Numeri 18 - herstel Hogepriesterschap

Het eerste vers van hoofdstuk 18 legt een grote verantwoordelijkheid op het priesterambt. Aäron en zijn zonen zijn geroepen om in het heilige en soms ook in het Heilige der Heiligen dienst te doen.  Zij moesten de zonden dragen die binnen het priesterambt hadden plaatsgevonden. Die zonden waren aanwijsbaar. Hadden niet 250 mannen daar gestaan met vuurschalen om YHWH te offeren, die voor het grootste deel niet bevoegd waren dit te doen? Die bovendien opstandig waren tegen Gods leiding? Zij hadden het heiligdom ontheiligd.

Het volk had het hogepriesterschap van Aäron afgewezen. Het verwijt van de opstandelingen was gericht tegen Mozes en Aäron:

“U trekt te veel naar u toe, want heel de gemeenschap, allen zijn zij heilig, en de HEERE is in hun midden.’ Numeri 16:3

Hiermee wilden ze zeggen: verbeeld je niet dat jullie alleen zo heilig zijn om die dienst te verrichten.  Iedereen hier kan dat doen. Maar het afwijzen van de hogepriester betekent de dood. Net zo als het afwijzen van onze Hogepriester Yeshua de dood tengevolge heeft.

Aäron had zich verontreinigd door zich tussen de opstandige menigte te begeven met het reukwerk dat op het reukofferaltaar in het Heilige moest worden gebrand.

Hoofdstuk 16:18 zegt dat Aäron  tussen de doden en de levenden bleef staan met heilig vuur. Een hogepriester mocht niet in aanraking komen met de doden.  De noodzaak was er, om verzoening te kunnen doen en levens te redden van de plaag, maar niettemin was het een oneigenlijk gebruik van de heilige voorschriften en dus zonde.  Op deze manier was er ongerechtigheid binnengeslopen in de tempeldienst waarvan de gevolgen gedragen moesten worden door Aäron en zijn zonen. De opstand was tegen Aäron gericht. Aäron nam een risico om velen te verzoenen en te redden en toch kwam alle schuld op Hem neer. Wat een beeld van onze Hogepriester Yeshua. 

Wat dat dragen van hun ongerechtigheid inhoudt, wordt hier  niet precies vermeld. Maar we vinden dat wel in

Numeri 4: 22 Als een leider gezondigd heeft en zonder opzet tegen een van alle geboden van de HEERE zijn God iets gedaan heeft wat niet gedaan mag worden, zodat hij schuldig is,

23 of als zijn zonde, die hij daartegen begaan heeft, hem later bekendgemaakt wordt, dan moet hij zijn offergave brengen: een geitenbok, een mannetje zonder enig gebrek.

24 Dan moet hij zijn hand op de kop van de bok leggen en hem slachten op de plaats waar men het brandoffer slacht voor het aangezicht van de HEERE. Het is een zondoffer. 

25 Vervolgens moet de priester met zijn vinger een deel van het bloed van het zondoffer nemen en het op de hoorns van het brandofferaltaar strijken. Hij moet het overige bloed aan de voet van het brandofferaltaar uitgieten.

26 Verder moet hij al het vet ervan op het altaar in rook laten opgaan, net zoals het vet van het dankoffer. Zo zal de priester voor hem verzoening van zijn zonden doen, en het zal hem vergeven worden.

We zien in dit alles de middelaarsfunctie van Yeshua uitgebeeld. Op Aäron en zijn zonen wordt plaatsvervangend de schuld gelegd, die dan weer kan worden bedekt  door het offeren van een dier. De Levieten blijken bevoegd te zijn om hulpdienst te verrichten, zonder de heilige voorwerpen aan te raken. De Levieten waren de vervanging van de eerstgeborenen in Israël die apart gezet werden voor God. Zo vermeldt Numeri 3: 45:

“Neem de Levieten in plaats van alle eerstgeborenen onder de Israëlieten, en het vee van de Levieten in plaats van hun vee; de Levieten zullen Mij toebehoren. Ik ben YHWH.”

 Er is verschil in de dienst van Aäron en zijn zonen en de overige Levieten. In de centrale as zien we vers 4 dat zegt dat ze zich moeten aansluiten bij Aäron en zijn zonen en niet andersom.  De verhoudingen werden dus heel duidelijk gesteld. Het was het tegenovergestelde van wat Korach deed, die ook een Leviet was. De Levieten mogen hulpdiensten verlenen, maar niet in de nabijheid van de heilige voorwerpen in de tabernakel komen. Dat zou hun dood betekenen. Die dienst van de Levieten is een geschenk aan Aäron en zijn zonen. Zij zullen hun taken verlichten.  Als het goed is zal men in zo’n positie ook vrede ervaren, doordat men Gods beschikking aanvaardt.

Het was satan die aan God gelijk wil zijn. Diezelfde houding kenmerkt de wereld zonder God en vooral de wereld die zich in de kerk en in religieuze instellingen manifesteert. We zien dat heel duidelijk bij de Paus, die zich de plaatsvervanger van Yeshua noemt. En hoeveel priesters en dominees, professoren in de theologie in toga’s/priestergewaden meten zich een dergelijke heiligheid aan. Het volk vergaapt zich aan zulke figuren en accepteren van harte hun autoriteit.

Zo was de houding van Korach, die een beeld is van de antichrist. Gelukkig hebben zijn kinderen daarvan afstand genomen want Numeri 26:11 vermeldt: “Maar de kinderen van Korach waren niet gestorven.”  En er zijn zelfs 11 Psalmen die op naam staan van het nageslacht van Korach.