in Johannes 4:22.

Paulus zegt van de Edele Olijf (het volk Israël): “als de eerstelingen heilig zijn, dan het deeg ook, en als de wortel heilig is, dan de takken ook”. Helaas moest Paulus ook constateren dat het een “overblijfsel” is dat trouw is gebleken. Rom. 11:5.

De centrale tekst van dit Bijbelgedeelte laat ons zien dat we een nederige houding dienen te hebben als het gaat om Gods volk. Dat zegt Paulus ook in Romeinen 11:19 U zult dan zeggen: De takken zijn afgerukt, opdat ik zou worden geënt.20 Dat is waar. Door ongeloof zijn zij afgerukt en u staat door het geloof. Heb geen hoge dunk van uzelf, maar vrees. 21 Want als God de natuurlijke takken niet gespaard heeft, dan is het ook mogelijk dat Hij u niet spaart.

Geheel Israël:

Maar in Christus zijn we één met Israël, geënt op de Wortel. En God komt tot Zijn doel met Zijn volk. David profeteerde het al:

Psalm 86:9 Al de heidenvolken, die U gemaakt hebt, Heere, zullen komen, zich voor Uw aangezicht neerbuigen en Uw Naam eren.10 Want U bent groot en doet wonderen, U bent God, U alleen.