Deuteronomium 21 - 25 Ki Tetzei

Deze parasha bevat een reeks verschillende wetten die voor een groot deel te maken hebben met het burgerlijke en huiselijke leven, regels in verband met een knappe vrouwelijke krijgsgevangene, het verdelen van de erfenis onder de zonen van twee vrouwen, een opstandige zoon, de begrafenis van een ter dood veroordeelde, gevonden voorwerpen en dieren, bescherming van beschuldigde vrouwen, veiligheid op het dak, verboden mengingen, seksuele misdrijven, wie niet in de gemeente mogen komen, reinheid van de legerplaats, weggelopen slaven, prostitutie, 

rente, geloftes, nalezen, ontvoering, echtscheiding, loon, vrijstelling leger, onderpand, loon, geseling, zwagerhuwelijk, gewichten en maten en het uitwissen van de herinnering aan Amalek. We zullen enkele punten daaruit onder ogen nemen.

De parasha dankt zijn naam  Ki Tetze כִּי־תֵצֵא  aan de eerste Hebreeuwse woorden van dit tekstgedeelte.

Deuteronomium 21:10 Wanneer u ten strijde trekt  (Ki Tetze כִּי־תֵצֵא)tegen uw vijanden, en de HEERE, uw God, geeft hen in uw hand, zodat u hen als gevangenen wegvoert.

Verderop  in deze parasha komen we dit woord nog een keer tegen:
Deuteronomium 23:9 Wanneer het leger uittrekt  (Ki Tetze כִּי־תֵצֵא)  tegen uw vijanden, moet u op uw hoede zijn voor elke kwalijke zaak.

De eerstgenoemde tekst heeft voor onze begrippen al een vreemd vervolg. Er is sprake van strijd en Yahweh geeft de overwinning en de buit is voor de Israëlieten. Nu is er een knappe jonge vrouw krijgsgevangen gemaakt, waarop een soldaat verliefd wordt en God geeft dan regels om met haar om te gaan. Je kunt hier allerlei vragen bij stellen, maar we weten dat er in oorlogssituaties altijd vrouwen vernederd en verkracht worden.  God houdt rekening met de zwakheid van het vlees en wil niet dat er geweld tegen hen gebruikt wordt en dat ze tenminste respect tonen.

Haar hoofd moet worden kaalgeschoren, waardoor ze meteen minder aantrekkelijk wordt en ze moet een maand de gelegenheid hebben om het verdriet over het verlies van haar ouders te verwerken. Pas daarna mag hij haar tot vrouw nemen. Hij moet haar trouw blijven en mag haar niet als slavin verkopen.

Als we lezen over die opstandige zoon die gestenigd moet worden dan bekruipt ons ook een gevoel van “moet dat nou?”. We moeten ons realiseren dat het hier om rechtspraak gaat.  Het is mogelijk dat het betrokken gezin er zelf uitkomt. Maar er zijn situaties dat de zaak zo uit de hand loopt dat de rechters (de shoftiem) erbij gehaald moeten worden. Beter gezegd: die opstandige jongen moest worden meegesleurd naar de rechters.  In het uiterste geval moet zo’n jongen worden gestenigd. Daar gaat vanzelfsprekend een waarschuwing van uit naar andere opstandige jongens.  Die zullen het wel nalaten om het zover te laten komen.  Door het hanteren van Gods regels zou er ongetwijfeld een heel andere samenleving ontstaan. Geen jarenlange gedragstherapie en uithuisplaatsing. Het is waarschijnlijk  amper voorgekomen dat deze regel werd toegepast. We lezen dat dit oordeel éénmaal in de Bijbel voorkwam, maar dat  had te maken met godslastering.  (Lev. 24 vanaf vs. 10)

zo zult gij het kwaad uit uw midden wegdoen

Zeven maal komen deze woorden letterlijk zo voor in het boek Deuteronomium (zie hfdst. 13 : 5; 17 : 7; 19 : 19; 21 : 21; 22 : 21; 22 : 24; 24 : 7). Bovendien vinden we nog twee maal de uitdrukking: zo zult gij het kwaad uit Israël wegdoen (hfdst. 17 : 12 en 22 : 22).

De gelovige weet nu dat Yeshua de doodstraf voor ons heeft gedragen, want we waren allemaal te vergelijken met de opstandige zoon en “des doods schuldig”.

Iemand die de doodstraf heeft ondergaan moest dezelfde dag begraven worden. We zien hier weer dat God zich zorgen maakt over de reinheid van het land. Dat zien we ook in hoofdstuk 23:9-14, waar men een schepje voor de uitwerpselen moet hebben.  ….. opdat Hij niet iets schandelijks bij u ziet en Zich van u afkeert. In Deuteronomium 24:4 blijkt zelfs het terugnemen van zijn vrouw die intussen een andere man heeft toebehoord,  het land te verontreinigen.

