Leviticus 12-13 rein onrein

Het parasha-deel “Tazria” van deze week gaat verder met de bespreking van rituele reinheid. In de vorige studie hadden we het over de reinheid van dieren. Er waren reine en onreine dieren. Die onreine dieren mogen nooit dienen als voedsel of offerdier.

In de studie van deze week gaat het echter over situaties waarbij een persoon onrein of onzuiver wordt door een natuurlijke omstandigheid, situaties waarbij ziekte, infectie, huidproblemen, geboortes en menstruatie betrokken zijn. Toch was het niet de bedoeling om zulke situaties te vermijden. Het gaat erom dat we die onreinheid erkennen en herkennen en ons ervan bewust zijn dat we reiniging nodig hebben. Totdat iemand rein werd, was de Tabernakel verboden terrein. De heiligheid van God verdraagt geen onreinheid.

De meest verregaande onreinheid doet zich voor als iemand in contact komt met een lijk. Deze onreinheid komt bij andere Tora-gedeelten ter sprake, maar het is goed om er nu bij stil te staan om inzicht te krijgen in de andere vormen van onreinheid die nu aan de orde komen. In Numeri 19 lezen we Gods instructies om rein te worden als men met een lijk in contact is gekomen. In tegenstelling tot de andere soorten onreinheid, kan alleen de as van een rode vaars de persoon die in contact is gekomen met een dode, reinigen. We begrijpen niettemin dat God niet verwacht dat we daarom geen lijk moeten aanraken. Dat moet gewoon gebeuren in een samenleving. Men was niet vies, het is onreinheid van een andere orde. Het is iets wat met de dood te maken heeft en dat staat lijnrecht tegenover de heilige God van het Leven. Er was echter wel een verbod voor de priesters, de zonen van Aaron om een lijk aan te raken:

Leviticus 21:
1 De HEERE zei tegen Mozes: Spreek tot de priesters, de zonen van Aäron, en zeg tegen hen: Een priester mag zichzelf niet verontreinigen met een dode onder zijn volksgenoten,
2 behalve met zijn naaste bloedverwant: met zijn moeder, met zijn vader, met zijn zoon, met zijn dochter, met zijn broer.
3 En met zijn zuster die maagd is, die nauw aan hem verwant is, die nog niet aan een man toebehoort. Met haar mag hij zich verontreinigen.
4 Hij mag zich als echtgenoot niet verontreinigen met zijn volksgenoten. Hij zou zichzelf daardoor ontheiligen.

God instrueerde met name Aäron en zijn kinderen om niet in contact te komen met een lijk, met uitzondering van hun directe familieleden. De hogepriester kon zelfs niet in contact komen met de overblijfselen van zijn naaste familieleden. Hieruit leren we dat onreinheid geassocieerd met de dood, de grootste onreinheid is.

Veel commentatoren hebben daarom gezocht naar overeenkomsten tussen de onreinheid die het gevolg is van de dood en de andere onreinheden die worden genoemd in de hoofdstukken die we deze week lezen. In hoeverre hebben de oorzaken van onreinheid die in dit deel worden genoemd, betrekking op de dood?

Ook de menstruatie is een element van de dood. Het eitje gevormd in de baarmoeder werd geen levend wezen en sterft af. Bloedverlies is verlies van leven en heeft dus in wezen met de dood te maken. De moeder heeft niets verkeerds gedaan, maar de connectie met de dood veroorzaakt rituele onreinheid. Trouwens, onreinheid geldt ook voor een zaadlozing:

Lev. 16: 16 Wanneer een man een zaadlozing heeft gehad, moet hij zijn hele lichaam met water wassen; en hij is onrein tot de avond.

De onreinheid bij een bevalling is misschien wat moeilijker te begrijpen. Hoewel de bevalling, waarbij Leven ontstaat, precies het tegenovergestelde is van de dood, is het bloed van de geboorte datgene wat de kraamvrouw onrein maakt. Ook hier geldt: bloedverlies is verlies van leven.

Leviticus 17: 11 Want het leven van het vlees is in het bloed, en Ik heb dat Zelf voor u op het altaar gegeven om voor uw leven verzoening te doen. Want het is het bloed dat door middel van het leven verzoening bewerkt.

Toch wordt het bloed van de bevalling ook het bloed van reiniging van de moeder genoemd. Er moet dus een reiniging plaatsvinden. Het Hebreeuwse woord is טָהֱרָה tahorah. Bloed dat reinigt verwijst naar het volmaakte zuivere bloed van onze Verlosser Yeshua.

Die verregaande onreinheid van de dood zien we ook in de melaatsheid. Melaatsheid was een bovennatuurlijke ziekte en heeft niets te maken met wat men tegenwoordig als melaatsheid definieert. We zien bij de geschiedenis van Mirjam, koning Uzza en Gehazi dat het een straf van God op de zonde was. Het openbaarde verborgen zonden. De ziekte was een vorm van dood in een levend mens. In een studie wordt het genoemd “de wandelende levende dood”. Alles wat onrein is heeft te maken met zonde en dood.

Maar ik wil dit niet besluiten zonder te vermelden dat Yeshua de zonde en de dood op Zich heeft genomen om ons, die ook onrein van onszelf zijn, te reinigen met Zijn offer. Het smetteloze bloed dat Hij ter verzoening op het altaar van de Hemelse Vader heeft gelegd: tot onze REDDING.
De profetie uit Leviticus 17 is werkelijkheid geworden:

Leviticus 17: 11 Want het leven van het vlees is in het bloed, en Ik heb dat Zelf voor u op het altaar gegeven om voor uw leven verzoening te doen. Want het is het bloed dat door middel van het leven verzoening bewerkt.

Intussen heb ik met Jur van Calkar hierover een gesprek gehad, wat mooie inzichten gaf, die meer licht op dit Toragedeelte geven.  Eén en ander is ontleend aan de Tazria studie van Ardelle.

Wat is er de oorzaak van dat ons bloed onrein is, zodat er bij de geboorte reinigingsrituelen moesten plaatsvinden? 

We gaan daarbij terug naar het begin, naar Genesis, waar God zei:

Genesis 2:17 "maar van de boom van de kennis van goed en kwaad, daarvan mag u niet eten, want op de dag dat u daarvan eet, zult u zeker sterven".

Adam en Eva stierven niet op de dag dat zij aten van de boom van kennis van goed en kwaad. Tenminste niet op die "eerste dag".  Maar als je in de Schrift leest dat "één dag als duizend jaar is" in Gods ogen, dan kun je wel zeggen dat zij op die eerste dag stierven.  Hun lichaam werd vergankelijk vlees, waardoor zij niet langer in de Hof van Eden konden verblijven. Hun leven was sterfelijk geworden en hun geest was onderworpen aan de zonde. Die sterfelijkheid openbaarde zich sindsdien ook bij de geboorte van nieuw leven. De bevalling ging met pijn gepaard en het bloed bevatte door de zonde sterfelijkheid en was daarom onrein geworden. 

Toch was de mens niet aan zijn lot overgelaten. Na de zondeval in het Paradijs werd Gods genade en liefde geopenbaard in de belofte:

Genesis 3:15 En Ik zal  vijandschap teweegbrengen tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar Zaad; Dat zal u de kop vermorzelen, en u zult Het de hiel vermorzelen.

 

Het beloofde Zaad is de Messias, hetzelfde Zaad werd beloofd aan Abraham en aan David. Hij, de Messias, is het Zaad dat Leven brengt. Maar wij mensen delen allemaal in de zonde van Adam en Eva, hebben allemaal die sterfelijkheid in ons en dat is het gevolg van het door de zonde verontreinigde bloed. Alleen Yeshua heeft dat niet! Hij was niet verwekt door een zondige vader, maar door Gods Heilige Geest.  De bloedsomloop van een kind in de moederschoot staat los van de bloedsomloop van de moeder. Moeder en kind kunnen ook heel verschillende bloedgroepen hebben. Het zondige bloed dat door de "oude Adam" werd doorgegeven aan het nageslacht, was daarom  niet aanwezig in de bloedsomloop van Yeshua.  Op deze manier kon er een "nieuwe Adam" geboren worden. Adam אָדָם is het Hebreeuwse woord voor "mens". In het woord zit ook het Hebreeuwse woord voor bloed דָּם "dam". 

 

1 Korinthe 15:45 Zo staat er ook geschreven: De eerste mens Adam is geworden tot een levend wezen, de laatste Adam tot een levendmakende Geest.

Leviticus 12:2 Spreek tot de Israëlieten en zeg: Wanneer een vrouw nageslacht voortbrengt en een jongetje heeft gebaard, dan is zij zeven dagen onrein. Zij is dan even onrein als tijdens de dagen van afzondering als zij ongesteld is.

Er is iets bijzonders met dit vers aan de hand. Het normale woord voor zoon in het Hebreeuws is בֵּן "ben". Maar hier staat het woord זָכָר "zakar", dat ook "herinnering" betekent.  Het vers herinnert eraan dat er "zeven dagen" (zevenduizend jaar) geschiedenis zal zijn, voordat de "achtste dag" aanbreekt. Die "achtste dag" verwijst naar het achtste millenium, naar de volmaaktheid van hemel en aarde, waar God alles in allen is.  Tot die tijd zal er zonde op aarde zijn. 

De "achtste dag", de dag na een week was ook de dag dat een jongetje besneden werd. 

Leviticus 12:3 En op de achtste dag moet het vlees van zijn voorhuid besneden worden.

(De achtste dag is medisch gezien de meest geschikte dag voor de besnijdenis, op die dag verliest men minder bloed en is er een sneller herstel mogelijk. Zo is alles door God geregeld).

De besnijdenis is een voortdurende herinnering aan het verbond in het vlees.  Het is zelfs aantoonbaar in het lid van waaruit het zaad voortkomt.  Ieder kind dat besneden wordt heeft een sabbat geleefd. De zeven dagen van vleselijk leven worden gesymboliseerd in de zeven millenia van de wereld. Dit wordt door de besnijdenis weggesneden, zodat de achtste dag overblijft, hetgeen de eeuwigheid uitbeeldt. 

Openbaring 21: 1 En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, want de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbijgegaan. En de zee was er niet meer. 2 En ik, Johannes, zag  de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, neerdalen van God uit de hemel, gereedgemaakt als een bruid die voor haar man sierlijk gemaakt is.

 

Er is er maar Eén wiens bloed volkomen rein was, dat was Yeshua. Daarom is Hij als God in een menselijk lichaam op aarde geweest. Alleen dat reine bloed kon ons redden.  Het is het tegenovergestelde van het bloed dat wij, zondige mensen, hebben. Bij Zijn bloed gebeurt dan ook het tegenovergestelde! Zijn bloed maakt werkelijk rein. Daardoor zijn wij geheiligd.