 

Een gebod van één enkele zin:

Deuteronomium 22:10 U mag niet ploegen met een rund en een ezel tegelijk.

Dit zijn dieren die niet bij elkaar passen en de landbouwwerkzaamheden zullen niet het beoogde resultaat opleveren.  Behalve deze  praktische regel voor de boer, wordt dit ook geestelijk toegepast in 2 Korinthe 6:14-18.  “Vorm geen ongelijk span…. “ dat geldt ook voor de partnerkeuze in het huwelijk, het bedrijf enz.  We zien zulke mislukte coalities evenzeer op politiek niveau.  

De voeten van het beeld van Daniël waren van ijzer en leem:

Daniël 2:43 Dat u gezien hebt ijzer vermengd met modderig leem – ze zullen zich door menselijk zaad vermengen, maar ze zullen zich niet aan elkaar hechten, zoals ijzer zich niet vermengt met leem.

Dit is een belangrijk gegeven in deze eindtijd. Netzomin als ijzer en leem zich met elkaar vermengen, vermengen de regeringsvormen zich niet. Israël die banden aantrekt met een islamitisch land als Saudi Arabië….  Het komt niet tot een hechte eenheid. Als dit werkelijkheid wordt, en waarschijnlijk is het al werkelijkheid, dan zal  Gods Koninkrijk spoedig baan breken.

Deuteronomium 22:11 U mag geen kleding van twee soorten stof aantrekken, van wol en linnen tegelijk.

Dit gebod is een logisch vervolg op het ploegen met dieren die niet bij elkaar passen.  Wol moet heel anders gewassen worden dan linnen. Als je het samen wast zal de wol gaan krimpen en voldoet het kledingstuk niet meer aan zijn doel.  Het verbod heeft tot doel om onderscheid te maken tussen rein en onrein, tussen goed en slecht, tussen het gewijde en het ongewijde. Ezechiël 22:25.

In feite verwijst het allemaal naar de vermenging van de dienst aan God met de afgodendienst in allerlei vormen. De vermenging is door de zondeval in de wereld gekomen. De mens liet zich verleiden door het aanbod van “de boom van kennis van goed en kwaad”.

In het Paradijs kwam satan en sprak vanuit de slang over  de “boom van kennis van goed en kwaad”.  De slang had kennis en goedheid en mengde het met kwaad waardoor ook het zogenaamde “goede” verontreinigd werd.

Adam en Eva trapten er in, waren daardoor verontreinigd, en konden niet meer in Gods nabijheid blijven.

Het  verbod op het terugnemen van een vrouw na een echtscheiding, terwijl ze een andere man heeft toebehoord, heeft vooral een geestelijke betekenis. Het ziet op het huwelijksverbond tussen Yahweh en Zijn volk Israël. Dat wordt heel mooi uitgelegd in dit artikel over Jesaja 54.

Gods zorg gaat ook uit naar de dieren die Hij geschapen heeft en Hem toebehoren. Deuteronomium 25:4 is een heel kort zinnetje: “Een rund (os) mag u niet muilkorven als hij aan het dorsen is.”  Een os die een dorsslee trekt loopt zijn rondjes over de dorsvloer om het uitgespreide graan van zijn meester te dorsen. Eens in de zoveel tijd neemt de os een hap van het graan om dan al kauwend zijn werk voort te zetten. Een os die zo zijn werk doet, mag je niet muilkorven om te voorkomen dat hij eet van het graan dat hij dorst.  Het blijkt dat dit, behalve de zorg voor dieren, ook weer een geestelijke toepassing heeft, namelijk de waardering en beloning .

Paulus schrijft hierover:

1 Korinthe 9:9 Want in de wet van Mozes staat geschreven: U mag een dorsende os niet muilbanden. Bekommert God Zich alleen maar om de ossen? 10 Of zegt Hij dit vooral om ons? Jawel, om ons is geschreven dat wie ploegt, in hoop hoort te ploegen, en dat wie in hoop dorst, het deel waarop hij hoopt, hoort te krijgen.

  1. Als wij bij u het geestelijke gezaaid hebben, is het dan te veel als wij van u het stoffelijke oogsten?
  2. Als anderen aan dit recht over u deelhebben, waarom wij niet des te meer? Wij hebben echter van dit recht geen gebruik gemaakt, maar wij verdragen alles, opdat wij geen enkele hindernis opwerpen voor het Evangelie van Christus.
  3. Weet u niet dat zij die de tempeldienst verrichten, van het heilige eten? En dat zij die steeds bij het altaar verkeren, hun deel ontvangen van de offers van het altaar?

Hoewel Paulus nooit aanspraak op dit recht maakte, volgens vers 15, brengt hij dit naar voren omdat er blijkbaar mensen waren die hem hierom verdacht maakten (vers 3).  Dit heeft niet alleen betrekking op voedsel en stoffelijke zaken, maar ook op waardering en respect. (1 Timotheüs 5:2)  Dit gaat vanzelfsprekend over degenen die ook werkelijk door God geroepen zijn en niet om iedere religieuze leider die zijn ANBI bankrekening presenteert.

Deuteronomium 25:13 U mag niet twee verschillende weegstenen in uw zak hebben, een grote en een kleine. 14. U mag in uw huis niet twee verschillende efa's hebben, een grote en een kleine. 15. U moet een zuivere en rechtmatige weegsteen hebben, u moet een zuivere en rechtmatige efa hebben, opdat uw dagen verlengd worden in het land dat de HEERE, uw God, u geeft. 16. Want iedereen die dat doet, iedereen die onrecht doet, is voor de HEERE, uw God, een gruwel.

 

Hier gaat het om gewichten en meetinstrumenten.  Het is bekend dat er met gewichten veel gesjoemeld wordt, om geldelijk voordeel voor zichzelf te verwerven.  Het is duidelijk dat dit zonde is.

Yeshua zei er in de Bergrede dit van:

Lukas 6:38 Geef en aan u zal gegeven worden: een goede, vastgedrukte, geschudde, overlopende maat zal men u in de schoot geven, want met dezelfde maat waarmee u meet, zal er bij u ook gemeten worden.

Dat meten houdt een oordeel in. In het eerste deel van bovenstaande tekst staat wat God ons in Zijn liefde geeft, maar het tweede deel betekent, dat als je om je voordeel karig afmeet naar anderen, dat dezelfde uitwerking naar jou heeft. God meet ook de zonde. Als de maat van de zonde vol is komt Zijn oordeel. 

De Toralezing  van parasha Ki Tetzei valt onder de grote afscheidstoespraak van Mozes, die de hoofdstukken 5 tot en met 26 omvatten.  Uit onderstaand schema blijkt dat de onderwerpen zijn afgeleid van de tien geboden die op de Sinaï zijn gegeven.  Zelfs de volgorde komt overeen met de tien geboden. Hierdoor begrijpen we ook dat al die geboden niet te scheiden zijn van de wet die met Gods vinger op de stenen tafelen zijn geschreven.  Het is de uitwerking ervan. 

Parallellisme van gedeelten  Deuteronomium 20 en 21:

De oorlog tegen Amalek, die in Exodus 17 beschreven wordt en waaraan in Deuteronomium herinnerd wordt, vertegenwoordigt het eerste treffen van wat een voortdurende strijd zal zijn om het Beloofde Land in bezit te nemen. De afloop van die strijd wordt in het boek Openbaring geprofeteerd. De centrale as in de chiastische structuur geeft aan dat Amalek God niet vreesde. Hij heeft zich vanaf het begin vijandelijk opgesteld en dat zal op zijn val uitlopen. De geest van Amalek is nog springlevend onder de volken. De uiteindelijke overwinning wordt binnenkort bevochten door Yeshua. Daarom is het Jozua, een type en schaduw van Yeshua, die de strijd te Rafidim in de woestijn voerde.

Als het eind van de strijd plaatsvindt bij de wederkomst van Yeshua, is het duidelijk dat wij er in onze tijd zeker mee te maken hebben. En Amalek gaat niet zachtzinnig te werk zoals geregeld in het humanitair oorlogsrecht. Hij viel Israël in de achterhoede aan, waar de ouderen en de kinderen zich bevonden. Deze wreedheid zal in de eindstrijd kenmerkend zijn.  Een strijd die zijn climax zal bereiken. Maar als de nood het hoogst is, is de redding nabij.

En nu citeer ik even een stukje uit het artikel over Amalek van Olivebranch:

“God heeft belooft nog eenmaal de aarde en de hemel te doen beven en met dat ‘nog eenmaal’ wordt bedoeld dat wat geschapen is, wankelt en verdwijnt, zodat alleen blijft wat onwankelbaar is…..

Maar te midden van dit schudden  zullen we de uitstorting van Gods Geest, de Late regen zien. Een enorme opwekking te midden van oordeel, waaruit een overblijfsel van de stammen van geheel Israël hier uit te voren zullen komen en terug worden gebracht onder de Messias Yeshua, dan zal het zijn één Kudde en één Herder (Ezech. 37).”